Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/3.3.2.1
3.3.2.1 Op grond van art. 2:109/219 BW
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649705:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Terstegge 2017.
Oosterhoff 2017, p. 230.
Terstegge 2017, p. 233.
Terstegge 2017, p. 233.
Vgl. Assink/Slagter 2013, § 44; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 40.
HR 11 februari 1932, ECLI:NL:HR:1932:225, NJ 1932, 999(Patentgeneesmiddelen) en Hof Leeuwarden 10 november 1943, NJ 1944/45, 301 (Gouverne/Bouwmaatschappij Helpman).
Zie ook punt 2 van mijn noot onder Rb. Noord-Nederland zp. Leeuwarden (vzr.) 28 juni 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2477, JOR 2018/240, m.nt. Breukink (Woestduin/Cranberry Terschelling c.s.).
Kennelijk anders: GS Rechtspersonen/Schwarz 2019, art. 109 aant. 2 en art. 219 aant. 2, met verwijzing naar Rb. ’s-Hertogenbosch 9 januari 1925, ECLI:NL:RBSHE:1925:15, NJ 1925, 886(Cuprum/Witlox).
Koelemeijer 1999, p. 84.
Vgl. Garcia Nelen 2020, p. 295.
In navolging van Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 153 zie ik geen reden om aan te nemen dat naar huidig recht niet ook bij een NV zou moeten gelden dat het bestuur gehouden is de instructies van de algemene vergadering op te volgen, mits de statuten dit bepalen en er geen strijd is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.
Ik ben mij ervan bewust dat ex art. 2:129 lid 4/239 lid 4 BW de aanwijzingsbevoegdheid slechts aan een orgaan gegeven kan worden, terwijl art. 2:109/219 BW het ook mogelijk maakt om aan een ander, niet zijnde een orgaan, het recht toe te kennen het bestuur te instrueren om tot bijeenroeping over te gaan. In dat geval moet de laatste zin van art. 2:239 lid 4 BW mijns inziens naar analogie worden toegepast.
Art. 2:109/219 BW bepaalt dat de bevoegdheid tot het bijeenroepen van een algemene vergadering bij de statuten ook aan anderen dan het bestuur en de rvc kan worden verleend. Als de statuten aan een of meer anderen de bijeenroepingsbevoegdheid toekennen, hebben deze anderen daarmee ook het agenderingsrecht. Een ‘ander’ kan zijn een orgaan als bedoeld in art. 2:78a/189a BW, maar ook bijvoorbeeld een individuele aandeelhouder, bestuurder, commissaris, een derde of de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders in geval van een one tier board.1 Ook aan de houder van een economisch belang (waarover hierna par. 3.3.4.10) kan via art. 2:109/219 BW in de statuten het bijeenroepingsrecht worden toegekend.2
Terstegge schrijft dat het woordje ‘anderen’ in art. 2:109/219 BW gelezen moet worden als “zij die ingevolge de wet en de statuten gerechtigd zijn de algemene vergadering bij te wonen en daarin het woord te voeren”.3 Enkel aan degenen die reeds vergaderrecht hebben, zou volgens Terstegge in de statuten dus het bijeenroepingsrecht kunnen worden toegekend. Want zonder het recht om de bijeengeroepen algemene vergadering bij te mogen wonen en daarin (ten minste) het woord te mogen voeren, lijkt hem het bezit van een statutair bijeenroepingsrecht zinloos.4 Terstegge gaat er hierbij vanuit dat uit een statutair bijeenroepingsrecht geen vergaderrecht voortvloeit.5 Ik benader de kwestie anders. Het bijeenroepingsrecht impliceert het recht de agenda (mede) vast te stellen, hetgeen op haar beurt vergaderrecht voor de betreffende vergadering impliceert.6 Naar mijn mening kan op grond van art. 2:109/219 BW het bijeenroepingsrecht dan ook aan eenieder worden toegekend. Is aan iemand het bijeenroepingsrecht toegekend dan heeft diegene vergaderrecht voor de vergadering die hij bijeenroept. De relatie tussen degene die bijeenroept en de vennootschap wordt beheerst door art. 2:8 BW, nu deze persoon vanwege zijn statutaire bijeenroepingsrecht bij de (organisatie van) de vennootschap is betrokken.
