Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders bij preventieve herstructureringen (VDHI nr. 163) 2020/3.2.2
3.2.2 Aandacht voor aandeelhouders
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, datum 02-02-2020
- Datum
02-02-2020
- Auteur
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen
- JCDI
JCDI:ADS197705:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dat aandeelhouders bij financiële instellingen in nood als eerste de verliezen moeten dragen (bail-in), werd in 2014 al aangenomen op Europees niveau, zie richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (EU 2014/59) en de SRM-verordening (EU 806/2014). Banco Popular is sindsdien de enige bank die van een bail-in (zoals voorzien in de verordening) gebruik heeft gemaakt, zie Verslag van de commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing en herziening van de Richtlijn en de Verordening, COM(2019) 213 final, p. 4. Nederland kende daarvoor al een de facto bail-in van aandeelhouders op grond van de Interventiewet. De onteigening van aandeelhouders bij SNS is daar het (enige) voorbeeld van.
Zie bijv. Schmidt 2015, p. 127, Confortini 2016, p. 7 en uitgebreid Madaus 2017.
Commission Staff Working Document, Impact assessment, SWD (2016) 357 final, p. 70-71.
Zie Madaus 2013, p. 111 en Confortini 2015, p. 349.
O.a. Jackson 1982, p. 893, Tene 2003, p. 390, Baird & Bernstein 2006, p. 1937, Tollenaar 2016, p. 22, Baird 2017, p. 790, Van den Berg 2017, p. 256 en Moulen Janssen 2018a, p. 1003. Van den Berg 2019, p. 53: “Beknopt weergegeven wordt bij een pre-insolventieakkoord de vermogensstructuur gewijzigd en de totale ondernemingswaarde (her)verdeeld over degenen die hiertoe gerechtigd zijn.”
Art. 14 Grundgesetz. Zie hierover bijv. Wolf 2015, p. 172-175. Het Verband Insolvenzverwalter Deutschland (VID) raadde derhalve af dat aandeelhouders überhaupt partij kunnen zijn bij een preventief herstructureringsakkoord, zie https://www.vid.de/wp-content/uploads/2017/09/vid-proposed-amendments-to-com-2016-723.pdf, p. 2. Zie par. 3.4 over het recht op ongestoord genot van eigendom ex art. 1 EP EVRM.
Bijv. Tollenaar 2016, p. 255. Zie ook MvT eerste consultatieversie WHOA 2014, p. 16.
Overweging 57 Richtlijn.
Zie par. 2.5.1 over aandeelhoudersrechten die spelen bij een debt for equity swap.
Art. 2:246 BW (in de statuten kan anders zijn bepaald). Voor Duitsland geldt dit enkel wanneer sprake is van dreigende betalingsonmacht, zie hierover par. 5.4.2.1. In Nederland kan overigens via een surseance, waarvoor geen besluit van de algemene vergadering nodig is, een faillissement worden ingeleid.
Zie verder par. 2.5 over aandeelhoudersrechten die relevant kunnen zijn bij een preventieve herstructurering.
§60 lid 1 sub 4 GmbHG. Zie verder Madaus 2011a, p. 757 en Madaus 2012, p. 10.
