Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.8.5:4.8.5 Vervolging van schending van atoomgeheimen
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.8.5
4.8.5 Vervolging van schending van atoomgeheimen
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De andere aanwijzingsbevoegdheid die in het licht van het opportuniteitsbeginsel vragen oproept is neergelegd in artikel 194 lid 1 Euratom-Verdrag.1 Dit artikel bevat een geheimhoudingsverplichting voor allen die op welke manier dan ook toegang hebben tot feiten, inlichtingen, kennis, documenten en voorwerpen die als geheim zijn geclassificeerd in het kader van het Euratom- verdrag. In de praktijk raakt deze geheimhoudingsplicht vooral ambtenaren van Euratom, hetgeen ook weer een regeling vereist voor het opheffen van de immuniteit van deze ambtenaren. Dit is hier echter niet relevant. Naast de geheimhoudingsverplichting richt dit artikel zich ook tot de lidstaten, en wel met een tweevoudige verplichting. De lidstaten zijn verplicht om elke schending van de geheimhoudingsplicht te beschouwen als een inbreuk op de beschermde geheimen van de lidstaat zelf, zowel wat betreft de feiten als wat betreft de rechtsmacht. Op de betekenis van die eerste bepaling zal ik niet verder ingaan, omdat slechts de tweede hier van belang is. Deze luidt: ‘[De lidstaat] vervolgt op verzoek van iedere betrokken lidstaat of van de Commissie, eenieder die zich aan een dergelijke schending heeft schuldig gemaakt en die onder zijn rechtsmacht valt.’
Twee elementen vallen hier op. Het eerste is dat een lidstaat pas betrokken wordt bij de schending van de geheimhoudingsplicht, na een verzoek van een andere betrokken lidstaat of van de Commissie. Dat betekent dat de uitoefening van deze aanwijzingsbevoegdheid volgt op een beslissing om die te gebruiken, terwijl niet blijkt dat de Commissie of een andere lidstaat daartoe verplicht zou zijn. Het verzoek tot vervolging is dus de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid, net als het doen van aangifte van meineed door het Hof van Justitie. Dat de Commissie daartoe bevoegd is, zou aangeduid kunnen worden als een aspect van een communautair handhavingssysteem, dat in dit geval parallel loopt aan de handhaving door de lidstaten.2
Het tweede dat opvalt, is de ongeclausuleerde formulering van de vervolgingsplicht van de aangesproken lidstaat. Het artikel stelt slechts dat de lidstaat ‘vervolgt’, wat redelijkerwijs geen ruimte openlaat om het instellen van strafvervolging achterwege te laten. Daarmee wordt dezelfde formulering gebruikt als in artikel 30 van het Statuut van het Hof van Justitie. In beide gevallen is de terminologie zo expliciet dat een andere interpretatie niet overtuigend zou zijn.