Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/4.1.2
4.1.2 Merkenrecht
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS466479:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook — in nauwelijks verhullende bewoordingen — Lyon-Caen tijdens het internationale industriële-eigendomscongres te Parijs in 1878 , die over eventuele merkrechten van buitenlandse ondernemers opmerkte: 'Ces droits n'intéressent pas le développement de l'industrie nationale.' (in: Comptes rendus Congrès 1878, p. 135).
Zie Pataille & Huguet 1865, p. 85; Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 9 e.v.; Ladas 1975, p. 35 e.v.; Comptes rendus Congrès 1878, p. 721 (toelichting van het uitvoerend comité van de Permanente Internationale Commissie van het internationale congres van 1878 bij zijn voorontwerp voor een internationale unie voor de bescherming van industriële eigendom). Men kan zich overigens afvragen of met die beperking het beoogde doel wordt bereikt: wat nu bijvoorbeeld indien de buitenlandse ondernemer in den lande wel een inrichting van nijverheid of handel heeft, maar de desbetreffende waren in een fabriek in den vreemde produceert? Vgl. Bozérian 1890, p. 193.
Zie par. 1.1.
Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 9 e.v.; Ladas 1975, p. 35 e.v.
Wet van 23 juni 1857, zie Pataille & Huguet 1865, p. 64; Recueil général (propriété industrielle), Tome I, 1896, p. 311. Vgl. voorts onder meer art. 6 van de Belgische merkenwet van 1 april 1879 (Recueil général (propriété industrielle), Tome I, 1896, p. 127) en art. 23 van de Duitse merkenwet van 12 mei 1894 (Recueil général (propriété industrielle), Tome I, 1896, p. 81).
Ladas 1975, p. 35.
Recueil général (propriété industrielle), Tome I, 1896, p. 312, noot 2 (ten aanzien van de Franse merkenwet van 23 juni 1857).
Zie ook Ladas 1975, p. 36.
Art. 20 van de Duitse merkenwet van 30 november 1874, zie Klostermann 1876, p. 449 en p. 475. Zie ook Osterrieth & Axster 1903, p. 44.
Net als in het auteursrecht, waar de gebruikelijke situatie was dat auteurs hun werken voor het eerst in eigen land publiceerden, zie par. 1.1.1.
Zie par. 2.1.
Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 12. Een voorbeeld is het handelsverdrag tussen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk van 23 januari 1860 waarin in art. 12 werd bepaald: 'Les sujets d'une des Hautes Puissances contractantes jouiront, dans les Etats de l'autre, de la ~e pmtection que les nationaux pour tout ce qui concerne la propriété des marques de commerce et des dessins de fabrique de toute espèce.' (Pataille & Huguet 1865, p. 124). Later ontstonden ook aparte industriële-eigendomsverdragen, los van handelsverdragen, zie Ladas 1975, p. 44.
Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 13; Ladas 1975, p. 48.
Osterrieth & Axster 1903, p. 39 e.v.; Ladas 1930, p. 64-65 (Ladas 1975, p. 52); Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 12-15. Zie bijvoorbeeld. art. 16 van het verdrag tussen België en Portugal van 11 oktober 1866, waarin het beginsel van nationale behandeling werd gevolgd door een materiële-reciprociteitsuitzondering inzake de beschermingsduur: 'Le droit exclusif (...) ne peut avoir au profit des Portugais en Belgique, et réciproquement au profit des Belges en Portugal, une durée plus longue que celle fixée par la loi du pays á l'égard des nationaux.' En ook werd een materiële-reciprociteitsuitzondering ingebouwd inzake het bestaan van bescherming: indien het merk 'appartient au domaine public dans la pays d'origine, il ne peut être l'objet d'une jouissance exclusive dans l'autre pays.' Zie Recueil des traités (propriété industrielle) 1904, p. 154. Zie ook het Frans-Zweeds/Noorse verdrag van 30 december 1881, Recueil des traités (propriété industrielle) 1904, p. 204.
Zie ook Osterrieth & Axster 1903, p. 40.
Zie Kohler 1884, p. 412 en p. 446 e.v. Kohler ontkende dat het merkrecht een territoriaal begrensd monopolie is (zo ook Ladas 1930, p. 14-19, die daarop is teruggekomen, vgl. Ladas 1975, p. 11 e.v.). Later heeft Kohler deze gedachte verlaten, zie ook noot 538 van hoofdstuk 5.
Zie alinea 342 hiervoor.
Actes VP 1880, p. 56 (Procès-verbaux).
Actes VP 1880, p. 107 (Procès-verbaux, opmerking Franse gedelegeerde Jagerschmidt, opsteller van het voorontwerp).
