Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/5.4.2.2
5.4.2.2 Omzetting volgens het Ontwerp-Maeijer
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS589264:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ontwerp-Maeijer, art. 837 lid 1, laatste volzin jo. art. 824 lid 1.
Ontwerp-Maeijer, art. 832.
Ontwerp-Maeijer, art. 833.
Zo was ook omzetting van CV in CVR, en omgekeerd, mogelijk. Ontwerp-Maeijer, art. 836 lid 1 jo. art. 832 en 833.
Bosse 2008, p. 467. Instemmend: Van Mourik & Burgerhart 2010, nr. 75.
Ontwerp-Maeijer, art. 832 lid 2 sub c.
Ontwerp-Maeijer, art. 833 lid 2 sub c.
Ontwerp-Maeijer, art. 832 lid 2 en art. 833 lid 2. Vgl. art. 3:186 BW (bij verdeling van een gemeenschap).
Ontwerp-Maeijer, art. 832 lid 4 (bij omzetting OV in OVR) en art. 833 lid 4 (bij omzetting van OVR in OV).
Ontwerp-Maeijer, art. 834 en 835. Deze regeling gold mede voor omzetting van OVR in NV en omgekeerd en betrof naast de OVR ook de CVR, omdat dit een species van het genus openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid was (art. 836).
Ontwerp-Maeijer, leden 3 van art. 834 en 835.
Dortmond 2010, p. 355/356.
Raaijmakers 2003, p. 253; Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 155.
Ontwerp-Maeijer, art. 834 lid 7 en art. 835 lid 5, tweede volzin. Vgl. art. 824.
Ontwerp-Maeijer, art. 834 lid 7; vgl. art. 824 lid 1 en art. 837 lid 1 laatste volzin.
Zie 3.3.4.4.
Brouwer & Van Dijk 2008, p. 85.
Het Ontwerp-Maeijer kende vijf typen personenvennootschappen: de stille vennootschap, OV en OVR, en CV en CVR. Of een stille vennootschap zich kon omzetten in een OV en omgekeerd, was onduidelijk. Dat een OV zich kon omzetten in een CV en omgekeerd werd niet met zoveel woorden in het ontwerp vermeld, maar leed geen twijfel.1 Hetzelfde gold voor de omzetting van een OVR in een CVR en omgekeerd. Werd een gewone vennoot commanditair, dan golden dezelfde regels voor restaansprakelijkheid als bij uittreden.2 Verder bood dit ontwerp enkele expliciete mogelijkheden. Een OV kon rechtspersoonlijkheid verkrijgen en daarmee OVR worden,3 en omgekeerd.4 In de praktijk werd daarbij al snel gesproken van omzetting.5 Volgens de minister diende iedere vennoot aan de besluitvorming tot een dergelijke omzetting te kunnen deelnemen.6 Bosse heeft erop gewezen dat dit een beperking van de contractsvrijheid meebracht.7
Volgens het Ontwerp-Maeijer moesten bij omzetting van een OV in een OVR de tot het vennootschapsvermogen behorende goederen worden ‘ingebracht’ in de rechtspersoon.8 Omgekeerd, bij omzetting van een OVR in een OV, moesten de goederen van de rechtspersoon worden ‘ingebracht’ in een vennootschappelijke gemeenschap.9 De overgang van de goederen werd in zoverre enigszins gefaciliteerd dat voor de ‘inbreng’ een levering nodig was, maar geen overdracht.10 Rechtsverhoudingen en schulden gingen van rechtswege met de goederen mee over.
Er was een bijzondere regeling over pandrecht en hypotheek.11 Stel, twee vennoten hadden een OV en er werd een pandrecht gevestigd op tot het vennootschapsvermogen behorende goederen, waaronder op dat moment nog toekomstige goederen. De OV werd omgezet in een OVR en daarna verkreeg de OVR goederen die volgens de pandakte onder het pandrecht vielen. Volgens de regeling in het Ontwerp-Maeijer kwam dan een pandrecht op deze goederen te rusten, ook al had de OVR zelf, als rechtspersoon, geen rechtshandeling tot verpanding verricht. Dit gold ook als tussen het moment van verpanding en het moment van omzetting de vennoten waren vervangen, en ook als de nieuwe vennoten geen rechtshandeling tot verpanding hadden verricht.
Deze regels maakten de ‘omzetting’ tot een vreemde figuur. Neemt men tot uitgangspunt dat de OV geen rechtssubject was, dan is de vraag of deze regels gerechtvaardigd waren. Neemt men tot uitgangspunt dat de OV wel rechtssubject was, dan rijst de vraag of OV en OVR naast elkaar bestaansrecht hadden.
Het Ontwerp-Maeijer bevatte voorts een regeling voor de omzetting van een OVR in een BV, en omgekeerd.12 Een meerderheid van twee derden van de vennoten van een OVR was in beginsel voldoende voor het besluit tot een dergelijke omzetting. Rechterlijke machtiging voor de omzetting was vereist, ongeacht de verkregen meerderheid. Voor de omzetting was ook een notariële akte nodig. De gekwalificeerde meerderheid is arbitrair, maar kan als minimumeis verdedigd worden. Vennoten die niet hadden ingestemd met de omzetting moesten door de rechter worden opgeroepen,13 waarbij onduidelijk was of dit naast degenen die hadden tegengestemd ook degenen betrof die zich hadden onthouden.14 Raaijmakers heeft m.i. terecht opgemerkt, dat onduidelijk is welk belang men met het vereiste van rechterlijke machtiging wilde beschermen en welke waarborgen hier naast het toezicht door de notaris werden nagestreefd.15
Onder het Ontwerp-Maeijer volgde de vennotenaansprakelijkheid bij omzetting van een OVR in een BV, en omgekeerd, de OVR-regels voor toe- en uittreden.16 De restaansprakelijkheid van de gewezen vennoot (die aandeelhouder werd) voor oude schulden was beperkt tot vijf jaar.17 Hij werd in beginsel niet aansprakelijk voor schulden van de rechtspersoon die na de omzetting nog voortvloeiden uit voordien ontstane rechtsverhoudingen, zoals nieuwe huurtermijnen onder een oude huurovereenkomst.18 Voor verhuurders was dit iets om rekening mee te houden bij verhuur aan een OV of OVR.19