Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/1.3.2
1.3.2 Een voorbeeld: de exploitatie van een coffeeshop
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS299532:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
In september 2006 fungeerde er geen Staatssecretaris van Financiën. Het kabinet Balkenende III was demissionair en Minister van Financiën Gerrit Zalm had ook de belastingen in zijn portefeuille.
Simons merkt het volgende op: ‘Wat betekent die buitenstelling nu voor de aftrek van voorbelasting? Moet deze op dezelfde wijze als een vrijstelling worden behandeld of anderszins? Het probleem van de vooraftrek bij een buitenstelling doet zich eveneens voor bij andere Europese jurisprudentie, nl. met betrekking tot subsidies en holdings. Het betreft respectievelijk de zaken Mohr (HvJ EG 29 februari 1996, nr. C-215/94, BNB 1997/32) en Landboden Agrardiensten (C-384/95, V-N 1998/5.19) en de zaken Polysar (20 juni 1991, nr. C-60/90), Satam/Sofitam (22 juni 1993, nr. C-333/91), Wellcome Trust (20 juni 1996, nr. C-155/94), Régie Dauphinoise (HvJ EG 11 juli 1996, nr. C-306/94, BNB 1997/38), en Harnas en Helm (HvJ EG 6 februari 1997, nr. C-80/95, BNB 1997/386, noot Van Hilten), en HR 15 maart 1995, nr. 30 193, BNB 1996/243 noot Finkensieper). Het gaat bij de subsidie- en holdingproblematiek niet zozeer over leveringen van goederen en (het verbruik van) diensten, maar meer over de financiering van ondernemingen en hun prestaties die inderdaad – ik zou zeggen uit de aard van de zaak van een verbruiksbelasting – buiten de btw moeten worden gehouden. En daarmee mag die problematiek ook de aftrek van voorbelasting binnen die onderneming niet beïnvloeden en mag het bij een eventuele berekening van een gedeeltelijke aftrek (pro rata) geen gewicht in de schaal leggen. In het onderhavige geval van softdrugs ligt die buitenstelling evenwel anders omdat het de levering van goederen betreft, die normaliter in de btw wordt betrokken. Daarom gaat het mij te ver om zonder meer de softdrugsproblematiek op een lijn te stellen met die van de subsidies en holdings. Het Hof Amsterdam redeneert met betrekking tot de aftrek van voorbelasting bij de coffeeshophouder aan de hand van de lijnen van de Europese wetgeving. Uit het buiten de btw vallen, leidt het hof af dat in zoverre geen economische activiteiten worden verricht en belanghebbende dus in zoverre geen ondernemer is. Aftrek is derhalve alleen toegestaan voorzover toe te rekenen aan andere activiteiten dan die met betrekking tot softdrugs; dus een splitsing van de vooraftrek. De beperking in art. 17, lid 2, Zesde richtlijn dat aftrek alleen van toepassing is bij gebruik voor belaste handelingen zal wel aan die beslissing hebben bijgedragen. Het resultaat dat het hof bereikt acht ik bevredigend; het gaat hier om een uitzonderlijk en niet geregeld geval en dat een levering van goederen buiten de btw wordt gehouden en ik zou dat met een vrijstelling op één lijn willen stellen. De Hoge Raad houdt echter zozeer vast aan zijn vaste regel, namelijk “dat de contribuabele mag vertrouwen op een in vergelijking met de richtlijn voor hem gunstige bepaling van de nationale wet”, dat een qua resultaat bevredigende uitspraak van het hof wordt gecasseerd. De coffeeshophouder mag alle voorbelasting in aftrek brengen omdat die goederen in het kader van zijn onderneming zijn gebezigd. Die vaste regel van de Hoge Raad is ontwikkeld in HR 20 februari 1985, nr. 22 618, BNB 1985/128 noot Ploeger en in HR 17 februari 1988, nr. 24 275, BNB 1988/147 noot Reugebrink en is thans toegepast in het onderhavige geval, al is dat niet uitdrukkelijk aangegeven. We hebben hier wederom een geval dat het vertrouwensbeginsel, een rechtsbeginsel, ook in een situatie van “contra legem” toegepast wordt. Alleen is hier “legem” de richtlijn en is het vertrouwen opgewekt door de nationale wet. Door dit leerstuk zijn de gevolgen voor de vooraftrek bij strikt verboden goederen toch weer gelijk aan die bij subsidies en holdings. Alle drie staan volledige aftrek niet in de weg, c.q. gedeeltelijke aftrek, indien een vrijstelling ter sprake komt.’
Een voorbeeld van een voorziene wijziging in de mogelijkheden tot aftrek wordt beschreven in onderstaande passage in de MvT bij het Belastingplan 2007. 1
Vermeldenswaard is in dit geval nog wel dat met de nieuwe, meer richtlijnconforme opzet van artikel 15, eerste lid, van de Wet OB – gericht op de uitbreiding van het recht op aftrek van voorbelasting wat betreft goederen/ diensten bestemd voor bijzondere doeleinden – tevens wordt bereikt dat het niet langer mogelijk is om de voorbelasting af te trekken ter zake van handelingen die weliswaar ‘in het kader van de onderneming’ (de huidige formulering van artikel 15, eerste lid) worden verricht, maar die buiten het toepassingsbereik van de BTW plaatsvinden en dus geen recht op vooraftrek zouden mogen geven. Gedoeld wordt hier op het arrest van het Hof van Justitie van 5 juli 1988 in zaak C-289/86 (Happy Family) waaruit naar voren komt dat de Zesde Richtlijn geen aftrek van voorbelasting toestaat die verband houdt met de illegale levering van verdovende middelen (ter zake waarvan namelijk geen omzetbelastingschuld ontstaat).