Dit kwam onder de vigeur van het onduidelijk geredigeerde art. 19 van het Frans-Russische verdrag van 20 maart/1 april 1874 nog niet duidelijk uit de verf, zie Actes VP 1880, p. 56 (Procès-verbaux); Recueil des traités (propriété industrielle) 1904, p. 201-202). De hierna in deze alinea geciteerde toevoeging die bijvoorbeeld in het Frans-Zweeds/Noorse verdrag van 30 december 1881 werd gebezigd, maakt het duidelijker.
Vgl. par. 2.1.2.
Verdrag van 30 december 1881, art. 14 (zie Recueil des traités (propriété industrielle) 1904, p. 204). Zie voorts Ladas 1975, p. 51.
Zie hierna par. 4.2.2 onder (b)(i).
341. Voorwaardelijke nationale behandeling. In het merkenrecht lagen de zaken anders. De nationale politiek-economische belangen dicteerden hier een andere koers. Terwijl in het octrooirecht het aantrekken van buitenlandse kennis voorop stond, was men in het merkenrecht er op uit om buitenlandse concurrentie buiten de deur te houden.1 De leidende gedachte was doorgaans dat merkbescherming alleen was weggelegd voor waren die in eigen land waren geproduceerd. Dat trachtte men veelal te bereiken door de bescherming van de nationale merkenwet te beperken tot onderdanen en vreemdelingen die een inrichting van nijverheid of handel op het nationale territoir hebben.2 Door die beperking werden onderdanen en vreemdelingen getroffen die een inrichting van nijverheid of handel in het buitenland hadden, hierna kortheidshalve tezamen aangeduid als 'buitenlandse ondernemers'. Zij konden voor hun waren geen merkbescherming krijgen. Hier deed zich eenzelfde toestand van rechteloosheid voor als in het auteursrecht: een discriminatoir rechtsvacuüm.3 En, net als in het auteursrecht, werd ook hier doorgaans een remedie geboden in de vorm van het beginsel van nationale behandeling onder de voorwaarde van reciprociteit: de nationale merkenwet is van toepassing ten aanzien van buitenlandse ondernemers, mits in het desbetreffende buitenland de merkenwet ook van toepassing is ten aanzien van onze onderdanen.4 Vergelijk artikel 6 van de Franse merkenwet van 1857:
"Les étrangers et les Frangais dont les établissements sont situés hors de France j ouissent également du bénéfice de la présente loi, pour les produits des ces établissements, si, dans les pays ou ils sont situés, des conventions diplomatiques ont établi la réciprocité pour les marques frangaises. 5
342. Materieelrechtelijke valkuilen. Maar daarmee was de positie van de buitenlandse ondernemer zeker niet veiliggesteld. In het materiële merkenrecht zaten nog verschillende valkuilen, die voor hem in de praktijk nadelig uitpakten. Met name fnuikend was het gebrek aan harmonisatie met betrekking tot de vraag wat een merk kan zijn. Wat in het ene land als merk beschermd werd, kon in het andere land geen merk zijn. Zo gebeurde het meer dan eens dat een rechthebbende lijdzaam moest toezien hoe zijn in eigen land beschermde merk in het buitenland straffeloos werd geïmiteerd en hoe van de goodwill werd geprofiteerd.6
343. Materiële-reciprociteitsuitzondering. Ten slotte werd, net als in het auteursrecht, doorgaans een ruime materiële-reciprociteitsuitzondering gemaakt. Zo werd in Frankrijk aangenomen dat de buitenlandse ondernemer onder de Franse wet niet méér merkbescherming kreeg dan hij genoot in zijn eigen land (het land waar hij zijn inrichting van nijverheid of handel had).7 Vaak werd in dit verband de eis gesteld dat het merk in dit andere land werd beschermd.8 Zo eiste de Duitse wet dat bewezen moest worden "dass in dem fremden Staat die Voraussetzungen erfüllt sind, unter welchen der Anmeldende dort einen Schutz für das Zeichen beanspruchen kann", terwijl alsdan een recht werd toegekend "nur insofern und auf so lange, als in dem fremden Staate der Anmeldende in der Benutzung des Zeichens geschützt ist." 9 De buitenlandse ondernemer moest dus een geldig merkrecht hebben in zijn eigen land, en hij kon niet méér merkbescherming krijgen dan hij in eigen land genoot. Men moet in dit verband de destijds gebruikelijke, sterk nationaal-gerichte situatie voor ogen houden.10 Bijvoorbeeld: een Nederlandse fabrikant of handelaar ontwikkelt, gebruikt en registreert een merk eerst in Nederland, waar hij een fabriek of handelsinrichting heeft. Later wenst hij zijn waren ook te exporteren en onder hetzelfde merk op de buitenlandse markt af te zetten, en daarvoor vraagt hij registratie en bescherming in andere landen, waar zijn merk wordt gezien als een 'Nederlands merk'.
