Vgl. HR 18 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZD1099, NJ 1995/118, m.nt. Th.W. van Veen; HR 18 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2946, NJ 1999/628; HR 25 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4158; HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5410.
HR, 19-11-2024, nr. 23/01050 B
ECLI:NL:HR:2024:1700
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-11-2024
- Zaaknummer
23/01050 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1700, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:961
ECLI:NL:PHR:2024:961, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1700
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑07‑2023
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Beschikking hof op klaagschrift a.b.i. art. 12 en 13 Sv dat zich richt tegen beslissing OvJ om beklaagde (voormalig OvJ) niet te vervolgen wegens meineed (art. 207 Sr) en dat ertoe strekt dat hof de vervolging tegen beklaagde zal bevelen. Ontvankelijkheid cassatieberoep. O.g.v. art. 445 Sv staat tegen beschikkingen cassatieberoep alleen open in gevallen in dat wetboek bepaald. Dat wetboek bevat geen bepaling op grond waarvan cassatieberoep openstaat tegen beschikking als deze. Zo’n bepaling is ook in andere wet niet te vinden. Daarom kan HR het cassatieberoep van klaagster niet in behandeling nemen. Klaagster n-o. CAG gaat in op de door schriftuur bepleite doorbreking van gesloten stelsel van rechtsmiddelen.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01050 B
Datum 19 november 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 22 februari 2023, nummer K 21/220265, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 12 en 13 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft K. Canatan, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Op grond van artikel 445 van het Wetboek van Strafvordering staat tegen beschikkingen cassatieberoep alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald.
Dat wetboek bevat geen bepaling op grond waarvan cassatieberoep openstaat tegen een beschikking als deze. Zo’n bepaling is ook in een andere wet niet te vinden. Daarom kan de Hoge Raad het cassatieberoep van de klaagster niet in behandeling nemen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2024.
Conclusie 17‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Beklag a.b.i. art. 12 Sv. Cassatieberoep tegen beschikking hof Den Haag o.g.v. art. 12 Sv. O.g.v. art. 445 Sv staat tegen beschikkingen cassatieberoep alleen open in de gevallen in Sv bepaald. Sv bevat niet een dergelijke bepaling bij art. 12 Sv-beschikkingen. Daardoor kan klaagster niet worden ontvangen in het ingestelde cassatieberoep. A-G ziet geen aanleiding voor de in de cassatieschriftuur bepleite ‘doorbrekingsleer’ van de Hoge Raad in civiele zaken.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01050 B
Zitting 17 september 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klaagster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de klaagster
1. Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 22 februari 2023 het op grond van art. 12 Sv ingediende klaagschrift dat zich richt tegen de beslissing van de officier van justitie om V.S.T. Leenders (voormalig officier van justitie), hierna: de beklaagde, niet te vervolgen wegens meineed (art. 207 Sr) en dat ertoe strekt dat het hof de vervolging tegen de beklaagde zal bevelen, afgewezen.
1.2
Het cassatieberoep is op 6 maart 2023 ingesteld namens de klaagster. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt geklaagd dat “het oordeel van het hof dat niet blijkt dat beklaagde als getuige bij de rechter-commissaris opzettelijk valse verklaringen heeft afgelegd over de aard van de verdenking en over de eventuele verjaring daarvan, waardoor beklaagde redelijkerwijs niet als verdachte van meineed had moeten, kan of zou kunnen worden aangemerkt, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd.”
1.3
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat de klaagster niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
2. De procesgang
2.1
Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.
2.2
Op 6 augustus 2020 is namens de klaagster schriftelijk aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie dat de beklaagde op 29 oktober 2015, tijdens een voorlopig getuigenverhoor bij de rechter-commissaris in civiele zaken in de rechtbank Den Haag, meinedig zou hebben verklaard.
2.3
Bij brief van 9 september 2020 is door het Openbaar Ministerie aan de raadsman van de klaagster bericht dat de aangifte in behandeling is genomen door de officier van justitie.
2.4
Na meerdere pogingen van de raadsman van de klaagster om door de officier van justitie te worden bericht over de vervolgingsbeslissing is namens de klaagster bij brief van 27 mei 2021 het onder randnr. 1.1 bedoelde ingediend dat ter griffie van het hof is ingekomen op 31 mei 2021. Tot het moment van het indienen van het klaagschrift had de officier van justitie nog geen beslissing genomen op de aangifte van de klaagster.