Toen ik dit in oktober 2006 las, plaatste ik onmiddellijk een vraagteken bij de juistheid ervan. Het genoemde Happy Family-arrest ging immers niet over de aftrek van voorbelasting maar over de vraag of de levering van verdovende middelen binnen de werkingssfeer van de btw valt. Daarom vermoedde ik dat met de verwijzing naar het Happy Family-arrest sprake was van een ‘slip of the pen’ van de minister.2 Bedoeld was, denk ik, te verwijzen naar het ‘coffeeshop-arrest’ HR 28 januari 1998, nr. 33 077, BNB 1998/116 (noot A.L.C. Simons). In dit arrest was beslist dat een coffeeshophouder die behalve koffie, frisdranken en dergelijke, ook softdrugs verkocht toch recht had op volledige aftrek van voorbelasting. Dit ondanks het feit dat de levering van verdovende middelen volgens het Hof van Justitie EU volledig buiten het toepassingsbereik van de btw valt zodat ter zake van de levering geen verschuldigdheid van btw kan ontstaan. Ik denk dat de minister in de MvT beoogde te zeggen dat deze coffeeshophouder geen volledig recht op aftrek van voorbelasting meer zou hebben onder de nieuwe tekst van art. 15, lid 1, wet.
Dat de staatssecretaris niet gelukkig was met het coffeeshop-arrest was al duidelijk gebleken uit de brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 7 mei 1998, nr. VB 98/914, V-N 1998/25.20, waarin vragen van het Kamerlid Van der Vlies (SGP) worden beantwoord. In deze brief eindigt de staatssecretaris zijn overwegend fiscaal-technische betoog met de opmerking dat hij ‘(...) de mogelijkheid zal bezien om de Wet op de omzetbelasting 1968 zodanig aan te passen dat aftrek van voorbelasting niet meer mogelijk is in situaties als de onderhavige.’
Blijkbaar leidde de door de staatssecretaris aangekondigde studie naar de mogelijkheid om de wetgeving zodanig aan te passen dat aftrek van voorbelasting niet meer mogelijk is in situaties zoals aan de orde in het coffeeshop-arrest, tot de uitkomst dat aanpassing van de wetgeving moeilijk of niet gewenst was. Het bleef immers lang stil aan het wetgevingsfront. Pas vele jaren later zou de wet aangepast worden naar aanleiding van het Charles/Charles-Tijmens-arrest. Deze wetswijziging zou, volgens de minister, mede als gevolg hebben dat de coffeeshophouder niet meer alle voorbelasting zou kunnen aftrekken. Ook de redacteuren van de Vakstudie OB huldigen deze opvatting, getuige hun opmerking in onderdeel 6.7 bij art. 15, lid 1:
In zijn arrest van 28 januari 1998, nr. 33 077 oordeelde de Hoge Raad dat de coffeeshophouder die – behalve softdrugs- koffie, frisdranken en dergelijke verkocht, recht op volledige aftrek van voorbelasting had, nu de coffeeshophouder alle goederen en diensten waarop belasting drukte, in het kader van zijn onderneming gebruikte, ook voorzover deze betrekking hadden op de verkoop van verdovende middelen. Als gevolg van de wetswijziging per 1 januari 2007, zal deze jurisprudentie achterhaald worden. Vanaf die datum wordt het recht op aftrek immers niet meer gekoppeld aan het vereiste dat de prestaties ‘in het kader van de onderneming’ plaatsvinden, maar aan het vereiste dat de prestaties voor belaste handelingen worden gebruikt. Daarvan is geen sprake bij de levering van verdovende middelen.
In mijn onderzoek wil ik de vraag beantwoorden of inderdaad de coffeeshop-houder onder het nieuwe art. 15, lid 1, wet niet meer alle voorbelasting kan aftrekken. De problematiek van de aftrek van voorbelasting door de coffeeshop-houder is slechts een voorbeeld van een veel bredere vraagstelling, namelijk of en zo ja in welke mate de voorbelasting aftrekbaar is die drukt op aan de ondernemer geleverde goederen en verrichte diensten die niet gebruikt worden voor belaste handelingen, zoals handelingen die buiten de werkingssfeer van de btw vallen. Hieronder versta ik dan alle handelingen die op zichzelf beschouwd niet leiden tot belastingplicht in de zin van de btw en die, wanneer verricht in het kader van een onderneming door een belastingplichtige, geen aanleiding geven tot belastingheffing. Als een persoon of lichaam uitsluitend niet-economische activiteiten verricht zal nooit sprake kunnen zijn van belastingplicht en zal ook niet aan aftrek van voorbelasting worden toegekomen. Anders wordt het als een natuurlijk persoon of lichaam economische activiteiten verricht, uit dien hoofde belastingplichtige (ondernemer) is, maar ook handelingen verricht die niet tot belastingheffing leiden, die buiten de werkingssfeer van de btw vallen.
In zijn noot onder het coffeeshop-arrest gebruikt Simons het woord ‘buitenstelling’3 en legt hij een verband tussen enerzijds de aftrek van voorbelasting bij buiten de werkingssfeer van de btw vallende verboden leveringen en diensten en anderzijds de aftrek van voorbelasting bij buiten de btw-heffing blijvende subsidies en kapitaalstortingen. Toch gaat het naar de mening van Simons te ver om zonder meer de softdrugsproblematiek op een lijn te stellen met die van de subsidies en holdings. Hij ziet een verschil tussen de voorbelasting die ziet op uitgaande handelingen (leveringen en diensten) die buiten de btw-heffing blijven en de voorbelasting die ziet op handelingen die samenhangen met de financiering van ondernemingen. Ik kom hierop nog terug in onderdeel 4.4.8.