Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/10.1.3
10.1.3 Rechtsbescherming, publiekrechtelijke normering en het bestuursorgaanbegrip
mr. dr. N. Jak, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. N. Jak
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De vragen naar de toepasselijke rechtsnormen en bestuursrechtelijke rechtsbescherming vormen de klassieke invalshoeken voor de beantwoording van de vraag naar de identiteit en de reikwijdte van het bestuursrecht (of: de vraag naar de verhouding tussen publiek- en privaatrecht). Zie G.T.J.M. Jurgens, ‘Positiebepaling van het bestuursrecht: verovering of zending?’, NTB 2016/48.
HR 4 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2830, AB 2003/365, m.nt. F.J. van Ommeren (RZG/Comformed).
Ten behoeve van de verantwoording zij opgemerkt dat deze bijdrage deels gebaseerd is op inzichten die ik al in eerdere publicaties heb uiteengezet.
In deze bijdrage wordt ingegaan op twee van de hiervoor genoemde rechtsstatelijke pijlers, namelijk (1) de bestuursrechtelijke rechtsbescherming jegens het handelen van semipublieke instellingen en (2) de publiekrechtelijke normering van semipublieke instellingen.1 Het begrip bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 lid 1 Awb speelt hierbij tot op de dag van vandaag een cruciale rol. Immers, alleen tegen besluiten (art. 1:3 lid 1 Awb) van bestuursorganen staat bestuursrechtelijke rechtsbescherming open. Daarnaast zijn publiekrechtelijke normen, zoals de geschreven en ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alleen van toepassing op bestuursorganen in de zin van artikel 1:1 lid 1 Awb.2
Deze bijdrage richt zich specifiek op de betekenis die het bestuursorgaanbegrip in de toekomst nog heeft als aanknopingspunt voor de rechtsbescherming jegens (par. 2) en normering van (par. 3) semipublieke instellingen. Voldoet aansluiting bij het bestuursorgaanbegrip nog wel vanuit een oogpunt van rechtsstatelijkheid? Betoogd wordt dat het bestuursorgaanbegrip op een enkel punt nog aan kracht kan winnen, maar dat tegelijk de betekenis van het bestuursorgaanbegrip als sleutel tot rechtsstatelijkheid in toenemende mate zal afnemen.3