2.5
Op 22 maart 2022 heeft de officier van justitie alsnog een afdoeningsbeslissing genomen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die kunnen leiden tot een redelijke verdenking van meineed, zodat de aangifte van de klaagster niet verder in behandeling zal worden genomen.
2.6
De advocaat-generaal bij het hof heeft in het schriftelijk verslag van 9 juni 2022 het hof geadviseerd het beklag met toepassing van art. 12c Sv zonder nader onderzoek kennelijk ongegrond te verklaren.
2.7
Op 7 september 2022 is het klaagschrift met gesloten deuren in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van de advocaat-generaal bij het hof, de gemachtigde van de klaagster en haar beide raadslieden. De advocaat-generaal bij het hof heeft het hof – overeenkomstig het schriftelijk verslag van 9 juni 2022 – geadviseerd het beklag af te wijzen.
2.8
Het hof heeft bij tussenbeschikking van 27 september 2022 het onderzoek in raadkamer heropend en geschorst en bepaald dat de beklaagde zal worden gehoord.
2.9
Op 24 januari 2023 is het onderzoek met gesloten deuren in raadkamer van het hof hervat en is de beklaagde gehoord. Aansluitend heeft de advocaat-generaal bij het hof wederom het hof geadviseerd het beklag af te wijzen.
2.10
Bij eindbeschikking van 22 februari 2023 heeft het hof het beklag afgewezen. Het hof heeft daartoe overwogen “dat – ondanks alle namens klaagster aangevoerde argumenten – niet blijkt dat beklaagde als getuige bij de rechter-commissaris opzettelijk valse verklaringen heeft afgelegd over de aard van de verdenking en over de eventuele verjaring daarvan. Het hof is dan ook met het Openbaar Ministerie van oordeel dat de door klaagster aangedragen feitelijkheden er niet toe kunnen leiden dat beklaagde redelijkerwijs als verdachte van meineed had moeten, kan of zou kunnen worden aangemerkt.” Het hof overweegt verder dat de beslissing van de officier van justitie om in deze zaak geen nader onderzoek te laten verrichten in stand kan blijven.
3. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1
Het cassatieberoep is mijns inziens niet-ontvankelijk en wel om de navolgende redenen.
3.2
Op grond van art. 445 Sv staat tegen beschikkingen cassatieberoep alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. Het Wetboek van Strafvordering bevat geen bepaling op grond waarvan cassatieberoep openstaat tegen een beschikking op een beklag als bedoeld in art. 12 Sv. Zo’n bepaling is ook niet te vinden in een andere wet. Daarom kan de klaagster (in beginsel) niet in haar beroep in cassatie worden ontvangen.1.
3.3
De steller van het middel is zich bewust van deze ontvankelijkheidsdrempel en betoogt dat in dit geval een uitzondering moet worden gemaakt op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. In het licht daarvan wordt aangevoerd dat het rechtsmiddelenverbod niet absoluut is en dat uit de rechtspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad en de civiele literatuur blijkt dat er ruimte is voor uitzonderingen. Die uitzondering kan zich voordoen als de rechter a. het desbetreffende wetsartikel ten onrechte heeft toegepast, b. het desbetreffende wetsartikel ten onrechte niet heeft toegepast, of c. zo fundamentele rechtsbeginselen heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken.2.
