Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/9.2.4
9.2.4 Verschil in subjectief geldingsbereik
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS373832:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl, EHRM 6 mei 1981 (Buchholz), ECHR, Series A, vol. 42, NJ 1987, 827 (Van Dijk), par. 51: 'The Court points out that the Convention places a duty on the Contracting States to organise their le-gal systems so as to allow the courts to comply with the requirements of Aaide 6 par. 1, including that of trial within a 'reasonable time': Meer recent in gelijke zin: EHRM 6 april 2000 (Comeringsoll), NJ 2000, 612.
In beginsel, want voorwaarde daarbij is wel dat eiser in hoger beroep of cassatie voldoende belang heeft bij een dergelijke vernietiging. Wordt geklaagd over een overschrijding van de redelijke termijn in eerdere instantie(s), dan ontbreekt een dergelijk belang. Vgl. HR 29 juni 1990 (Trakzel/Gem. Amsterdam), NJ 1991, 337 (EAA).
Zie supra, par. 73.8.
Zie i.h.b. EHRM 25 juni 1987 (Capuano), ECHR, Series A, vol. 119, NJ 1990, 231 (EAA). Hierover Van der Helm & Wesseling- van Gent 1996; Smits 1996, p. 231-235; Smits 1995; Bosch-Boesjes 1991 en Brenninkmeijer 1991.
Zie bijv. EHRM 23 november 1993 (Scopellib), ECHR, Series A vol. 278. Zie ook De Waard 1987, p. 236.
Vgl. Van der Wiel 2004, nrs. 76, 77 en hfst. 5, i.h.b. de nrs. 295, 300 en 361.
In gelijke zin Van Dijk 1983, p. 37. Zie over het begrip 'horizontale werking' (Drittwirkung) Van Dijk & Van Hoof 1998, p. 22-26; Alkema 1995, p. 22 e.v. en Verhey 1992, i.h.b. p. 135 e.v. Toegespitst op het EVRM: Verhey 1990. Toegespitst op het 'redelijke-termijnvereiste' van art. 6 EVRM: Van der Wiel 2004, nr. 64 e.v. en Verhey 1992, p.127/128.
HR 29 juni 1990 (Trakzel/Gem. Amsterdam), NJ 1991, 337 (EAA).
Inzet van het geding in cassatie was de klacht van Trakzel dat de rechtbank zou hebben miskend dat zowel de behandeling van de zaak door de Gemeente Amsterdam - het ging om een bijstandsverhaal - vóór het aanhangig maken van het geding, als de procedure zelf bij de kantonrechter langer heeft geduurd dan in het licht van art. 6 EVRM is geoorloofd. In feitelijke instanties had Trakzel op die gronden niet-ontvankelijkverklaring van de Gemeente gevorderd.
In gelijke zin Van der Wiel 2004, nr. 67.
HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 (Ma).
En niet, zo voegde de Hoge Raad daar aan toe, op de werkwijze van de door de Ondernemingskamer overeenkomstig art. 2:345 BW benoemde personen.
Zo ook Rutgers in zijn annotatie sub 10 bij HR 20 september 1996 (Hakion II), NJ 1997, 328.
Vgl. de opmerking van regeringszijde ter toelichting op art. 223 lid 5 (oud, thans art. 198 lid 2) Rv, dat aan de deskundigen 'de nodige vrijheid en zelfstandigheid [dient] te worden gelaten om het onderzoek, waarvoor zij immers verantwoordelijk zijn, op de hun best voorkomende wijze te verrichten.' (PG Nieuw Bewijsrecht, p.344 (nadere MvA)).
Vgl. de annotatie van Rutgers sub 5 bij HR 20 september 1996 (Hakion II), NJ 1997, 328.
Aldus bijv. HR 21 februari 1997, NJ 1998, 4 (HJS).
HR 20 september 1996, NJ 1997, 328 (Rutgers).
Vgl. hierover de overwegingen sub 2.20-2.23 van de conclusie van A-G Asser voor het arrest.
Zie diens annotatie van het arrest, sub 7.
