Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/14.4.4:14.4.4 Forfaitaire belastingheffing over afkoopsommen levensverzekering (Lobler v HMRC)
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/14.4.4
14.4.4 Forfaitaire belastingheffing over afkoopsommen levensverzekering (Lobler v HMRC)
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197260:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De heer Lobler had een bedrag van ongeveer $ 1,4 miljoen geïnvesteerd in levensverzekeringen. Dit bedrag bestond voor een gedeelte uit de winst die hij had behaald met de verkoop van zijn woning. De rest had hij geleend van de bank. In 2007 onttrok Lobler een bedrag van $ 746.485 aan de levensverzekering om de banklening af te lossen. In 2008 onttrok hij een bedrag van $ 690.171 voor de aankoop van een woning. Deze bedragen vormden ongeveer 97,5% van zijn oorspronkelijke inleg. Deze onttrekkingen in 2007 en 2008 vormden een belastbaar feit voor de Income Tax (Trading and Other Income) Act 2005 (ITTOIA), waardoor moest worden afgerekend over de met de levensverzekering behaalde winst. Daarbij werd evenwel niet de werkelijk behaalde winst belast, maar werd die winst bepaald op basis van een in de wet opgenomen formule. De verschuldigde belasting werd hierdoor berekend door het bedrag van de uitkering te verminderen met 5% van de betaalde premies. Dit betekende voor Lobler dat hij in 2007 en 2008 geacht werd een inkomen te hebben genoten van $ 1,3 miljoen, waarover hij een bedrag aan belasting van $ 560.000 verschuldigd was. In werkelijkheid had Lobler echter nauwelijks winst gemaakt met de verzekeringspolissen. Door de forfaitaire wijze van winstbepaling beliep het effectieve belastingtarief over de met de levensverzekeringen winst behaalde winst maar liefst 779%. Dit was niet alleen in relatieve zin een zware last, maar ook in absolute zin. De rechter die over de zaak besliste, het Upper Tribunal (Proudman J), stelde vast dat deze belastinglast “exhausts his life savings and may bankrupt him, although he made no substantial profit or gain”.1 Dit lijkt een individual and excessive burden, waartegen artikel 1 Eerste Protocol bij uitstek bescherming biedt. Het Upper Tribunal kwam echter niet toe aan een dergelijk oordeel, aangezien het op een andere manier in de zaak voorzag. De oorzaak van het probleem van Lobler was een door hem verkeerd ingevuld formulier. Op verzoek van de verzekeringsmaatschappij moest hij bij het verzoek tot afkoop een keuze uitbrengen voor de wijze van afkoop. Daarbij bestond de keuze uit vier opties (A, B, C en D). Zonder advies in te winnen had Lobler voor optie C gekozen. Dit bleek bijzonder onverstandig, want leidde tot de litigieuze fiscale behandeling met astronomisch hoge tarieven. Lobler had er verstandig aan gedaan om voor optie A te kiezen (wat in zijn geval kennelijk ook verdedigbaar was), want dan zou de fiscale behandeling van de afkoopsommen veel voordeliger zijn geweest. In zekere zin had Lobler de fiscale afhandeling van de afkoop van zijn verzekeringspolissen dus aan zichzelf te wijten, wat niet wegneemt dat de gevolgen van die foute keuze buitenproportioneel uitpakten. Kennelijk was Lobler niet de enige belastingplichtige die het “slachtoffer” werd van die wetgeving, want het Upper Tribunal maakt melding van andere belastingplichtigen die met hetzelfde probleem werden geconfronteerd. Het Upper Tribunal loste de zaak op door te oordelen dat Lobler alsnog de mogelijkheid moest worden geboden om zijn keuze voor optie C te rectificeren, zodat hij alsnog de fiscale behandeling behorende bij optie A kon genieten. Van de alsdan resterende belastingheffing stond niet meer ter discussie dat deze niet in strijd was met artikel 1 Eerste Protocol. Toch ging het Upper Tribunal in een obiter dictum nog in op de vraag of de litigieuze belastingwetgeving als zodanig (op stelselniveau) in strijd kwam met artikel 1 Eerste Protocol. Die beoordeling valt volgens Proudman J nipt uit in het voordeel van de wetgever, omdat het forfait niet “devoid of reasonable foundation” was:2
“90. The means employed to achieve the public interest in this case amount to depriving Mr Lobler and his family of all their personal finances and leaving him in a state of possible bankruptcy. Each case must be considered individually on its own merits. Is it possible to conclude that the legislation in question is generally “devoid of reasonable foundation”? In my view the scales tip, only just, in favour of reasonable foundation because the law is not irrational or arbitrary. While it would be fairer if the gain on partial surrenders was calculated using a different and more proportionate method, the fact that it is not does not make the current method of calculating tax on partial surrenders devoid of reasonable foundation. Again, while it would be fairer if the law was simpler, the fact that it is not does not mean that there is a breach of human rights.”
Deze overweging betreft uitsluitend de vraag of de wetgeving op regelniveau in strijd komt met artikel 1 Eerste Protocol. De financiële impact die de wetgeving heeft op Lobler en of hij wordt getroffen door een individual and excessive burden speelt hierdoor geen rol. De maatstaf die het Upper Tribunal aanlegt is dat een wettelijke bepaling op stelselniveau in strijd komt met artikel 1 Eerste Protocol als deze “devoid of reasonable foundation” is. Dit is een hoge drempel. De wetgever moet het wel heel bont maken wil een wet die toetsing niet doorstaan. Het feit dat er duidelijk betere of eerlijker methoden denkbaar zijn om de belasting bij afkoop van een verzekeringspolis te berekenen, maakt de door de wetgever gemaakte keuze volgens het Upper Tribunal in ieder geval nog niet “devoid of reasonable foundation”. De terughoudendheid die het Upper Tribunal aan de dag legt bij de toetsing van formele wetgeving past bij de positie die de Britse rechter inneemt ten opzichte van het parlement en is ook in lijn met de marginale toetsing van belastingwetgeving door het EHRM. Lobler v HMRC illustreert dat een belastingplichtige weinig te verwachten heeft van een abstracte regeltoetsing, waarbij geen aandacht wordt besteed aan de individuele omstandigheden van het geval.