3.4
Volgens de steller van het middel heeft het hof een fundamenteel rechtsbeginsel, te weten het beginsel van hoor en wederhoor, geschonden. De klaagster meent dat de beklaagde tijdens zijn voorlopig getuigenverhoor van 29 oktober 2015 bij de rechter-commissaris in civiele zaken in strijd met de waarheid heeft verklaard dat de strafzaak tegen de klaagster op het punt stond te verjaren. Het hof heeft in zijn eindbeschikking van 22 februari 2023 overwogen dat niet blijkt dat de beklaagde opzettelijk valse verklaringen heeft afgelegd over de aard van de verdenking en over de eventuele verjaring daarvan. Uit het bij de aangifte van de klaagster gevoegde proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor van de beklaagde bij de rechter-commissaris in civiele zaken van 29 oktober 2015 blijkt echter dat de beklaagde – zonder voorbehoud – heeft verklaard dat “de mogelijkheden tot vervolging op het punt stonden te verjaren”. De klaagster heeft niet kunnen reageren op de stelling dat de beklaagde zou hebben verklaard over een eventuele verjaring, omdat die stelling enkel door het hof en voor het eerst pas in de bestreden beschikking is ingenomen. Gelet op de schending van het beginsel van hoor en wederhoor zou volgens de steller van de schriftuur een doorbreking van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zijn gerechtvaardigd en zouden de aard, de ernst en het belang van de zaak met zich brengen dat de Hoge Raad oordeelt over het voorgestelde cassatiemiddel.
3.5
Het in de schriftuur gestelde noopt mijns inziens niet tot de bepleite doorbreking van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. In dat verband wijs ik erop dat de strafkamer van de Hoge Raad de lijn van de civiele kamer niet volgt als het gaat om de vraag of het gesloten stelsel van rechtsmiddelen kan worden doorbroken. De strafkamer overweegt daarbij telkens dat het openstellen van rechtsmiddelen een taak is voor de wetgever en dat een doorbreking van het stelsel buiten de rechtsvormende taak van de Hoge Raad valt.3.Ik zie niet in waarom dat in het onderhavige geval anders zou liggen,4.ook niet als zou worden uitgegaan van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel.5.
3.6
Op basis van het voorgaande meen ik dat de klaagster niet kan worden ontvangen in het ingestelde cassatieberoep, zodat het middel geen bespreking behoeft. Mocht de Hoge Raad hierover anders oordelen, dan ben ik uiteraard graag bereid aanvullend te concluderen.
4. Slotsom
4.1
Het middel behoeft geen bespreking.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑09‑2024
B.T.M. van der Wiel (red.) e.a., Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 165 met verwijzing naar HR 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989, NJ 1986/242, m.nt. L. Wichers Hoeth en W.H. Heemskerk, rov. 3.2; HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2312, NJ 2011/220, rov. 3.4.3; HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:972, NJ 2018/429, m.nt. S. Perrick, rov. 3.4; HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1085, NJ 2019/423, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.4.
A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 14. Zie ook HR 8 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9785, NJ 1995/30, m.nt. G.J.M. Corstens, rov. 4.2.2; HR 30 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0366, NJ 1996/288, rov. 4.2.2; HR 31 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD7279, rov. 4; HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5531, rov. 2.3.
Vgl. bijvoorbeeld ook HR 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1185, NJ 1998/644 waarin de strafkamer van Hoge Raad duidelijk het spoor dat is getrokken door de civiele kamer niet volgt.
Vgl. HR 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1529, NJ 1999/702 en HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6595, NJ 2010/338, m.nt. Y. Buruma (en de conclusie van toenmalig P-G Fokkens vóór deze beschikking).
Beroepschrift 03‑07‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
betekening aanzegging ex artikel 447 lid 3 Sv op 2 juni 2023
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE
inzake
[klaagster] B.V.
verzoekster van cassatie van een haar betreffende beschikking van het gerechtshof Den Haag van 22 februari 2032 in de zaak met volgnummer K 21/220265
Ontvankelijkheid cassatieberoep
1.
Verzoekster heeft cassatie heeft ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof gewezen naar aanleiding van een schriftelijk beklag zoals bedoeld in art. 12 Sv. Zij is zich ervan bewust dat art. 445 Sv uitsluitend tegen beschikkingen beroep in cassatie openstelt in de gevallen in dat wetboek bepaald terwijl daarin geen bepaling voorkomt volgens welke beroep in cassatie openstaat tegen een beschikking als bedoeld in art. 12i Sv (vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5410). Verzoekster meent echter — op de navolgende gronden — dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dient te worden doorbroken.
2.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen houdt in dat een rechterlijke beslissing in het algemeen alleen door vernietiging door een hogere rechter haar kracht kan verliezen en een beslissing waartegen door de wet geen hogere voorziening is toegelaten daarom in het algemeen niet op grond van daaraan mogelijk klevende gebreken van formele of materiele aard als van onwaarde mag worden beschouwd (HR 04 maart 1975, NJ 1975, 241). Uit deze formulering volgt evenwel dat het rechtsmiddelenverbod niet absoluut is, omdat dit een algemeen uitgangspunt betreft.