513. Art. 6 EVRM schept 'slechts' waarborgen tegenover de verdragsluitende staat. Het artikel draagt, zoals gezegd, de staat op zijn rechtspleging zo te organiseren en in te richten, dat de rechten die in het artikel liggen besloten, worden gerealiseerd.1 Daaruit volgt dat art. 6 EVRM enkel verplichtingen oplegt aan de verdragsstaat, meer in het bijzonder aan de rechter, die als het staatsorgaan waaraan de rechtspraak is opgedragen het recht van een ieder op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn moet waarborgen. De rechter dient schending van de in art. 6 EVRM besloten rechten te voorkomen, hetgeen in ieder geval inhoudt dat hij zich in zaken die binnen het toepassingsgebied van dit artikel vallen, onthoudt van gedragingen die op die rechten inbreuk maken. Staat de toelaatbaarheid van een proceshandeling van een der partijen aan de rechter ter beoordeling, dan mag zijn beslissing dienaangaande niet een schending van art. 6 EVRM opleveren. Acht de rechter in hoger beroep of cassatie de klacht gegrond, dat de bestreden uitspraak van de lagere rechter in strijd is met art. 6 EVRM of met schending van de daarin besloten rechten tot stand is gekomen, dan dient hij die uitspraak in beginsel2 te vernietigen.
Uit het voorgaande volgt dat art. 6 EVRM niet rechtstreeks verplichtingen oplegt aan procespartijen. Het artikel behelst geen gedragsnorm die zich tot procespartijen richt. Hierin verschilt het geldingsbereik van art. 6 EVRM van het geldingsbereik van de eisen van een goede procesorde. Hiervoor werd immers op basis van de onderzochte rechtspraak geconcludeerd dat de eisen van een goede procesorde bij de uitoefening van iedere processuele bevoegdheid in acht moeten worden genomen, of het nu gaat om een bevoegdheid van de rechter of een bevoegdheid van partijen.3 Een verzuim van procespartijen daarin kan ertoe leiden dat het beoogde rechtsgevolg aan de proceshandeling wordt onthouden. De eisen van een goede procesorde kunnen derhalve als gedragsnormen voor partijen verplichtingen verbinden aan de uitoefening van processuele bevoegdheden.
Indirect heeft echter ook art. 6 EVRM wel degelijk betekenis voor de wijze waarop partijen hun processuele bevoegdheden kunnen uitoefenen. Naar vaste jurisprudentie van het EHRM heeft de burgerlijke rechter een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de voortgang van de procedure, naast de verantwoordelijkheid van partijen daarvoor. Het uitgangspunt van de partijautonomie, dat in veel verdragsstaten aan het procesrechtelijk stelsel ten grondslag ligt, ontslaat de rechter niet van de verplichting erop toe te zien dat de zaak binnen een redelijke termijn wordt behandeld. 4 Deze verplichting brengt mee dat de rechter eisen moet kunnen stellen en zal stellen aan het procesgedrag van partijen.5 Evenzo zal de rechter, met het oog op het in art. 6 EVRM besloten liggende recht op hoor en wederhoor, niet kunnen toestaan dat een partij ter onderbouwing van haar stellingen een stuk ter uitsluitende kennisname van de rechter in het geding brengt.6 Indirect kunnen derhalve, via de verplichting voor de rechter om de in art. 6 EVRM besloten rechten te waarborgen, ook uit art. 6 EVRM verplichtingen (in de vorm van lasten) voortvloeien voor procespartijen.
Uit het voorgaande volgt dat niet is uitgesloten dat een partij zich met succes tegenover de rechter kan beroepen op art. 6 EVRM ten einde te beletten dat haar wederpartij wordt toegestaan een bepaalde proceshandeling te verrichten of dat aan een reeds verrichte proceshandeling het beoogde rechtsgevolg wordt toegekend. Zou de rechter art. 6 EVRM schenden door die proceshandeling toe te staan of door daaraan het beoogde rechtsgevolg toe te kennen, dan dient hij dat beroep te honoreren.
