Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/5.5.2.1:5.5.2.1 Vorderingen in verband met het algeheel of gedeeltelijk tenietgaan van een mandelige zaak
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/5.5.2.1
5.5.2.1 Vorderingen in verband met het algeheel of gedeeltelijk tenietgaan van een mandelige zaak
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS489665:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook hoofdstuk 12.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vorderingen als hier bedoeld vloeien voort uit onrechtmatige daad of wanprestatie. Ook vorderingen voortvloeiende uit polissen van verzekering kunnen hieronder vallen. Dit laatste doet zich bijvoorbeeld voor ingeval door brand een mandelige zaak (gebouw) geheel of gedeeltelijk teniet gaat. Twee situaties moeten worden onderscheiden.
de mandelige zaak gaat gedeeltelijk teniet, maar het nut voor de afzonderlijke erven blijft bestaan
Indien door gedeeltelijk tenietgaan van de mandelige zaak het nut voor de afzonderlijke erven blijft bestaan doet zich de vraag voor of tot de (mandelige) gemeenschap – bij wijze van zaaksvervanging – ook de (vordering tot) schadevergoeding moet worden gerekend.
De tekst van de wet verzet zich tegen zaaksvervanging. Van analogische toepassing kan, nu de wettekst zo duidelijk is, naar mijn oordeel, geen sprake zijn. Wellicht is zaaksvervanging mogelijk op grond van het noodzakelijkheidscriterium van Langemeijer.
Ik acht deze onduidelijkheid ten aanzien van de mogelijkheid van zaaksvervanging niet wenselijk. Teneinde het probleem op te lossen dienen zich twee mogelijkheden aan:
In de wettekst wordt bepaald dat mandeligheid zich niet alleen uitstrekt tot een onroerende zaak maar dat ook daartoe behoren de vergoedingen die geacht moeten worden in de plaats van deze onroerende zaak te treden. Of anders: art. 3:167 wordt van toepassing verklaard. Verdeling van de ontvangen schadepenningen kan – indien gewenst – door de deelgenoten in onderling overleg worden overeengekomen.
De regeling zoals die geldt voor de splitsing in appartementsrechten en zoals hiervoor omschreven wordt mogelijk gemaakt.
Het zal duidelijk zijn dat ik de eerste regeling prefereer. De bezwaren tegen de regeling als onder 2 bedoeld, heb ik hiervoor weergegeven.
de mandelige zaak gaat zodanig teniet dat van nut ten behoeve van de afzonderlijke erven geen sprake meer is
Ingevolge art. 5:61 lid 1 sub c eindigt de mandeligheid indien het nut voor alle erven is geëindigd. Mandeligheid en zaaksvervanging hebben in deze situatie geen raakvlakken.
Er resteert een eenvoudige gemeenschap, waarop titel 3.7, afdeling 1 van toepassing is. Tot deze gemeenschap behoren – naast de onroerende zaak – bij wijze van zaaksvervanging, de vorderingen zoals hiervoor omschreven. Art. 3:167 is rechtstreeks van toepassing.
Deze gemeenschap is naar mijn oordeel voor verdeling vatbaar (art. 3:178).
Wellicht zou betoogd kunnen worden dat de aard van de gemeenschap, nu deze zo dicht tegen de – niet meer bestaande – mandeligheid aanligt en met name ten aanzien van verzekeringspenningen gezegd kan worden dat deze bestemd zijn om de zaak weer op te bouwen, zich tegen verdeling verzet.
Een andere (betere), minder onzekere, regeling is wenselijk.
Verdeling ex art. 3:178 zou naar mijn oordeel eerst mogelijk moeten zijn ingeval:
door de deelgenoten wordt besloten de gelden niet aan te wenden tot herstel van de zaak. De onroerende zaak wordt dan niet opnieuw mandelig gemaakt;
na herstel een overschot aanwezig blijkt te zijn. Het is daarbij aan de deelgenoten om de onroerende zaak opnieuw mandelig te maken of juist niet.
Overigens acht ik ook deze regeling nog onbevredigend.
Naar mijn oordeel is de hoofdregel, te weten het einde van mandeligheid indien en zodra het nut is komen te vervallen, onjuist.1 Het is wenselijk dat vorderingen en gelden als waarover hier wordt gesproken, kunnen behoren tot de mandeligheid.
Dit blijkt uit het vorenstaande: de huidige regeling is onpraktisch. Ik zou willen voorstellen om de volgende regeling in de wet op te nemen:
Mandeligheid eindigt indien en zodra door de deelgenoten daartoe wordt besloten en zij hiervan doen blijken uit een notariële akte en inschrijving van een afschrift van die akte in de desbetreffende openbare registers.
Tot dat moment behoren ook de vorderingen en/of gelden als waarover hier wordt gesproken tot de mandeligheid.
Art. 3:167 is van toepassing.
Verdeling van de gelden is eerst mogelijk indien
door de deelgenoten wordt besloten de gelden niet aan te wenden tot herstel van de zaak;
na herstel een overschot aanwezig blijkt te zijn;
de mandeligheid eindigt.