Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/9.2.2
9.2.2 Rechtstreekse werking
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS379911:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Verhey 1990, p. 22 en Verhey 1992, p.126/127, waar hij er op wijst dat de rechter bij de uitoefening van processuele bevoegdheden ook zelf in een rechtsbetrekking tot partijen staat, en dat de rechter in dat kader bepaalde rechten en plichten heeft te vervullen. Tot die plichten rekent Verhey de inachtneming van de eisen van art. 6 EVRM. De daarin vervatte grondrechten zijn, wat hun onderwerp en formulering betreft, immers in het bijzonder tot de rechter gericht. De rechter is volgens Verhey dan ook rechtstreeks aan die grondrechten gebonden.
Zie o.m. Alkema 1980, p. 197; Van Dijk 1983, p. 35; Smits 1996, p.10/11; Knigge 1998 en Coenraad 2000, p. 51.
Zie Smits 1996, p. 11 en Alkema 1985, p. 30 en 35.
Zie bijv. HR 30 juni 2000 (Sanders/ANWB), NJ 2001, 316 (JBMV); HR 25 februari 2000 (Stienstra/Weijters), NJ 2000, 509 (HJS); HR 4 juni 1997 (Text Lite), NJ 1997, 671 (Ma); HR 28 januari 1994, NJ 1994, 687 (JdB); HR 13 november 1987, NJ 1988, 254 en HR 26 juni 1981 (Van Aken/Savelbergh), NJ 1982, 450 (Ma en EAA) en HR 23 september 1980, NJ 1981, 116.
509. Art. 6 EVRM richt zich, evenals de overige verdragsbepalingen, tot de verdragsluitende staat. Het is aan de staat om de rechtspleging zo in te richten en te organiseren dat de in art. 6 EVRM gewaarborgde rechten worden veilig gesteld. In een civiele procedure is de burgerlijke rechter als staatsorgaan tegenover de procespartijen gehouden die rechten in acht te nemen.1 De wijze waarop hij de zaak behandelt, de wijze waarop hij de aan hem toekomende processuele bevoegdheden uitoefent, mag daarmee niet in strijd komen.
Naar algemene opvatting is art. 6 EVRM een bepaling die naar haar inhoud een ieder kan verbinden, als bedoeld in art. 93 Grondwet, en daarom rechtstreekse werking heeft in onze nationale rechtsorde.2 Ook de arresten waarin het EHRM art. 6 EVRM nader uitlegt, en die zijn te beschouwen als een vorm van authentieke verdragsuitleg, hebben die rechtstreekse werking.3 Dit brengt mee dat private personen zich ten overstaan van de Nederlandse rechter rechtstreeks op art. 6 EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM, kunnen beroepen. Bovendien dienen wettelijke voorschriften van nationale origine, waarvan de toepassing onverenigbaar is met art. 6 EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM, ingevolge art. 94 Grondwet buiten toepassing te blijven. Deze rechtstreekse werking en werking met voorrang op nationale wetgeving worden door de Nederlandse rechter erkend.4