In de literatuur is de vraag aan de orde gesteld of art. 6 EVRM ook horizontale werking heeft, in die zin dat het artikel doorwerkt, direct of indirect, in de rechtsverhouding tussen partijen. Het antwoord op deze vraag is in zoverre van belang, dat een bevestigend antwoord zou meebrengen dat partijen naleving van de uit art. 6 EVRM voor hen voortvloeiende plichten via de rechter zouden kunnen afdwingen (met een veroordeling om te doen of na te laten, gekoppeld aan een dwangsom) en dat schending van die verplichtingen door een partij dan grond kan opleveren voor een vordering tot schadevergoeding uit hoofde van een onrechtmatige daad.7 Veel praktische waarde lijkt dit echter niet te hebben, nu het veelal effectiever zal zijn om de rechter aan te sporen maatregelen te treffen om schending van art. 6 EVRM te voorkomen. De rechter heeft daartoe (inmiddels) ook voldoende middelen, zie bijvoorbeeld de art. 20 lid 1 en 22 Rv. Van het voeren van afzonderlijke procedures over de wijze van procederen wordt niemand gelukkiger, zeldzame 'hobbyprocessualisten' uitgezonderd.
Wat daarvan ook zij, de hiervoor genoemde 'normatieve effecten' van art. 6 EVRM op het procesgedrag van partijen, lijken te mager om te kunnen spreken van een horizontale werking van het artikel.8 De verplichtingen die indirect uit art. 6 EVRM voor partijen voortvloeien, worden aan partijen opgelegd in hun verhouding tot de rechter. De rechter mag van partijen verlangen dat zij hem in staat stellen tot handhaving van de in art. 6 EVRM besloten rechten. Niet gezegd kan worden dat partijen ook tegenover elkaar gehouden zijn art. 6 EVRM in acht te nemen. Dat procesgedrag dat leidt tot een onredelijke vertraging van het geding grond kan zijn om de 'misdragende' partij te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van de wederpartij, noopt niet tot een andere opvatting, nu aanvaarding van de horizontale werking van art. 6 EVRM daarvoor geen voorwaarde is.
In dit verband zij gewezen op de beschikking Trakzel/Gem. Amsterdam9, waarin de Hoge Raad overwoog dat de verplichting die art. 6 EVRM oplegt aan de verdragsstaten, wel geldt tegenover elk van degenen van wie de burgerlijke rechten en verplichtingen inzet zijn van een burgerlijk geding, maar dat het artikel hun onderlinge rechtsverhouding 'onberoerd' laat. 'Op de vraag hoe hun rechtsstrijd moet worden beslist, heeft de bepaling dan ook geen invloed', aldus de Hoge Raad. In zijn annotatie bij dit arrest spreekt Alkema de vrees uit dat de rechter aldus vrijwel machteloos komt te staan tegenover processuele vertragingstactieken. Uit de context van de zaak10 kan mijns inziens echter worden opgemaakt dat de Hoge Raad niet heeft bedoeld aan de rechter elke mogelijkheid te ontnemen om vertragingstactieken af te straffen, indien die afstraffing de beslissing van de rechtsstrijd kan beïnvloeden, doch slechts heeft willen uitspreken dat schendingen van art. 6 EVRM geen grond opleveren voor (gedeeltelijke) toe- of afwijzing van de vordering die onderwerp van de procedure 115.11 Daarmee is niet gezegd dat de handhaving van art. 6 EVRM, in het bijzonder de eis van berechting binnen een redelijke termijn, indirect, door normering van de gang van zaken in de procedure, niet net als andere processuele normen uiteindelijk wel degelijk van invloed kan zijn op de materiële beoordeling van het geschil, bijvoorbeeld omdat een onredelijk laat ingediend verzoek om een nieuw deskundigenonderzoek, dat wellicht nog een ander licht op de zaak had kunnen werpen, wordt gepasseerd.
