Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.I.A
A. INLEIDING
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS476161:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Ik heb deze fiscale grenspost, zoals gezegd in onderdeel 5 van de inleiding, bewust beperkt tot de overdrachtsbelasting.
Gebruik van de term ‘overdracht’ is juridisch gezien onjuist, daar de overdrachtsbelasting de verkrijging van onroerende zaken belast (vgl. art 1, lid 1, WBR). Historisch gezien is de term ‘overdracht’ echter verklaarbaar, gezien het feit dat aanvankelijk aangeknoopt werd bij de verkoop van (roerende en) onroerende zaken.
Aldus J.G van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, p. 1.
Zie over de oorsprong van het registratierecht uitgebreid A.D. van Assendelft de Coningh, De aard en ontwikkeling der zegel-, registratie- en successierechten in Frankrijk, Engeland en Nederland, p. 32.
Zie tevens A.D. van Assendelft de Coningh, De aard en ontwikkeling der zegel-, registratie- en successierechten in Frankrijk, Engeland en Nederland, p. 29, waar binnen het registratierecht een onderscheid gemaakt wordt tussen een vast recht als vergoeding voor ‘de moeite der inschrijving in het daartoe bestemde register’ en het evenredig recht dat geheven werd naar de waarde van de zaak die wordt geregistreerd. Het laatste (evenredige) recht is aanzienlijk ouder (zie de aanhef van dit onderdeel) dan het vaste recht (voortgesproten uit het Droit de Controle uit 1581).
De Spanjaard Fernando Alvarez de Toledo (1507-1582), hertog van Alva, werd door de katholieke Filips II naar aanleiding van de Beeldenstorm in 1566 naar de Nederlanden gestuurd om orde op zaken te stellen en de protestanten te vervolgen. Door zijn wrede reputatie kreeg hij de bijnaam ‘de ijzeren hertog’, aldus J.C. van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, p. 3, nt. 5. Zie tevens de inaugurele rede van O.I.M. Ydema voor de Rijksuniversiteit Leiden, Alva’s erfenis: vierhonderd jaar overdrachtsbelasting. Zie tevens D.P. Blok e.a. (red.), Algemene geschiedenis der Nederlanden, deel 6, Haarlem: Fibula-Van Dishoeck 1979, p. 215 e.v.
Wetteksten zijn te vinden in F.H.M. Grapperhaus, Alva en de Tiende Penning, Deventer: Kluwer 1982, p. 317-340. Zie tevens J.T. de Smidt, ‘Vier eeuwen overdrachtsbelasting?’, in: Fiscaliteit in Nederland: 50 jaar Belastingmuseum “Prof. Dr. Van der Poel”, Zutphen: De Walburg Pers 1987, p. 156, alsmede D.P. Blok e.a. (red.), Algemene geschiedenis der Nederlanden, deel 6, p. 219, die naast de twintigste penning spreekt van een eenmalige heffing van de honderdste penning (ofwel 1%) van de waarde van alle roerende en onroerende zaken, een maatregel die eveneens door Alva werd geïntroduceerd in de Nederlanden. Zie over de honderdste penning tevens A.D. van Assendelft de Coningh, De aard en ontwikkeling der zegel-, registratie- en successierechten in Frankrijk, Engeland en Nederland, p. 32. Overigens wijst F.N. Sickenga, Geschiedenis der Nederlandsche belastingen sedert het jaar 1810, eerste deel, p. 1 er op dat Hertog Joris van Saksen bij het Verdrag met de Friezen van 1504 als een landsheerlijk recht een 56e penning op iedere overgang van onroerend goed onder de levenden bedong.
Aldus A-G Wattel in onderdeel 8.6 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:BY0548) bij het arrest HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0548. Zie tevens A.D. van Assendelft de Coningh, De aard en ontwikkeling der zegel-, registratie- en successierechten in Frankrijk, Engeland en Nederland, p. 134.
Aldus J.C. van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, p. 3. Zie tevens J.T. de Smidt, ‘Vier eeuwen overdrachtsbelasting?’, p. 156, alsmede F.N. Sickenga, Geschiedenis der Nederlandsche belastingen sedert het jaar 1810, eerste deel, p. 136, die er op wijst dat op 6 oktober 1575 in de resoluties van de Staten van Holland weer gesproken wordt over invoering van een twintigste penning. Het besluit is echter nimmer wet geworden. Zie over de heerlijke rechten nader grenspost 1, hfdst. I, onderdeel B.1.