3.
Dat uw Raad ruimte laat voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod volgt ook wel uit uw civiele rechtspraak. In 1985 heeft uw Raad in de zaak Enka/Dupont (HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242) voor de eerste keer aangenomen dat een wettelijk appelverbod kan worden doorbroken als de rechter (i) buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, (ii) deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel (iii) bij de behandeling van de zaak een fundamenteel rechtsbeginsel heeft geschonden. Van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel is onder meer sprake als het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.
4.
Ook uit de parlementaire geschiedenis bij civielrechtelijke wetsbepalingen (bv. bij art. 1019bb Rv) blijkt dat de wetgever meent dat het openstellen van een rechtsmiddel bezwaarlijk is te rijmen met de aard van de procedure, maar dat hij aan de rechtspraak heeft willen overlaten of het rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken. Uit HR 18 april 2014, NJ 2015, 215 volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een zodanige doorbreking mogelijk is. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/24 menen dat in twijfelgevallen de mogelijkheid van doorbreking uitgangspunt is.
5.
Uw Raad heeft tot op heden de civiele aanpak in strafzaken niet overgenomen (vgl. de conclusie van Machielse in zijn conclusie voor het arrest van 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7031 en HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6595, m.nt. Y. Buruma), maar — voor zover opsteller dezes heeft kunnen nagaan — is uw Raad nimmer daartoe aangespoord ter zake van art. 12 (of 13) Sv zaken. De rechtspraak van Uw Raad ter zake van dergelijke beschikkingen is beperkt tot die gevallen waarin cassatie in het belang der wet is gevorderd (o.a. 25 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0502 en in de Euratom kwestie, HR 13 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9173).
6.
Verzoekster meent dat doorbreking van het rechtsmiddelenverbod in deze moet worden toegelaten nu het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden alsmede dat de aard, ernst en het belang van de zaak (aangifte van meineed door een (toenmalig) officier van justitie tegenover een rechter-commissaris) met zich meebrengt dat uw Raad oordeelt over het middel (vgl. m.b.t. het eerstgenoemde civiele cassatie HR 30 maart 2001, NJ 2001, 303).
7.
Dat het Hof niet, althans niet ten volle, hoor en wederhoor heeft toegepast volgt uit diens beschikking.
8.
De beschikking ziet op het namens verzoekster ingediende klaagschrift ex art. 12 Sv gericht tegen de beslissing om mr. Vincent Stefan Theodoor Leenders, voormalig officier van justitie, (hierna: beklaagde), niet te vervolgen ter zake van meineed.
9.
Uit de — aan het klaagschrift gehechte — aangifte volgt dat verzoekster meent dat beklaagde, gehoord als getuige, onder ede, door de rechter-commissaris bij de rechtbank Den Haag op 29 oktober 2015, in strijd met de waarheid heeft verklaard dat de zaak tegen haar op het punt stond te verjaren (en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan meineed). In de aangifte staat daarover, voor zover in dit kader van belang, en met verwijzing naar het daaraan gehechte proces-verbaal van het getuigenverhoor:
‘Mr. Leenders heeft verklaard
‘Er was … een redelijk vermoeden van niet-ambtelijke omkoping … dat JVA … een gift had aanvaard … Het gaat om een vermoeden van niet-ambtelijke omkoping waar je U tegen zegt … Deze feiten zijn bijzonder ernstig … In deze situatie leek het erop dat JVA van twee walletjes wilde eten. Ik vond dat we daar wat mee moesten. In het overleg met Mesland en Van de Ridder … zagen we … dat de mogelijkheden tot vervolging op het punt stonden om te verjaren’.
(Onderstreping toegevoegd).’
10.
