Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.5.2.3
II.5.2.3 Deelneming en opzet
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460281:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Jong 2007, p. 117 e.v.; De Hullu 2018, par. VII.1.6. en VII.2.2.4; Postma 2014, par. I.3.2.
Wolswijk 2007c, p. 198; Postma 2014, p. 11. Overigens ontbreekt in dit voorbeeld ook opzet op het grondfeit.
Rb. Midden-Nederland 19 maart 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2795 (Bedrijfsleider CAV Agrotheek), t.a.v. feit 1, 2 en 3.
Zo is op te maken uit Rb. Midden-Nederland 19 maart 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2794.
Zie o.a. Knigge & Wolswijk 2015, par. 10.3; De Jong 2007, p. 118-119; Postma 2014, par. I.2.3.3 en par. I.3.
Ook de hier niet nader besproken doen pleger wordt gerekend tot de directe deelnemers.
Zie o.a. De Jong 2007, p. 118-119; Knigge & Wolswijk 2015, p. 262-263; Postma 2014, par. I.3.3; De Hullu 2018, p. 449-451, 471.
Een geobjectiveerd bestanddeel is een bestanddeel van een doleus delict dat niet wordt bestreken door het opzet. Zie par. II.2.7.3 onder ‘Reikwijdte van het opzet’ voor voorbeelden en verdere verwijzingen.
Hornman meent dat bij feitelijk leidinggeven, gelet op het generieke karakter van het opzet, de feitelijk leidinggever niet (altijd) zelf hoeft te beschikken over de gekwalificeerde opzet, omdat opzet op de kernbestanddelen van het delict voldoet. Zie o.a. Hornman 2016b, par. 5.3. Deze benadering houdt Wolswijk ook voor als één van de mogelijke interpretaties van opzet bij feitelijk leidinggeven. Wolswijk 2007a, p. 100. Per deelnemingsvorm kunnen er dus verschillende accenten worden gelegd.
HR 20 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZK0235; HR 2 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1313, NJ 1999/554; De Hullu 2018, p. 472; Postma 2014, p. 28-30; Harteveld 2007, p. 170; Knigge & Wolswijk 2015, p. 262. Hornman stelt dat er bij deelneming aan een overtreding naast opzet op de deelnemingshandeling sprake moet zijn van opzet op de gedraging van het delict. Zie Hornman 2016b, p. 135.
Harteveld 2007, p. 169.
De Jong 2007, p. 118 e.v. en Postma 2014, hoofdstuk 1 par. 3; Knigge & Wolswijk 2015, p. 261.
Postma 2014, p. 27. Een uitzondering op die regel is geformuleerd in de zinsnede aan het slot van art. 47 lid 2 Sr en 49 lid 4 Sr; ‘benevens hun gevolgen’. De uitlokker en medeplichtige zijn ook aansprakelijk voor de gevolgen van het strafbare feit zonder dat hun opzet op die gevolgen was gericht. Het beperkte opzet kan natuurlijk wel worden verdisconteerd in de straftoemeting.
Over het antwoord op de vraag of feitelijk leidinggevers bij overtredingen ook opzet moeten hebben op alle bestanddelen van het delict lopen de meningen uiteen. Vergelijk Knigge & Wolswijk 2015, p. 313 en De Valk 2009, p. 430, met Hornman 2016a, p. 71.
Hornman 2016a, p. 71, De Hullu 2018, p. 451; Postma 2014, par. I.3.3.4.
HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2247, M&R 2019/75, m.nt. Tubbing.
De delictsomschrijving van artikel 13 Wbb luidt, kort weergegeven, als volgt: “Ieder die op of in de bodem handelingen verricht (...) en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel (...) de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. (…)”.
De Hullu 2018, p. 450; Knigge & Wolswijk 2015, p. 265-266, 312; Hornman 2016a, p. 72; Postma 2014, par. I.6. Overigens mag uit materieelrechtelijk oogpunt ook het opzet van de pleger erg globaal blijven, de formeelrechtelijke eisen die worden gesteld aan de concretisering van de tenlastelegging maken dat zijn opzet in de praktijk ook gericht moet zijn op de vervullingswijze. Voorwaardelijk opzet kan hierin veel repareren. Zie Postma 2014, par. I. 6.2.
Daarin verschilt ‘globaal opzet’ van ‘voorwaardelijk opzet’, het laatste begrip geeft een gradatie van opzet aan met betrekking tot de gesubjectiveerde delictsbestanddelen, terwijl het globale opzet vooral ziet op de vervullingswijze van de bestanddelen. Postma 2014, p. 95-95, in navolging van Wolswijk 2010, p. 864.
Zie o.a. De Jong 2007, p.119-120. Een illustratiefarrest betreft HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0148, NJ1997/654, waarin de verdachte twee anderen specifiek had geïnstrueerd om een kleurenkopieerapparaat te stelen, maar de anderen terugkwamen met zwart-wit kopieerapparaten.
