Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/1.5:1.5 Behandeling
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/1.5
1.5 Behandeling
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS343142:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De kern van het onderzoek zal worden gevormd door de hoofdstukken 4-hoofdstukken 2 en 3 dienen ter introductie. Hoofdstuk 4 ziet op de afbakening van het begrip ‘verdeling’ mede gelet op de beide volzinnen van het verdelingsbegrip van art. 3:182 BW. Daarna wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op het aan verdeling ten grondslag liggende beginsel. In hoofdstuk 6 zal het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg volgens het wettelijke verdelingsbegrip worden behandeld. De hoofdstukken 7 en 8 hebben betrekking op aspecten van het subject en object in het kader van verdeling. In hoofdstuk 9 komen verschillende lijnen van het onderzoek samen en zal toetsing plaatsvinden van het wettelijke verdelingsbegrip aan de bevindingen uit het onderzoek. Daarnaast zullen aanwijzingen worden gegeven voor herformulering van dit verdelingsbegrip.
In chronologische volgorde weergegeven ziet de hoofdstukindeling van dit onderzoek eruit als volgt.
In hoofdstuk 2 wordt de rechtsfiguur van verdeling geïntroduceerd. De inhoud en reikwijdte van verdeling kunnen pas omvattend worden beschouwd in samenhang met de soort gemeenschap waarop de verdeling betrekking heeft. In het kader van de introductie tot verdeling zal aandacht worden besteed aan relevante historische modellen van mede-eigendom en de wijze waarop deze via scheiding konden worden beëindigd. De behandeling hiervan vormt de opmaat naar een beschouwing over gemeenschap en verdeling in het huidige Burgerlijk Wetboek.
In hoofdstuk 3 wordt de totstandkoming van het verdelingsbegrip in art. 3:182 BW uitgewerkt aan de hand van de parlementaire geschiedenis, wetenschappelijke literatuur en jurisprudentie. In dit hoofdstuk zal met name de afbakening van het wettelijke verdelingsbegrip ten opzichte van andere handelingen aan de orde komen vanuit het oogpunt van de wetgever.
Hoofdstuk 4 staat in het teken van de analyse van de beide volzinnen van het verdelingsbegrip van art. 3:182 BW. De beide volzinnen zijn elkaars antagonisten; hetgeen op grond van de eerste volzin als verdeling wordt aangemerkt, kan door de tweede volzin van die kwalificatie worden uitgesloten. De bedoeling van de analyse is te komen tot de vaststelling van het kader van de rechtshandeling van verdeling volgens deze beide volzinnen. In dat verband zal onder meer onderzoek worden gedaan naar het antwoord op de vraag in hoeverre er sprake kan zijn van een verkrijging krachtens verdeling indien er meerdere titels voorhanden zijn krachtens welke het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg kan worden bereikt.
In hoofdstuk 5 zal een analyse plaatsvinden van het grondbeginsel van verdeling. Met het grondbeginsel van verdeling wordt bedoeld het beginsel waarin de rechtsfiguur van verdeling, naar zijn essentie teruggebracht, kan worden uitgedrukt. Dit beginsel zal in dit onderzoek tevens worden aangeduid als de maatstaf voor verdeling.
In hoofdstuk 6 zal het verkrijgingsbegrip van verdeling worden uitgewerkt. Onder het verkrijgingsbegrip van verdeling versta ik het overeenkomstig de eerste volzin van het wettelijke verdelingsbegrip door een of meer deelgenoten verkrijgen van een of meer goederen van de gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten. Er zal nader worden ingegaan op de vraag naar de inhoud en de uitleg van het begrip ‘verkrijgen’ en worden nagedacht over de reikwijdte van dat begrip met inachtneming van de mogelijkheden van over- en onderbedeling. Vanwege het belang voor de praktijk zal worden afgesloten met enige casusposities.
In hoofdstuk 7 zal nader worden ingegaan op de subjectieve elementen in verband met de totstandkoming van verdeling. Centraal staan de hoedanigheid waarin en de wijze waarop deelgenoten aan de verdeling dienen mee te werken en de subjectieve vrijheid en gebondenheid om al dan niet tot verdeling te contracteren.
In hoofdstuk 8 wordt de vaststelling van het object van zowel de rechtshandeling van verdeling als de levering ter uitvoering van de verdeling behandeld. Ten slotte zal worden ingegaan op de zogenaamde schuldengemeenschap.
In hoofdstuk 9 komen de verschillende deelconclusies over de vereisten voor verdeling samen in een afsluitende beschouwing over de formulering van beide volzinnen van art. 3:182 BW. Ten slotte zullen aanwijzingen worden gegeven voor een alternatieve formulering van het verdelingsbegrip.