Anders dan het wettelijke bijeenroepingsrecht van het bestuur en de rvc kan het statutair aan anderen toegekende bijeenroepingsrecht aan voorwaarden worden gebonden.7 Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om in de statuten een individuele aandeelhouder de bijeenroepingsbevoegdheid te geven onder de voorwaarde dat de rvc of een ander orgaan de bijeenroeping moet goedkeuren. In het verlengde hiervan geldt dan dat deze individuele aandeelhouder ten aanzien van een door het bestuur en/of de rvc bijeengeroepen algemene vergadering slechts onder dezelfde voorwaarde het agenderingsrecht heeft. Hij kan immers alleen dan zelfstandig een andere algemene vergadering met de door hem gewenste agenda bijeenroepen als aan de statutaire voorwaarde van goedkeuring is voldaan.
De letterlijke tekst van art. 2:109/219 BW luidt:
“Het bestuur en de raad van commissarissen zijn bevoegd tot het bijeenroepen van een algemene vergadering; bij de statuten kan deze [onderstreping EB] bevoegdheid ook aan anderen worden verleend.”
Uit de wettekst blijkt dat het de bevoegdheid tot het bijeenroepen van een algemene vergadering is die ook aan anderen kan worden verleend. Dat is immers ‘deze bevoegdheid’. Maar staat de wet hiermee ook toe dat in de statuten niet de bijeenroepingsbevoegdheid (inclusief het agenderingsrecht) aan een ander wordt toegekend, maar slechts het agenderingsrecht (zonder de bijeenroepingsbevoegdheid)? Uitgaande van de idee dat het meerdere het mindere omvat zou ik menen van wel. Op grond van art. 2:109/219 BW kan naar mijn mening in de statuten het agenderingsrecht (ongeclausuleerd) aan eenieder worden verleend.8 Wat niet mogelijk is, is om in de statuten aan iemand slechts de bijeenroepingsbevoegdheid (dus zonder het agenderingsrecht) toe te kennen. In theorie zou dit immers kunnen leiden tot de bijeenroeping van algemene vergaderingen zonder agenda.9
Een aandeelhouder die de voor een statutenwijziging benodigde hoeveelheid stemrechten heeft, kan dus (een initiatiefrecht van het bestuur daargelaten, waarover par. 6.3.1.3.a) via art. 2:110/220 of art. 2:114a/224a BW een statutenwijziging initiëren en daarbij zichzelf bijeenroepings- (en/of agenderings)bevoegd maken.10 Omdat hij dan de agenda van door hem bijeengeroepen algemene vergaderingen bepaalt, beslist hij ook of over een onderwerp gestemd wordt of niet. Over onderwerpen die niet tot de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering behoren, kan evenwel alsnog geen besluit worden genomen.11 Een stemming over een dergelijk onderwerp levert een beslissing op.
In par. 3.3.2.1 schreef ik reeds dat degene die op grond van de statuten een bijeenroepingsrecht heeft, met inachtneming van de statutaire bepaling en art. 2:8 BW, punten kan toevoegen aan de agenda van een door het bestuur of de rvc bijeengeroepen algemene vergadering.
Ik merk hier nog op dat art. 2:109/219 BW het ook mogelijk maakt om in de statuten te bepalen dat het bestuur op verzoek van een ander (bijvoorbeeld een of meer aandeelhouders) de algemene vergadering moet bijeenroepen. Het bijeenroepingsrecht wordt in dat geval niet direct aan een ander toegekend, maar de ander krijgt het recht om het bestuur buiten de procedure van art. 2:110 en 2:111/220 en 221 BW om te verzoeken om tot bijeenroeping over te gaan. Uit HR 11 februari 1932, NJ 1932, p. 999 en Hof Leeuwarden 10 november 1943, NJ 1944/301(Gouverne/Bouwmaatschappij Helpman) volgt dat art. 43b WvK 1928 (de voorloper van art. 2:109/219 BW) deze ruimte laat. Een dergelijk statutair recht creëert voor de ander in feite de bevoegdheid om aan het bestuur een aanwijzing in de zin van art. 2:129 lid 4/2:239 lid 4 BW te geven.12 Om die reden zou ik willen aannemen dat het bestuur de aanwijzing om tot bijeenroeping over te gaan mag toetsen aan het vennootschappelijk belang.13 Zie in dit verband ook de volgende paragraaf, waarin ik de vraag behandel of art. 2:239 lid 4/129 lid 4 BW als grondslag voor een statutaire agenderingsbevoegdheid kan dienen.