Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/II.4.7.1:II.4.7.1 Lichamelijke fixatie: beperking van de bewegingsvrijheid
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/II.4.7.1
II.4.7.1 Lichamelijke fixatie: beperking van de bewegingsvrijheid
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS450802:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het eerste aspect dat ik ten behoeve van de mensenrechtelijke beoordeling van de afname van (neuro)geheugendetectiemethode onderscheid, is de afnameprocedure. De verdachte moet, ten tijde dat hij de afname van de GKT ondergaat, voor ongeveer één uur volledig worden gefixeerd (waarbij het zelfs van belang is dat vinger- en teenbewegingen onmogelijk worden gemaakt). Qua lengte van de procedure lijkt de afname van (neuro)geheugendetectie op het tijdsbestek dat bij de maatregelen in het belang van het onderzoek (art. 61 Sv) aan de autoriteiten wordt toegekend. De lichamelijke beperking – de volledige fixatie – is op dit moment alleen noodzakelijk bij het onder dwang afgenomen van bloed voor een DNA-analyse, maar subsidiaire mogelijkheden bestaan om lichaamsmateriaal te verkrijgen. Daar staat tegenover de lichamelijke bewegingsvrijheid bij een verhoor op eenzelfde manier kan worden beperkt als de verdachte agressief is en het verhoor kan veel langer duren dan de afname van een GKT.
De afnameprocedure is vrijheidsbeperkend en moet dus in het licht van de onaantastbaarheid van de lichamelijke integriteit worden beoordeeld. De lichamelijke integriteit vormt ten eerste een onderdeel van het privéleven dat door het recht op respect voor privacy wordt beschermd. De bescherming van en beschikking over het lichaam is een noodzakelijke voorwaarde om de andere facetten van het begrip privéleven en het volledige recht op respect voor privacy te genieten. Daarnaast wordt de lichamelijke integriteit ook door het recht op respect voor menselijke waardigheid (of het verbod op vernederende behandelingen (waarvan ik in het volgende hoofdstuk beargumenteer dat het verbod de ondergrens van de menswaardige bescherming vormt)) beschermd. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of de fixatie tijdens de afname geoorloofd is in het licht van het recht op respect voor privacy en menselijke waardigheid.