Zie hieromtrent Postma 2014, par. I.4; De Hullu 2018, p. 451-453, 473; Knigge & Wolswijk 2015, p. 262-266.
De Hullu 2018, p. 452. De Jong 2007, p. 120-121.
Een poging een ander tot een misdrijf te bewegen is mogelijk alsnog strafbaar op grond van artikel 46a Sr.
Door middel van een functionele interpretatie of toerekening zal het echter doorgaans mogelijk zijn om een aantal schakels in de samengestelde deelneming weg te denken. Zie omtrent ‘indirecte deelneming’ De Hullu 2018, par. VII.7.4 en De Jong 2007, p. 115, Sikkema 2010, 65.
Zie bijvoorbeeld Rb. Gelderland 4 december 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6264, M&R 2018/15, m.nt. van Ham; en Rb. Arnhem 12 juli 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX7093; Rb. Midden-Nederland 19 maart 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2794. Een nog grotere opstapeling van deelnemingsvormen is te vinden in Rb. Noord-Nederland 13 juni 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:2140 (Directeur North Refinery), waar medeplegen van feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van een rechtspersoon ten laste is gelegd. Vergelijkbaar: Hof ’s-Hertogenbosch 17 juli 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX2004. Mijns inziens valt het ‘medeplegen van feitelijk leidinggeven’ gewoon binnen de omschrijving van feitelijk leidinggeven.
De Hullu 2018, p. 450, 471, 515-517; De Jong 2007, par. 4.7; zie ook onder nummer 7 en 10 in de annotatie onder HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:24 (concl. A-G Harteveld), AB 2014/339, m.nt. Stijnen.
Zie o.a. De Hullu 2018, p. 450, met verdere verwijzingen.
Deelnemers hoeven niet zelf het subjectieve bestanddeel te vervullen. Daar komt wel wat voor in de plaats: in iedere deelnemingsvorm ligt een zelfstandig opzetvereiste besloten. Strafbaar deelnemen doe je dus niet per ongeluk. Het voor deelneming benodigde opzet heeft meerdere aspecten, men spreekt in dit verband ook wel van ‘dubbel opzet’. Ten eerste moet de deelnemingshandeling opzettelijk zijn verricht; medeplegers werken bewust samen, de uitlokker gebruikt met opzet uitlokkingsmiddelen en de bevordering van het misdrijf geschiedt opzettelijk door de medeplichtige.1 Wolswijk geeft als voorbeeld dat de portier die louter uit onachtzaamheid de winkeldeur vergeet te sluiten. De portier is hier niet medeplichtig, omdat deze niet opzettelijk het strafbare feit heeft bevorderd.2
Ten tweede moet de deelnemer bij misdrijven ook opzet hebben op het grondfeit. Het is mogelijk dat een verdachte wél opzet op een deelnemingshandeling heeft, maar geen opzet op het grondfeit.
Het klassieke voorbeeld luidt dat degene die een sleutel van een pand ter beschikking stelt aan een handlanger om iets te stelen, niet medeplichtig is aan brandstichting wanneer de handlanger in een opwelling het pand in brand steekt. Een illustratief voorbeeld uit de milieustrafrechtspraak is de uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland van 19 maart 2013.3 Deze zaak draaide om een samenwerking van een installatiebedrijf, saneringsbedrijf en bemiddelaar, die een totaalservice aanboden met betrekking tot het vernieuwen van olietanks. Het saneren, verplaatsen en certificeren van de tanks geschiedde in strijd met milieuregelgeving, onder meer omdat het saneringsbedrijf te veel uit handen gaf aan het (voor die werkzaamheden onbevoegde) installatiebedrijf.4 De bemiddelaar regelde het werven van klanten, verzorgde de administratie en gaf saneringscertificaten uit, maar was er niet van op de hoogte (en had dat niet hoeven zijn) dat de vervoerder en de saneerder inadequaat te werk gingen. De bemiddelaar heeft dus weliswaar nauw en bewust bijgedragen aan de verboden gedragingen (dus de deelnemingshandeling was opzettelijk verricht), maar had geen opzet op de tenlastegelegde strafbare feiten.