344. Bilaterale verdragen; beginsel van nationale behandeling. Net als in het auteursrecht, ontstond ook in het merkenrecht een web van internationale regelingen om rechteloosheid in den vreemde op te heffen en merkenrechtelijke bescherming veilig te stellen.11 Na 1860 kwam een stroom van dergelijke regelingen op gang, vaak opgenomen in handels- en vriendschapsverdragen.12 Doorgaans namen zij het beginsel van nationale behandeling tot uitgangspunt.13
345. Vreemdelingenrechtelijke uitzonderingen. Maar politiek-economische belangen verzetten zich tegen nationale behandeling `pur et simple'. Op het beginsel van nationale behandeling werden daarom vaak belangrijke uitzonderingen gemaakt. Zo werd vaak geëist dat het merk van de buitenlandse ondernemer in zijn eigen land was ingeschreven en dat het daar werd beschermd. Ook werden materiële-reciprociteitsuitzonderingen aangenomen wat betreft belangrijke aspecten van de bescherming, zoals de beschermingsduur en het bestaan van bescherming — uitzonderingen dus op de vreemdelingenrechtelijke component van het beginsel van nationale behandeling, het non-discriminatiebeginsel.14 Deze uitzonderingen, die oorspronkelijk waren ingegeven door de weerzin tegen buitenlandse concurrentie op de eigen markt, werden naderhand vaak gerechtvaardigd door de theorie van het 'personeel statuut' van het merk.15 Het merkrecht werd bestempeld tot een persoonlijkheidsrecht, dat, nadat het eenmaal ergens was ontstaan, overal elders erkenning moest vinden — maar dus ook verregaand afhankelijk (accessoir) was van het lot in zijn land van oorsprong. Kohler heeft die gedachte sterk gepropageerd.16
346. Conflictenrechtelijke uitzondering: `telle quelle'. Naast deze vreemdelingenrechtelijke uitzonderingen werd er soms een conflictenrechtelijke uitzondering op het beginsel van nationale behandeling gemaakt, een uitzondering dus op de conflictregel in dit beginsel. Deze uitzondering betrof de vorm van het merk. Aanleiding voor deze uitzondering was het volgende. De vraag wat een merk kan zijn (welke vorm een merk kan zijn), werd per land verschillend beantwoord, zo kwam hiervoor reeds aan de orde.17 Cijfers konden bijvoorbeeld in Oostenrijk/ Hongarije geen merk zijn, in Frankrijk wel.18 Het probleem werd voor het eerst als prangend ervaren in de relatie tussen Rusland en Frankrijk. In Rusland kon een merk alleen bestaan uit tekens in cyrillisch schrift, zodat bijvoorbeeld uit Frankrijk afkomstige merken in Rusland nooit beschermd zouden kunnen worden.19 De oplossing voor dit probleem werd uiteindelijk gevonden in deeltoepasselijkheid van de lex originis.20 Voor dit aspect van de merkenrechtelijke bescherming werd dan dus, in afwijking van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling, de wet van het andere land (het 'land van oorsprong') toepasselijk verklaard. Dit aspect van de merkenrechtelijke bescherming werd aan de heerschappij van de wet van het land van import onttrokken, en onder de vigeur van de lex originis gesteld. Dépegage dus.21 Zo werd een probleem van in wezen materieelrechtelijke aard — namelijk gebrek aan harmonisatie met betrekking tot de vraag wat een merk kan zijn — ondervangen door een oplossing van conflictenrechtelijke aard. Vooral Frankrijk kwam dit vaak overeen. Een voorbeeld is het handelsverdrag tussen Frankrijk en Zweden/Noorwegen van 1881, waarin werd bepaald:
"(...) que le caractère d'une marque de fabrique frangaise doit être apprécié d'après la loi frangaise, de même que celui d'une marque suédoise ou norvégienne doit être jugé d'après la loi de Suède ou de Norvège." 22
347. Hier zien wij de eerste ontwikkeling van het zogenaamde `telle quelle-beginsel', waarover later in het internationale merkenrecht veel te doen is geweest.23
348. Ontwikkelingsstadia. Tezamen genomen lijkt de tot nu toe bestudeerde ontwikkelingsgang van het beginsel van nationale behandeling in het merkenrecht dus meer op die in het auteursrecht dan op die in het octrooirecht. In het merkenrecht vonden de nationale politiek-economische belangen immers eenzelfde soort uitwerking als in het auteursrecht, en lag het vertrekpunt van die ontwikkelingsgang (dus), net als in het auteursrecht, in het eerste stadium.