RBP 2025/31
Onmiddellijkheidsbeginsel. Wanneer een zaak wordt verwezen naar een meervoudige kamer voor beslissing over een beroep op het verschoningsrecht, moeten partijen, onder wie de getuige die zich op verschoningsrecht heeft beroepen, de gelegenheid krijgen een mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van die meervoudige kamer.
HR 31-01-2025, ECLI:NL:HR:2025:162
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31 januari 2025
- Magistraten
Mrs. T.H. Tanja-van den Broek, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, K. Teuben
- Zaaknummer
23/03270
- Conclusie
A-G mr. G.R.B. van Peursem
- JCDI
JCDI:BSD9614:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:162, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑01‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:764, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑07‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑08‑2023
- Wetingang
Essentie
Onmiddellijkheidsbeginsel. Verschoningsrecht.
Wanneer een zaak wordt verwezen naar een meervoudige kamer voor beslissing over een beroep op het verschoningsrecht, moeten partijen, onder wie de getuige die zich op het verschoningsrecht heeft beroepen, de gelegenheid krijgen een mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van die meervoudige kamer.
Samenvatting
De hoofdzaak betreft een vordering van de werkneemster jegens de werkgever tot vergoeding van schade die de werkneemster door partiële ontslagname heeft geleden. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. De werkneemster heeft in hoger beroep als grondslag voor haar vordering onder meer aangevoerd dat de bedrijfsarts jegens haar heeft gehandeld in ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.