Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/9.3.3:9.3.3 Conclusie
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/9.3.3
9.3.3 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180255:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hetzelfde geldt voor bestuurders van andere rechtspersonen waarop het bepaalde in artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW van overeenkomstige toepassing is.
Rechtbank Groningen 24 november 2010, r.o. 5.1 e.v., ECLI:NL:RBGRO:2010:BO9690.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zowel literatuur als jurisprudentie laten geen eenduidig beeld zien van de verhouding tussen de administratieplicht en de jaarrekeningplicht.
Naar mijn mening moeten beide verplichtingen afzonderlijk worden beoordeeld, waarbij voor wat betreft de vraag naar de mogelijke aansprakelijkheid van bestuurders in geval van faillissement van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap op grond van artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW1 alleen de schending van de administratieplicht relevant is. Dat betekent dat alleen relevant is of binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een balans en een staat van baten en lasten is gemaakt en op papier is gesteld. Wanneer dit niet is gebeurd, is de administratieplicht geschonden. Om aan de vaststelling van kennelijk onbehoorlijk bestuur te ontkomen, kan een beroep worden gedaan op het onbelangrijke verzuim. Wanneer de administratieplicht verder is nageleefd, zou een beroep daarop moeten kunnen slagen.2