514. Ten slotte wordt opgemerkt dat art. 6 EVRM geen eisen stelt aan de wijze waarop door de rechter ingeschakelde deskundigen hun onderzoek verrichten, doch wel aan de wijze waarop de rechter van de onderzoeksresultaten bij de beoordeling van het geschil gebruikmaakt. In de Ogem-beschikking12 sprak de Hoge Raad uit dat art. 6 EVRM en de fundamentele beginselen van procesrecht uitsluitend betrekking hebben op de procedure voor de rechter.13
Hetzelfde dient te gelden voor de eisen van een goede procesorde.14 De inhoud van die eisen wordt immers veelal en soms uitsluitend bepaald door een of meer van die fundamentele beginselen. In een dergelijke afbakening van het geldingsbereik van de eisen van een goede procesorde komt bovendien tot uitdrukking dat de door de rechter benoemde deskundigen zich niet met procesvoering bezighouden, dat de kwaliteit van hun onderzoek losstaat van belangen die vanuit procesrechtelijk oogpunt relevant zijn, dat dit onderzoek (derhalve) wordt beheerst door andere normen en waarden dan procesrechtelijke normen en waarden, en dat niet de rechter, noch partijen, maar de deskundigen zelf de verantwoordelijkheid voor dat onderzoek dragen.15
Hieraan doet niet af dat de eisen die de wet stelt aan het door hen verrichte onderzoek, zoals de eis van art. 198 lid 2 Rv dat partijen bij dat onderzoek in de gelegenheid worden gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, zijn ingegeven door eisen van een goede procesorde of, meer specifiek, fundamentele beginselen van procesrecht. Met die eis wordt immers beoogd het hoor en wederhoor waartoe de rechter partijen in de gelegenheid dient te stellen, ook ten aanzien van een door hem in zijn beoordeling betrokken deskundigenbericht, op een doelmatige wijze te waarborgen.16 Wordt deze eis niet aan het onderzoek gesteld, dan zal de rechter immers al snel in de problemen geraken bij de waardering van het daarop gebaseerde deskundigenbericht als bewijsmiddel. Omdat het beginsel van hoor en wederhoor eist dat de rechter zich bij zijn oordeel alleen baseert op die gegevens van feitelijke aard waarvan partijen de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en ten processe ter discussie hebben kunnen stellen17, zal hij partijen in de gelegenheid moeten stellen zich over het rapport uit te laten. Bekritiseren partijen dan de door de deskundige gebruikte gegevens, gehanteerde uitgangspunten of gevolgde onderzoeksmethode, dan zal hij ofwel aanvullende vragen aan de deskundige moeten stellen, ofwel zelf een inschatting moeten maken van de waarde en de houdbaarheid van de bevindingen van de deskundige in het licht van die kritiek. Dergelijke moeilijkheden kunnen in aanzienlijke mate worden voorkomen door de partijen tijdens het onderzoek al in de gelegenheid te stellen opmerkingen tot de deskundige te richten.
In de zaak die voerde tot het arrest Hakion //18, werd in cassatie betoogd dat fundamentele regels van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat deskundigen - binnen de grenzen van het redelijke - gehouden zijn om essentiële wetenschappelijke stellingen die zij aan hun oordelen ten grondslag leggen, te staven door middel van literatuurverwijzingen. De Hoge Raad oordeelde dat dit betoog in zijn algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard. Of deskundigen in hun taak tekortschieten door verwijzingen naar relevante literatuur achterwege te laten, hangt af van de omstandigheden van het geval, aldus de Hoge Raad. In lijn met hetgeen hiervoor werd opgemerkt zou het echter voor de hand hebben gelegen ook hier voorop te stellen dat de fundamentele regels van een behoorlijke rechtspleging geen betrekking hebben op de werkwijze van deskundigen. Vervolgens had de Hoge Raad, in het licht van de duidelijke strekking van het middel, kunnen beoordelen of het hof in strijd met die fundamentele regels handelde, door voor zijn beslissing gebruik te maken van een rapport waarin essentiële wetenschappelijke stellingen niet door literatuurverwijzingen werden gestaafd. Nu dit in het algemeen niet in strijd met dergelijke fundamentele regels is19, komt het aan op de omstandigheden van het geval, in het bijzonder op de vraag of het hof aan dat rapport als bewijsmiddel de waardering kon hechten die het daaraan gaf. Met annotator Rutgers moet echter worden opgemerkt dat die waardering zich, als waardering van feitelijke aard, niet leent voor toetsing in cassatie.20