Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.5.2.2
II.5.2.2 Accessoriteit
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460455:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bij medeplegen hoeft het niet een ander te zijn, maar kunnen ook de deelnemers ieder een deel van de bestanddelen vervullen.
De Hullu 2018, par. IV.2.
De Jong 2007, par. 4.2 en 4.3; De Hullu 2018, p. 445, Sikkema 2010, p. 65.
Soms kan mislukt deelnemen toch een zelfstandig verwijt opleveren op grond van artikel 46 of 46a Sr. Zie daarover uitgebreid De Hullu 2018, p. 407-412; en Wolswijk 2007b.
Zie verder, Wolswijk 2007a, par. 3.3.
Zie daaromtrent Hornman 2016a, par. II.3.1.
Zie onder veel meer Rb. Limburg 22 november 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:11324, over een vermeend feitelijk leidinggever van een bedrijf dat zaken deed met Edelchemica en Panheel. Omdat het betreffende bedrijf wordt vrijgesproken komt de rechter niet toe aan het daderschap van de bestuurder van het bedrijf. Mogelijk was de route van medeplegen kansrijker geweest. Vergelijkbaar: Rb. Den Haag 20 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:1660 (HSE-medewerker Sterigenics), r.o. 5.3.3.1; Rb. Groningen 2002, ECLI:NL:RBGRO:2002:AE3857 (Ex-directeur ESD) en ECLI:NL:RBGRO:2002:AE3848 (Directeur ESD), ECLI:NL:RBGRO:2002:AE3855 (ESD); Rb. Oost-Brabant 28 november 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:6173. Rb. Rotterdam 7 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1797 (Odfjell treinwagon), M&R 2018/75, m.nt. Velthuis & Lampers.
De Hullu 2018, par. VII.1.7.
Rb. Groningen 2002, ECLI:NL:RBGRO:2002:AE3857 (Ex-directeur ESD) en ECLI:NL:RBGRO:2002:AE3848 (Directeur ESD), ECLI:NL:RBGRO:2002:AE3855 (ESD).
Deelneming is op zichzelf niet strafwaardig; het gaat om deelneming aan een strafbaar feit. Alle deelnemingsvormen hebben daarom een afhankelijk, accessoir karakter: zonder strafbaar grondfeit komt men niet toe aan deelneming. Men spreekt in dit verband daarom ook wel van het ‘accessoriteitsvereiste’. Andersom zorgt dit vereiste ervoor dat bij het aansprakelijk stellen van een deelnemer in ieder geval iemand alle bestanddelen van de delictsomschrijving vervult, waardoor wordt geborgd dat er sprake is van deelneming aan een strafbaar feit.1
Het beoogde strafbare feit hoeft niet voltooid te zijn; ingevolge artikel 78 Sr levert ook een poging tot een misdrijf een strafbaar feit op. Daarom is er bij deelneming aan een poging tot een misdrijf ook sprake van deelneming aan een strafbaar feit, en wordt zodoende ook voldaan aan het accessoriteitsvereiste.2
De Hullu merkt op dat het accessoriteitsvereiste weinig problemen oplevert bij deelnemingsvormen die dicht op het plegen van een strafbaar feit zitten. Bij medeplegen of gelijktijdige medeplichtigheid gaat de deelnemingshandeling hand in hand met het strafbare feit zelf. Accessoriteit kan vooral bij de indirecte deelnemingsfiguren een obstakel vormen, waarbij de deelnemer zelf op enige afstand staat van het feitelijke verrichten van de verboden gedraging.3 Bijvoorbeeld, de uitlokker moet na het zijne gedaan te hebben afwachten of de uitgelokte inderdaad overgaat tot het beoogde strafbare feit. Als het strafbare feit geheel achterwege blijft, bijvoorbeeld omdat de uitgelokte toch stil blijft zitten, wordt dus niet voldaan aan het accessoriteitsvereiste.4 Feitelijk leidinggeven heeft een bijzonder accessoriteitsvereiste; de deelnemingsvorm heeft betrekking op een strafbaar feit dat door een rechtspersoon moet zijn begaan.5
Hornman merkt op dat het accessoriteitsvereiste zelden expliciet aan bod komt.6 Interessant genoeg lijkt er in het milieustrafrecht een ander beeld te bestaan; zeker wanneer het gaat om feitelijk leidinggeven aan een medeplegende rechtspersoon, zijn er geregeld verweren en overwegingen met betrekking tot het daderschap van de rechtspersoon. De aansprakelijkheid van de feitelijk leidinggevers loopt dan ook met enige regelmaat vast op het accessoriteitsvereiste.7
Het accessoriteitsvereiste vergt niet dat andere deelnemers of de hoofddader ook daadwerkelijk vervolgd worden. Er zijn veel redenen denkbaar om ervoor te kiezen alleen de deelnemers te vervolgen, bijvoorbeeld omdat de hoofddader onvindbaar is, of – als het een rechtspersoon betreft – omdat deze failliet is. Het is zelfs niet vereist dat de hoofddader strafbaar en vervolgbaar is. Een voor de hoofddader bestaande persoonlijke strafuitsluitingsgrond, bijvoorbeeld een beroep op afwezigheid van alle schuld, werkt niet door voor de deelnemers. Een deelnemer kan zich wél beroepen op niet-persoonlijk werkende strafuitsluitingsgronden, zoals het bestaan van een rechtvaardigingsgrond.8
Zo heeft de rechtbank Groningen een directeur en een voormalig directeur van chemiebedrijf ESD vrijgesproken van feitelijk leidinggeven van het in strijd met de vergunningsvoorschriften overschrijden van emissienormen, omdat er bij het bedrijf in kwestie sprake was overmacht in de zin van noodtoestand. Het stilleggen van de werkzaamheden zou volgens de rechtbank te grote sociaaleconomische gevolgen hebben voor het bedrijf en diens werknemers, en bij het maken van deze afweging werd ESD gesterkt door de opstelling van Provincie Groningen. De rechtvaardigingsgrond werkte via het accessoriteitsvereiste door naar de leidinggevenden.9