De aandacht voor aandeelhouders en hun rechten in Europese regelgeving over insolventie en herstructureringen is relatief nieuw. Pas eind 2016, in het richtlijnvoorstel betreffende preventieve herstructureringsstelsels, werd opgenomen dat een dwangakkoord niet alleen aan schuldeisers maar ook aan aandeelhouders kan worden opgelegd.1 Waarom heeft dat zo lang geduurd? Een verklaring is wellicht de moeilijkheid om twee rechtsgebieden te combineren: het vennootschapsrecht en het insolventierecht.2 Het vennootschapsrecht omvat regels voor aandeelhouders, het insolventierecht daarentegen regels voor schuldeisers. Het meer samenhangende ‘herstructureringsrecht’ is een betrekkelijk nieuw fenomeen, waarbij dus regels gelden voor zowel aandeelhouders als schuldeisers. Rechten van aandeelhouders worden in veel lidstaten gezien als wezenlijk anders dan de rechten van schuldeisers.3 Dit onderscheid komt tot uiting bij de liquidatie van de vennootschap. De vereffening van het vermogen is gericht op de voldoening van de vorderingen van de schuldeisers. Aandeelhouders hebben enkel recht op het liquidatiesaldo dat eventueel resteert nadat alle vorderingen van de schuldeisers zijn voldaan. Pas op het moment dat het vermogen is vereffend en de vennootschap wordt ontbonden, vindt een wijziging in het aandelenkapitaal plaats en raken aandeelhouders hun aandelenbelang kwijt.4 Tot die tijd behouden aandeelhouders hun aandelenbelang en kunnen zij hun zeggenschapsrechten uitoefenen, zij het dat dit gedurende de vereffeningsfase van beperkte waarde is.
Bij een preventieve herstructureringsprocedure waarin aandeelhouders zijn betrokken, vindt echter een wijziging van het aandelenkapitaal plaats vóórdat de vennootschap is geliquideerd. Een preventieve herstructurering waarbij de vermogensstructuur wijzigt, betreft in feite een vereffening van het vermogen van de vennootschap omdat de onderneming aan de schuldeisers (en niet aan derden) wordt verkocht.5 Aandeelhouders zijn, in tegenstelling tot een “traditionele” vereffening, wel onderdeel van deze “vereffening van het vermogen” van de vennootschap bij een preventieve herstructureringsprocedure: de waarde die met een preventieve herstructurering wordt gerealiseerd – de reorganisatiewaarde – wordt door middel van een akkoord verdeeld over de betrokken schuldeisers én aandeelhouders.
Lange tijd wilde de Europese wetgever zijn vingers niet branden aan dit complexe nieuwe leerstuk, ook omdat in sommige lidstaten – zoals Duitsland – het eigendomsrecht van aandeelhouders constitutioneel wordt beschermd (en een inmenging niet zonder meer is toegestaan).6 Inmiddels ziet echter ook de Europese wetgever de noodzaak in om naast schuldeisers ook aandeelhouders te betrekken bij een dwangakkoord. Het is niet redelijk dat schuldeisers in moeten leveren terwijl de aandeelhouders – die out of the money zijn bij een liquidatie van de vennootschap – buiten schot blijven.7 Wanneer een succesvolle herstructurering plaatsvindt, profiteren de aandeelhouders zelfs. De vennootschap leeft weer op en de aandelen stijgen in waarde. Out of the money aandeelhouders moeten een preventieve herstructurering daarom niet kunnen blokkeren, zo vermeldt thans de preambule van de Richtlijn.8 Anders is het bewerkstelligen van een preventieve herstructurering lastig, zo niet onmogelijk. Een debt for equity swap bijvoorbeeld, vaak nodig bij een preventieve herstructurering, kan zonder de medewerking van aandeelhouders niet plaatsvinden.9
Overigens is van oudsher wel aandacht voor de rol van aandeelhouders bij het aanvragen van de opening van insolventieprocedures. Zo mag in Nederland en Duitsland een vennootschap haar eigen faillissement niet aanvragen voordat de algemene vergadering daartoe een besluit heeft genomen.10 Hoewel een faillissementsvonnis ook zonder een besluit van de algemene vergadering rechtskracht heeft, toont dit aan dat het in principe aan de aandeelhouders is om namens de vennootschap te besluiten of de vennootschap al dan niet wordt voortgezet. Het is immers ook aan de algemene vergadering om een besluit over de ontbinding van de vennootschap te nemen.11 In Duitsland is zelfs altijd een besluit van de algemene vergadering vereist voor de voortzetting van de vennootschap na opening van een insolventieprocedure.12