Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.5:7.2.5 De relativering van vormvereisten voor de indiening van een klacht
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.5
7.2.5 De relativering van vormvereisten voor de indiening van een klacht
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946119:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 2, paragraaf 3.4, 4.1 en 4.5 Zie ook: HR 18 februari 1992, NJ 1992, 545. In de betreffende zaak was sprake van een ondertekende aangifte en een niet-ondertekende klacht, waarna het gerechtshof dit gebrek – dat volledig toe te schrijven was aan de hulpofficier van justitie – passeerde en het openbaar ministerie ontvankelijk achtte. De Hoge Raad casseerde niet.
HR 18 februari 1992, NJ 1992, 545 en HR 14 oktober 1997, NJ 1998/661.
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met het oog op acceptabele opsporing en vervolging van klachtdelicten dient ook aandacht uit te gaan naar de vraag of en in hoeverre de relativering van vormvereisten wenselijk is. De wetgever heeft oorspronkelijk een strenge benadering voorgestaan waarbij secuur invulling diende te worden gegeven aan de formele vereisten voor het indienen van de klacht. Ten tijde van de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 werd het Wetboek van Strafvordering uit 1838 immers zo gewijzigd dat het indienen van de klacht werd genormeerd “op straffe van nietigheid”. Daartoe werd besloten vanwege het grote gewicht dat de klacht, anders dan een aangifte, heeft voor de (on)mogelijkheid tot vervolging. Ook in het Wetboek van Strafvordering dat werd ingevoerd in 1926 zijn de gebreken ten aanzien van het indienen van een klacht met nietigheid bedreigd. Deze sanctie verdween pas in 1996 uit de wet, nadat de Hoge Raad in 1992 het voorgeschreven rechtsgevolg bij gebreken ten aanzien van de klacht reeds had gerelativeerd. 1
In hoofdstuk 3 kwam aan bod dat de vormvereisten die zien op de indiening van een klacht sindsdien in verregaande mate zijn gerelativeerd. De rechter vereist in de praktijk niet langer een klacht die aan alle formele eisen voldoet. Zo behoeft een niet-ondertekende klacht of een klacht die niet is ontvangen door een hulpofficier van justitie niet langer fataal te zijn. Uit de jurisprudentie volgt dat dit soort omstandigheden niet (meer) in de weg staat aan vervolging.2 Ook hoeft een aangifte niet steeds een uitdrukkelijk verzoek tot vervolging te bevatten, terwijl de klacht volgens art. 164 Sv juist daaruit bestaat. Het gaat erom dat daadwerkelijk kan worden vastgesteld dat de klachtgerechtigde bij het doen van aangifte de bedoeling had dat vervolging zou worden ingesteld.3 In de rechtspraak wordt acceptabel geacht dat die bedoeling ook nadien aan de hand van andere bronnen kan worden vastgesteld. Deze benadering lijkt ook de goedkeuring te krijgen van de wetgever nu in de memorie van toelichting bij het ontwerp van het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt verwezen naar de jurisprudentie van de Hoge Raad en dit expliciet als “reparatiemogelijkheid” wordt erkend. Het uitgangspunt blijft dat een verzoek tot vervolging in de aangifte wordt opgenomen, maar dit verzoek kan volgens de wetgever desnoods ook later worden vastgesteld. Zo wordt acceptabel geacht dat pas ter zitting wordt vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling had dat vervolging zou worden ingesteld. 4
Het is verdedigbaar dat formele verzuimen worden gepasseerd indien afdoende blijkt dat de klachtgerechtigde vervolging wenst. De regeling van klachtdelicten strekt immers hoofdzakelijk ter bescherming van het belang dat het slachtoffer kan hebben bij het achterwege blijven van vervolging.
Dit belang is niet (meer ) in het geding indien afdoende kan worden vastgesteld dat de betrokkene de wens heeft geuit dat de dader wordt vervolgd. Dat die wens niet op de rechtens voorgeschreven wijze is ontvangen en vastgelegd maakt dat niet anders. Het vervolgingsbeletsel zou niet optimaal aan zijn doel beantwoorden indien een verdachte profiteert van het uitblijven van vervolging, terwijl duidelijk is dat de klachtgerechtigde rechtsgeldig heeft willen klagen. Toch moeten twee belangrijke kanttekeningen worden geplaatst bij de relativering van vormvereisten.
7.2.5.1 Voorkomen is beter dan genezen7.2.5.2 Het respecteren van de volgtijdelijkheid der dingen7.2.5.3 Resumé ten aanzien van de relativering van vormvereisten