Tijdens de behandeling in raadkamer d.d. 7 september 2022 heeft de raadsman van verzoekster, blijkens de overgelegde pleitnotities onder randnummers 3.6 en 3.7, over de verklaring van beklaagde op dit onderdeel het volgende aangevoerd:
‘De vermoedelijke leugenachtigheid van de verklaring van mr. Leenders volgt ook uit diens verklaring over de aanstaande verjaring. [klaagster] stelt zich op het standpunt dat mr. Leenders in zijn eigen leugen verstrikt is geraakt. Immers, mr. Leenders zag zich voor het probleem gesteld dat hij moest uitleggen dat hij weliswaar ver klaarde over ‘een omkoping voor een aanzienlijk geldbedrag waar je u tegen zegt’, maar het onderzoek desalniettemin was gestaakt en er geen verdere vervolging had plaatsgevonden. Verder vervolgen behoort het OM bij een dergelijke verdenking nu juist wel te doen en dat pleegt het OM ook te doen. Om het niet-vervolgen te kunnen verantwoorden, werd tijdens het getuigenverhoor een onnavolgbare verjaringstheorie uit de doeken gedaan.
Over deze theorie kan ik kort zijn. Zij is onjuist en onaannemelijk. In de aangifte is uitvoerig toegelicht dat van aanstaande verjaring geenszins sprake was en dat mr. Leenders dit ambtshalve als geen ander moet hebben geweten. Ook moet hij de mogelijkheden om een eventuele verjaring te stuiten goed hebben gekend.’
11.
Het Hof heeft het beklag van verzoekster afgewezen met de volgende motivering:
‘Het hof is echter van oordeel dat — ondanks alle namens klaagster aangevoerde argumenten — niet blijkt dat beklaagde als getuige bij de rechter-commissaris opzettelijk valse verklaringen heeft afgelegd over de aard van de verdenking en over de eventuele verjaring daarvan.’
12.
Aldus heeft het Hof zijn oordeel gebaseerd op de grond dat beklaagde zou hebben verklaard over ‘eventuele verjaring’, terwijl uit de aangifte volgt dat beklaagde zonder de toevoeging van een eventualiteit heeft verklaard dat ‘de mogelijkheden tot vervolging op het punt stonden te verjaren’.
13.
Verzoekster heeft de stelling als zou beklaagde hebben verklaard over ‘eventuele verjaring’ niet kunnen weerspreken, omdat die stelling pas in de beschikking door het Hof en niet door beklaagde of het Openbaar Ministerie — werd ingenomen. Nu verzoekster ten onrechte niet op het voorgaande heeft kunnen responderen, waaronder door het Hof te wijzen op het feit dat beklaagde niet over ‘eventuele verjaring’ heeft verklaard heeft het Hof het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Daarbij dient mede in aanmerking genomen te worden dat het Hof uitsluitend verwijst naar ‘alle namens klaagster aangevoerde argumenten’ zonder te duiden op welke argumenten het Hof daadwerkelijk acht heeft geslagen.
14.
Vanwege de schending van een fundamenteel rechtsbeginsel meent verzoekster derhalve dat zij wel kan worden ontvangen in haar cassatieberoep en dat haar middel behandeling in cassatie behoeft.
Middel
Het Hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. Met name zijn geschonden de artikelen 12i en 24 Sv aangezien het oordeel van het hof dat niet blijkt dat beklaagde als getuige bij de rechter-commissaris opzettelijk valse verklaringen heeft afgelegd over de aard van de verdenking en over de eventuele verjaring daarvan, waardoor beklaagde redelijkerwijs niet als verdachte van meineed had moeten, kan of zou kunnen worden aangemerkt, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd.
Toelichting
1.
Verzoekster heeft bij klaagschrift d.d. 31 mei 2021 beklag, zoals bedoeld in art. 12 Sv, gedaan tegen de beslissing van de officier van justitie te Den Haag om beklaagde, niet te vervolgen ter zake van meineed.
2.