Plakkaat van de Staten van Holland, van 22 december 1598. Zie tevens J.T. de Smidt, ‘Vier eeuwen overdrachtsbelasting?’, p. 155, alsmede A.D. van Assendelft de Coningh, De aard en ontwikkeling der zegel-, registratie- en successierechten in Frankrijk, Engeland en Nederland, p. 134.
Niet te verwarren met het recht van de Dertiende Penning, waarover uitgebreid J.S.L.A.W.B. Roes, Het oude zakelijke recht van de Dertiende Penning, Deventer: Kluwer 2000.
Aldus Y.E. Gassler, M.L.M. van Kempen, Cursus Belastingrecht, studenteneditie, Editie 2012-2013, Deventer: Kluwer 2012, p. 17 e.v. Zie tevens S. Bartstra, De wetgeving op de registratie, ‘s-Gravenhage: Gebroeders Belinfante 1869, p. 8.
Een mooie parallel met het huidige art. 14 WBR, te behandelen in onderdeel A.2 van het navolgende hoofdstuk.
Art. 1 van het Plakkaat van 22 december 1598, opgenomen in: J.T. de Smidt, ‘Vier eeuwen overdrachtsbelasting?’, p. 155. Zie tevens Bijlagen bij Kamerstukken II 1863/1864, 47e vel, p. 186.
Aldus A.M. Elias, F. Sonneveldt, ‘De invloed van de Frimairewet op de overdrachtsbelasting en het successierecht in Nederland: een historisch overzicht’, in: MBB 1999/407. Zie tevens A.D. van Assendelft de Coningh, De aard en ontwikkeling der zegel-, registratie- en successierechten in Frankrijk, Engeland en Nederland, p. 135.
De overdrachtsbelasting1 is een belasting op transacties in onroerende zaken en daarmee gelijkgestelde verschijnselen. Het heffen van belasting op de overdracht2 van onroerende zaken geschiedt al vele eeuwen.3 In het oude Egypte werd al bij de verkoop van roerende en onroerende zaken 5% (later 10%) registratierecht geheven. Ook in de Griekse oudheid werd in Athene bij de overdracht van onroerende zaken 1% belasting geheven, waartoe de akten ter registratie werden aangeboden.4 Deze registratie was oorspronkelijk bedoeld ter controle op de handel in onroerende zaken. Later hebben de Romeinen de belastingheffing door middel van registratie overgebracht naar Frankrijk. De Fransen hebben de registratie vervolgens tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) in onze streken geïntroduceerd. Het oogmerk om via registratie controle te kunnen uitoefenen op de handel in onroerende zaken is in de zestiende eeuw al lang niet meer het voornaamste doel van de verplichte registratie. Het fiscale aspect van de registratie, de belastingopbrengsten, komt steeds meer op de voorgrond.5
De overdrachtsbelasting als zodanig kent haar oorsprong in de op 31 juli 1571 door de Spaanse landvoogd AIva6 gepresenteerde ‘twintigste penning’ (een tarief van 5%), geheven ter zake van de overdracht of overgang van in de Nederlanden gelegen onroerend goed.7 Daarmee wilde Alva kennelijk de adel belasten, nu het de adel was die nagenoeg alle grond bezat. De bedoeling was het genereren van opbrengst waarmee het bevoegd gezag een staand landleger kon bekostigen dat de grondeigenaren en pachters tegen plundering door vijandelijke troepen moest beschermen. 8 De pogingen van Alva om de twintigste penning in ons land daadwerkelijk in te voeren strandden echter op verzet van de Staten van Holland en Zeeland.9
Ruim dertig jaar later werd in de Ordonnantie van 159810 voor de provincie Holland vastgelegd dat de koper en de verkoper, ieder voor de helft, bij de verkoop van onroerende zaken verplicht waren de veertigste penning, 11 ofwel 2, 5%, van de koopsom of de waarde daarvan aan de overheid af te dragen.12 Of, in de bewoordingen van destijds:
“Van nu en voortaen zal van de verkoopinge (…) van alle onwerende goederen (…) betaelt worden den 40sten penningh van de koopsom of de waarde, 13 de ene helft te betalen door de kooper de andere door de verkoper.”14
In 1602, kort na de inwerkingtreding van de Ordonnantie, werd het tarief voor de provincie Holland verhoogd naar een dertigste penning (3, 3%). Het Plakkaat van 15 juli 1655 bracht het tarief van de overdrachtsbelasting weer terug naar een veertigste penning.15