Per deelnemingsvorm verschilt hoe het opzetvereiste op het grondfeit nader wordt ingevuld. In de literatuur wordt in dit verband een onderscheid gemaakt tussen directe deelnemers en indirecte deelnemers.5 De medepleger is het meeste verwant aan de pleger en wordt getypeerd als een directe deelnemer.6 Daarom gelden voor medeplegen dezelfde subjectieve eisen als voor plegen;7 het delict bepaalt welk soort schuldverband er nodig is. Bij doleuze delicten moet de medepleger dus opzet hebben op alle bestanddelen van het delict. Is een bepaald bestanddeel van een doleus delict geobjectiveerd,8 dan hoeft het opzet van de medepleger dat bestanddeel niet te bestrijken. Als het delict een zwaardere opzetvorm vereist (bijvoorbeeld oogmerk) dan moet dat in beginsel ook aanwezig zijn bij de medepleger.9 Bij culpoze delicten is schuld zijdens de medepleger voldoende. Bij delicten zonder subjectief bestanddeel voldoet opzet op de deelnemingshandeling (het medeplegen).10 In tegenstelling tot objectieve bestanddelen, kunnen de subjectieve bestanddelen van het delict niet worden verdeeld over de medeplegers.11
In de literatuur wordt aangenomen dat deelnemers die op een meer indirecte manier betrokken zijn bij het begaan van het strafbare feit, in beginsel opzet moeten hebben op alle bestanddelen van het delict.12 Tot de categorie indirecte deelnemers behoren in ieder geval de medeplichtige en de uitlokker. In de wettelijke omschrijving van deze deelnemingsvormen is dan ook het woord ‘opzettelijk’ opgenomen.13 Daarom wordt bij medeplichtigen en uitlokkers bij het begaan van een overtreding in beginsel meer opzet vereist dan waartoe de delictsomschrijving dwingt.14 Feitelijk leidinggevers worden ook gerekend tot de categorie indirecte deelnemers; het opzetvereiste van deze deelnemingsfiguur komt nader aan bod in paragraaf II.5.4.4.15
Aangenomen wordt dat de regel dat indirecte deelnemers opzet moeten hebben op alle bestanddelen van het delict, niet geldt voor culpoze delicten en delicten met een geobjectiveerd bestanddeel; in dergelijke gevallen hoeft de deelnemer slechts opzet te hebben op de gedraging van het voorliggende delict.16
Zo blijkt bijvoorbeeld ook uit een recente uitspraak van de Hoge Raad in een asbestzaak.17 De Hoge Raad oordeelt dat er voor het feitelijk leidinggeven aan een rechtspersoon die artikel 13 Wbb18 overtreedt geen opzet nodig is op het bestanddeel “dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd”, omdat blijkens de delictsomschrijving van dit artikel ten aanzien van dat bestanddeel ook “redelijkerwijs had kunnen vermoeden” toereikend is.
Het opzet van deelnemers mag een behoorlijk globaal karakter hebben.19 De deelnemer heeft immers – anders dan de pleger – de gang van zaken niet volledig zelf in de hand; daarom is een iets andere invulling van het grondfeit dan de deelnemer voor ogen stond bij diens opzet ingebakken.20 Het is dus niet vereist dat de deelnemer kennis heeft van de precieze uitvoeringswijze van het delict; een tamelijk algemeen beeld van de mogelijke toedracht van de verboden gedraging, of kennis van soortgelijke strafbare feiten voldoet.21
Het kan natuurlijk gebeuren dat het opzet van de deelnemer en de andere dader sterk uiteenlopen.22 Veel verschillen tussen het opzet van de deelnemer en het daadwerkelijk gepleegde feit worden gladgestreken door voorwaardelijk opzet; de dader wordt dan geacht de kans op hetgeen voorgevallen is op de koop toe te hebben genomen. Wanneer de ander echter een geheel ander strafbaar feit pleegt dan beoogd door de deelnemer ligt dat anders. Grosso modo komt het erop neer dat minder vergaande delicten (bijvoorbeeld mishandeling in plaats van moord) ook worden bestreken door het opzet van de deelnemer, maar dat bij verdergaande delicten (bijvoorbeeld doodslag in plaats van mishandeling) het verwijt wordt beperkt door het eigen opzet van de deelnemer.23 Als er geen gemeenschappelijke kern is tussen het opzet van de deelnemer en het gepleegde feit (bijvoorbeeld brandstichting in plaats van mishandeling) dan wordt niet voldaan aan het voor deelneming benodigde vereiste van opzet op het grondfeit.24
Het vereiste van opzet op het grondfeit speelt een belangrijke rol bij ingewikkeldere samenwerkingsverbanden. Het is namelijk mogelijk om deelneming te stapelen. Bijvoorbeeld, iemand die inlichtingen verschaft die nodig zijn om een ander door middel van beloften aan te zetten tot het met een ander plegen van een misdrijf, is aansprakelijk als medeplichtig aan het uitlokken van het medeplegen van een strafbaar feit.25 Een veelvoorkomende combinatie in het milieustrafrecht is ook het feitelijk leidinggeven aan een medeplegende rechtspersoon.26 Om te bewerkstelligen dat het verband tussen de deelnemer en het gepleegde feit sterk genoeg is en om te voorkomen dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid grenzeloos wordt, moet er ook bij samengestelde deelneming sprake zijn van opzet op de belangrijkste aspecten van het gronddelict.27
In de literatuur lijkt men het erover eens dat voor het deelnemerschap aan een kwaliteitsdelict ook opzet op de kwaliteit nodig is.28 Dus het is bijvoorbeeld alleen mogelijk om iemand aansprakelijk te stellen voor deelneming aan een ambtsdelict, als de deelnemer weet dat de ander een ambtenaar is. Voor het opzet op het grondfeit is geen boos opzet vereist; het is dus niet vereist is dat de deelnemer kennis heeft van het verboden karakter van de handeling waaraan hij deelneemt.