Namens verzoekster is daartoe, blijkens de stukken van het geding, — zakelijk weergegeven — onder meer het volgende aangevoerd:
- —
dat beklaagde zich had voorbereid op het verhoor door met een advocaat te overleggen (pleitnotities d.d. 7 september 2022 p. 5 en p. 6 en 8 van het proces-verbaal van verhoor van beklaagde bij de rechter-commissaris d.d. 29 oktober 2015);
- —
dat beklaagde ten aanzien van de aard van de verdenking (onder meer) — in strijd met de waarheid — heeft verklaard over een verdenking van oplichting van Wereldhave en een vermoeden van niet-ambtelijke omkoping ‘waar je u tegen zegt’ (aangifte d.d. 6 augustus 2020, p. 3 t/m 5, p. 6 en 7 van het proces-verbaal van verhoor van beklaagde bij de rechter-commissaris d.d. 29 oktober 2015 en p. 3 van productie 4 bij de aangifte, pleitnotities mr. R.A. Fibbe d.d. 19 april 2021 in de civiele procedure inhoudende een opsomming van de verdenking waarover beklaagde heeft verklaard);
- —
en dat beklaagde — in strijd met de waarheid — heeft verklaard dat de mogelijkheden om te vervolgen op het punt stonden te verjaren (aangifte d.d. 6 augustus 2020, p. 6 en 8, p. 6 en 7 van het proces-verbaal van verhoor van beklaagde bij de rechter-commissaris d.d. 29 oktober 2015, pleitnotities d.d. 7 september 2022 p. 4 en 6).
3.
Het Hof heeft het beklag van verzoekster afgewezen met de volgende motivering:
‘Het hof is echter van oordeel dat — ondanks alle namens klaagster aangevoerde argumenten — niet blijkt dat beklaagde als getuige bij de rechter-commissaris opzettelijk valse verklaringen heeft afgelegd over de aard van de verdenking en over de eventuele verjaring daarvan. Het hof is dan ook met het openbaar ministerie van oordeel dat de door klaagster aangedragen feitelijkheden er niet toe kunnen leiden dat beklaagde redelijkerwijs als verdachte van meineed had moeten, kan of zou kunnen worden aangemerkt.’
4.
Het oordeel van het Hof is onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. Uit de motivering van diens oordeel volgt dat het Hof in elk geval heeft aangenomen dat sprake was van valse verklaringen, omdat het Hof niet aan de vraag naar het opzet was toegekomen indien de verklaringen naar waarheid waren afgelegd. In cassatie dient daarom als vaststaand te worden aangenomen dat beklaagde valse verklaringen heeft afgelegd over de aard van de verdenking en de eventuele verjaring.
5.
Art. 207 Sr vereist dat een valse verklaring opzettelijk is afgelegd om als meineed te kunnen gekwalificeerd (vgl. HR 19 februari 1906, W 8340; 27 juni 1932, NJ 1932, p. 1633, HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8621; HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5085; HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6213). Naar geldend recht is daaraan voldaan in geval van voorwaardelijk opzet (Zie HR 7 februari 2006, NJ 2007, 396 m.nt. de Jong en T&C Strafrecht, commentaar op art. 207 Sr). Dat betekent dus dat daarvan sprake is als beklaagde bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een onjuiste verklaring heeft afgelegd.
6.
Het Hof heeft geen enkele inzicht gegeven in zijn gedachtegang waarom beklaagde niet op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op zijn onjuiste verklaringen, mede in aanmerking genomen dat het hier ging om een officier van justitie (aan wie bij het afleggen van een dergelijke verklaring hogere eisen kunnen worden gesteld), die bovendien voorafgaand aan het verhoor een voorbespreking met een advocaat heeft gehad. Een vergissing of een verspreking (zo het Hof daar al op zou doelen) is dan niet aannemelijk (en overigens ook niet namens beklaagde aangevoerd). Daarbij komt dat namens verzoekster gemotiveerd is betoogd waarom beklaagde redenen had om niet naar waarheid te verklaren (zie pleitnotities d.d. 7 september 2022 onder randnummer 5). Bovendien heeft het Hof het (ook zelf vooropgestelde toetsingskader) miskend dat een redelijk vermoeden van schuld voldoende is om beklaagde als verdachte aan te merken. Het oordeel van het Hof dat ‘niet blijkt’ dat beklaagde opzet heeft gehad, geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip ‘redelijk vermoeden van schuld’ in dit kader, omdat immers nog niet vereist is dat het opzet reeds bij de behandeling van een beklag ex art. 12 Sv vaststaat (vgl. ter zake van het vergelijkbare art. 13 Sv HR 9 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0713).
7.
Nu de beschikking van het Hof niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, kan deze niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, die verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoekster van cassatie.
Amsterdam, 3 juli 2023
mr. K. Canatan