Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.3:7.2.3 Termijn voor het indienen en intrekken van een klacht
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.3
7.2.3 Termijn voor het indienen en intrekken van een klacht
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946091:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In een eerder ontwerp van het Wetboek van Strafrecht betrof het een termijn van 3 dagen. Zie hoofdstuk 2, paragraaf 3.2.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 500-501.
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 3, paragraaf 3.3 en hoofdstuk 7, paragraaf 2.5.2.
Zie hierover ook: hoofdstuk 3, paragraaf 4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering is reeds voorgesteld om de klachttermijn te laten vervallen en om de mogelijkheid om de klacht in te trekken te behouden. In hoofdstuk 6, paragraaf 3.2 is gesignaleerd dat deze keuzes aansluiten op de tendens dat het belang van het slachtoffer zwaarder gaat wegen in de strafrechtspleging. De klachttermijn is tot op heden immers juist het aspect van de regeling van klachtdelicten dat niet primair het belang van de getroffene dient. De termijn dient het algemeen belang van een voortvarende rechtspleging en het belang van de dader om niet gedurende een lange periode onderworpen te zijn aan een slachtoffer dat het in zijn macht heeft om vervolging al dan niet te beletten. In hoofdstuk 6, paragraaf 2.2.2 zijn de redenen uiteengezet die de wetgever ziet om de klachttermijn te laten vervallen. Daarbij komt onder meer aan bod dat een slachtoffer meer tijd nodig kan hebben om zijn vrees voor de dader te boven te komen en om het strafbare feit te verwerken voordat hij een klacht wil indienen. Daarnaast wordt terecht opgemerkt dat een klacht niet tot vervolging dwingt en het openbaar ministerie bij de beoordeling van de opportuniteit van de vervolging kan meewegen of onredelijk lang is gewacht met het doen van een klacht. Daarmee wordt het ‘zwaard’ dat de klachtgerechtigde in handen wordt gegeven mettertijd steeds botter. In het licht van deze argumenten kan ik mij vinden in het verdwijnen van de klachttermijn.
Daarnaast kent de wet een termijn voor het intrekken van een eerder ingediende klacht. Het voornemen van de wetgever om deze bepaling – en daarmee de bevoegdheid tot intrekking van de klacht – wel te behouden, past ook bij de verstevigde positie van het slachtoffer in het strafproces. Als onderdeel van de moderniseringsoperatie van het Wetboek van Strafvordering is voorgesteld om de tijdspanne waarin de klacht kan worden ingetrokken, aan te passen naar de meer gangbare periode van 7 dagen. De oorspronkelijke termijn van 8 dagen is tot stand gekomen na mondeling overleg van de minister met leden van de Tweede Kamer.1 Duidelijke onderbouwing voor die termijn ontbreekt, maar centraal stond de wens om gedurende een korte tijdsduur gelegenheid te bieden om klachten in te trekken die in een opwelling waren gedaan.2 Een termijn van 7 dagen beantwoordt ook aan dit doel. De aanpassing naar die meer gangbare termijn is dan ook een stilistische keuze van weinig consequentie, waarmee kan worden ingestemd. Belangrijker is dat ook is voorgesteld om de termijnstelling over te hevelen naar het Wetboek van Strafvordering. Logischerwijs schaar ik mij ook achter dit voorstel nu hiervoor reeds is bepleit dat het klachtvereiste integrale regeling in het Wetboek van Strafvordering verdient.
De keuze voor het laten vervallen van de klachttermijn impliceert mijns inziens wel dat strakker de hand moet worden gehouden aan de vormvereisten voor (het indienen van) een klacht en maakt het wenselijk dat het achteraf herstellen van gebreken lopende de procesvoering zoveel mogelijk wordt beperkt. Aan de regeling van klachtdelicten ligt namelijk de idee ten grondslag dat niet wordt opgespoord en vervolgd totdat de klachtgerechtigde klaagt of te kennen geeft dat een opsporingsonderzoek is gewenst. De huidige lijn in de jurisprudentie houdt echter in dat reeds verrichte opsporing en vervolging acceptabel is indien achteraf kan worden vastgesteld dat tijdig de wens tot vervolging is geuit. Als die lijn wordt gehandhaafd, leidt het verdwijnen van de klachttermijn ertoe dat de klachtgerechtigde tot de verjaring van het klachtdelict op ieder moment (reeds verrichte) opsporing en vervolging kan accorderen door een klacht in te dienen. 3Dit bergt het risico in zich dat politie en justitie simpelweg aan de slag zullen gaan, wetende dat een klacht op ieder moment nog kan worden ingewonnen. Dat strookt niet met de idee dat aan de regeling van klachtdelicten ten grondslag ligt en doet afbreuk aan de functie die deze regeling moet vervullen.4
Onder de streep passen zowel het verval van de ene termijn en het behoud van de andere termijn goed bij de tijdsgeest en de gewijzigde positie van het slachtoffer in de strafrechtspleging. Het schrappen van de klachttermijn leidt echter wel tot de noodzaak om de regeling van klachtdelicten in de praktijk secuur toe te passen en geen opsporing en vervolging te laten plaatshebben voordat een rechtsgeldige klacht is ontvangen. In de navolgende paragrafen wordt meer diepgaand aandacht besteed aan deze problematiek. Daarbij ziet paragraaf 2.4 op de volgordelijkheid der dingen, waarbij centraal staat dat en waarom opsporing en vervolging pas dienen te starten nadat een rechtsgeldige klacht is ontvangen. Daaropvolgend wordt in paragraaf 2.5 het belang benadrukt van minimalisatie van de relativering van de vormvereisten aangaande de klacht.