Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/11.1:11.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/11.1
11.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499531:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken); NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007) (m.nt. Van Kempen), § 100.
Zie § 6.5.5.2.1 hiervoor.
EHRM 13 september 2016 (Ibrahim e.a. t. Verenigd Koninkrijk), NJB 2017/267, § 269.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Belastend gebruik afgedwongen medewerking als toetsingsfactor
In dit hoofdstuk zal ik onderzoeken wat het gebruik van het resultaat van de van de verdachte afgedwongen medewerking (‘the use in criminal proceedings of evidence obtained in breach of Article 6’1) als derde en laatste toetsingsfactor voor schending behelst. Deze factor komt vooral tot uitdrukking in zaken waarin de verdachte onder sanctiedreiging zijn medewerking aan een onderzoek heeft verleend; voor of na het ‘charge’-moment.
Heeft de verdachte na het ‘charge’-moment geweigerd te verklaren of geweigerd fysiek bewijs te verstrekken, dan beperkt het EHRM zich tot de vaststelling of het gevraagde, wanneer versterkt, hem had kunnen belasten in de latere strafprocedure. In wezen vloeit de toetsingsfactor ‘gebruik’ dan samen met de strafcontext als criterium voor de toepasselijkheid van het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Dit criterium behelst immers dat niet kan worden uitgesloten dat de afgedwongen medewerking op belastende wijze tegen de betrokkene wordt gebruikt.2
Relatie tussen toetsingsfactoren
Voor wat betreft de relatie met de andere twee toetsingsfactoren kan worden gesteld dat de toetsingsfactor ‘gebruik’ zich richt op de (mogelijke) betekenis die het van de verdachte afgedwongen bewijs heeft voor de bewijsvoering tegen hem. De op hem uitgeoefende dwang als toetsingsfactor voor schending concentreert zich juist op de bewijsgaring bij de verdachte. In Ibrahim e.a. verbindt het Hof deze aspecten met elkaar. Met verwijzing naar § 71 van het Saunders-arrest overweegt het in algemene zin, dat voor de vaststelling of de toegepaste directe dwang het recht tegen gedwongen zelfbelasting wezenlijk aantast (en dus resulteert in schending van art. 6 EVRM), het gebruik van het afgedwongen bewijs in de strafprocedure cruciaal is.3
De relatie met de waarborgnormen als toetsingsfactor voor schending is minder duidelijk. Waarschijnlijk moet die relatie worden gezocht in de op de verdachte uitgeoefende dwang als toetsingsfactor voor schending, in die zin, dat waarborgen dwang kunnen compenseren (in de zin van: goedmaken, vereffenen). Dit lijkt zelfs te gelden voor bewijsuitsluiting als waarborg tegen gedwongen zelfbelasting, welke norm – evenals de toetsingsfactor ‘gebruik’ – zich concentreert op de bewijsvoering.