Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/1.2.1
1.2.1 Internationaal en nationaal recht
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394811:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, PbEG 1972, L 103/1.
Richtlijn 2005/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 houdende wijziging van de Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, MEG 2005, L 149/14.
Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (gecodificeerde versie), MEG 2009, L 263/11.
Een voorbeeld van een dergelijk arrest is het Candolin-arrest, waarover uitvoeriger in par. 5.2.8.1. Zie ook mijn bijdrage in de Wansink-bundel, p. 35 e.v., meer in het bijzonder p. 43 en 44.
En of dat op langere termijn wel het geval zal zijn is ook de vraag, alle goede voornemens om de regeldruk te verminderen ten spijt.
Zie voor het karakter van EU-richtlijnen en hun rechtstreekse werking par. 3.4.4.
In paragraaf 1.1 is al het beeld opgeroepen van een bos waarin men de bomen niet meer onderscheidt. De vraag is waardoor deze complexiteit wordt veroorzaakt. Een aantal redenen valt daarvoor aan te wijzen.
In de eerste plaats kan worden gewezen op de verwevenheid van nationaal en internationaal recht. Daarbij is in de loop der tijd de internationaalrechtelijke component steeds belangrijker geworden. Illustratief in dit verband is de groei van de onderwerpen rond de verplichte WA-motorrijtuigverzekering die door het EUrecht worden beheerst of in elk geval beïnvloed. Van een relatief eenvoudige Eerste Richtlijn motorrijtuigverzekering in 1972 (hierna le Richtlijn)1, die (slechts) verzekeringsdekking in de gehele (toen nog uit zes lidstaten bestaande) EG voorschreef en de controle op de groene kaart afschafte, zijn wij inmiddels toegegroeid naar de Vijfde Richtlijn motorrijtuigverzekering (5e Richtlijn)2 en een gecodificeerde versie waarin al deze richtlijnen zijn samengevoegd.3 Wanneer ik hierna van 'de Richtlijn' spreek, bedoel ik deze gecodificeerde versie. De EU houdt zich inmiddels niet alleen uitvoerig met de inhoud van de dekking bezig, maar ook met de organisatie van de schaderegeling; zij verplicht verzekeraars tot het verstrekken van 'verklaringen omtrent het schadeverleden' en zij schrijft voor dat er nationale centrale instanties moeten worden ingesteld of aangewezen die processen-verbaal van politie aan belanghebbenden verstrekken. De oplossingen die de EU daarbij kiest, blinken niet altijd uit door hun eenvoud. Niet alleen heeft de EU ervoor gekozen om ter bescherming van het 'bezoekende' slachtoffer, naast het al bestaande groenekaartstelsel, een nieuwe structuur in het leven te roepen met schaderegelaars en schadevergoedingsorganen, zij houdt ook niet altijd het door haarzelf in het leven geroepen onderscheid tussen deze structuren in het oog. Het gevolg is dat op sommige gebieden de verantwoordelijkheden van de verschillende instanties dooreen lopen.
Naast de richtlijnen van de EU bestaan er ook nog verordeningen die relevant zijn voor de regeling van internationale verkeersongevallen, zoals de Verordeningen Brussel I (dat onder meer jurisdictievraagstukken regelt) en Rome II (dat het toepasselijk recht op niet contractuele verbintenissen tot onderwerp heeft).
Naast wetgeving speelt de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU een belangrijke rol. Het hof lijkt zich bij tijd en wijle in het kader van de motorrijtuig-verzekeringsrichtlijnen, ook wel aangeduid als 'Wam-richtlijnen' omdat zij doorwerken in de (Nederlandse) Wam, ook op het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsterrein te begeven, hetgeen het vormen van een juist beeld van het EU-recht niet vereenvoudigt.4
Het ligt alles bijeen genomen niet voor de hand om te veronderstellen dat de bemoeienis van de EU met de verplichte motorrijtuigverzekering op korte termijn zal afnemen.5
Naast dit internationale recht speelt ook nationaal recht zoals al eerder opgemerkt een wezenlijke rol. Richtlijnen richten zich tot de lidstaten en burgers kunnen er (in het algemeen) geen rechtstreeks beroep op doen 6 Omzetting in nationaal recht is noodzakelijk. De richtlijn is, zoals hiervoor (par. 1.1) reeds opgemerkt, bovendien een minimumrichtlijn en nationale wetgevers mogen verder gaan in het belang van de bescherming van verzekerden en benadeelden. Dat brengt grote nationale verschillen mee in de bescherming van slachtoffers, hetgeen de behandeling van schadegevallen in het internationale wegverkeer compliceert.
Voor zover een onderwerp dat in nationale wetgeving is geregeld of zou moeten zijn geregeld ook wordt beheerst door de EU-richtlijnen, dient de uitleg van de nationale wet bovendien 'richtlijn-conform' te geschieden. Dat maakt kennisneming van het EU-recht ook bij de uitleg van nationaal recht noodzakelijk.
Sommige onderwerpen die in nationale wet- en regelgeving op het terrein van de verplichte Wam-verzekering worden geregeld, vinden hun oorsprong niet in de wetgeving van de EU. Dit alles maakt het raadplegen van verschillende bronnen noodzakelijk