Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.B.9
9. Bedrijfsverplaatsing: einde oneigenlijk gebruik?
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS477349:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 14, indiener: mevrouw Snijder-Hazelhoff. Zie tevens onderdelen A.2.b en A.2.C hiervoor.
Kamerstukken II 1983/1984, 15907, p. 3437 (mondelinge behandeling wetsvoorstel Landinrichtingswet).
Zie in dit kader het jurisprudentieoverzicht opgenomen in onderdeel G.6.j van het vorige hoofdstuk.
H.F.A.M. Schuurmans, ‘Kavelruil’, p. 58 constateert in dit verband het volgende: ‘Met enige regelmaat worden bedrijfiverplaatsingen ingevlochten in een kavelruil.’
Zie onderdeel E.l.d van dit hoofdstuk.
D.W. Bruil, ‘Kavelruil geregeld?’, p. 632-633, is duidelijk in zijn oordeel over art. 85 lid 3: ‘De bedoeling mag goed zijn, maar de regeling is uiterst ondeugdelijk.’
D.W. Bruil, ‘Kavelruil geregeld?’, p. 632-633.
Zie onderdeel A.2.C hiervoor, alsmede B.F. Preller, ‘Kavelruil onder de Wet inrichting landelijk gebied nader beschouwd’. De civielrechtelijke mogelijkheden tot bedrijfsverplaatsing via kavelruil behoeft echter niet te betekenen dat subsidieverlening voor dergelijke transacties altijd mogelijk is: zoals in onderdeel F.5 van dit hoofdstuk zal worden besproken is het, met name wanneer sprake is van een zogenaamde ‘provinciegrensoverschrijdende bedrijfsverplaatsing’, bijkans onmogelijk om in aanmerking te komen voor de (provinciale) subsidie.
ABRS 26 mei 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6834. Zie tevens onderdeel G.6.j van het vorige hoofdstuk.
Aldus B.F. Preller, ‘Kavelruil onder de Wet inrichting landelijk gebied nader beschouwd’.
Stb. 2009, 397 p. 6. Zie tevens onderdeel E.l.g hierna.
Stb. 2009, 397 p. 7. Het andere element waarde KNB opheldering over vroeg is de toetredersregeling uit art. 85 lid 2 WILG. Zie onderdeel B.2 van dit hoofdstuk.
In lid 3 van artikel 85, een artikellid dat bij amendement1 in de wet terechtgekomen is, is bepaald dat een bedrijfsverplaatsing door middel van een kavelruil mogelijk is. Dit is een breuk met het verleden: onder het regime van de Landinrichtingswet gold dat bedrijfsverplaatsingen niet binnen een kavelruil konden plaatsvinden, aangezien dit per definitie niet leidde tot een objectieve verbetering van de inrichting van het landelijk gebied. Inzet van kavelruil als middel om een bedrijfsverplaatsing (fiscaal) te faciliteren en te subsidiëren, ging de wetgever destijds te ver: ‘oneigenlijk gebruik’ van de kavelruil luidde dan ook het oordeel.2 Dit bleek ook uit diverse gerechtelijke uitspraken.3 De in de praktijk gehanteerde methode om, in geval van een gehele bedrijfsverplaatsing ook de kavelruil in te zetten voor de aankoop van het vervangende bedrijf elders, werd niet geaccepteerd door de ABRS.4 Zulke transacties stonden los van het verkavelings- en ruilproces met betrekking tot het ‘achtergelaten bedrijf en konden, ondanks het feit dat dit laatstgenoemde bedrijf wel met gebruikmaking van een kavelruil werd vervreemd, evengoed buiten een kavelruil plaatsvinden.
Thans is de deur voor bedrijfsverplaatsingen binnen een kavelruil wijd opengezet. Niet zozeer omdat artikel 85 lid 3 dit expliciet vermeldt, maar meer omdat sinds de invoering van de WILG de ‘objectieve verbeteringseis’ is vervallen, 5 waardoor het in de rechtspraak ontwikkelde standpunt dat een bedrijfsverplaatsing per definitie niet leidt tot een objectieve verbetering van de inrichting van het landelijk gebied niet langer gevolgen heeft voor de geldigheid van de kavelruil.
Wat is, gezien het vorenstaande, dan nog de zelfstandige zin van artikel 85 lid 3? Bruil is van mening dat artikel 85 lid 3 niets toevoegt aan het eerste en tweede lid en enkel vragen oproept.6 Is een bedrijfsverplaatser niet gewoon een partij die onroerende zaken inbrengt en vervolgens met een zak geld naar elders vertrekt, zodat hij gewoon onder het eerste dan wel tweede lid kan vallen. En hoe verhoudt het derde lid zich tot het eerste en tweede lid van artikel 85 (de definitie van kavelruil en de toetredersregeling): is het derde lid een aanvulling of een uitzondering?7
De vermelding in artikel 85 lid 3 dient, aldus Preller, om de laatste onduidelijkheden die op dit terrein nog zouden kunnen bestaan weg te nemen: onder de WILG kan ook het ‘nieuwe’ bedrijf bij de kavelruil worden betrokken.8 Uitspraken à la ‘kavelruil Nieuwkoop’, 9 waar geoordeeld werd dat aankoop van een vervangend bedrijf niet voldeed aan doel en strekking van de wet (het vervangende bedrijf lag in Groningen, zodat van samenvoegen als bedoeld in artikel 17 Liw geen sprake was), behoren hierdoor definitief tot het verleden. Verwerving van een ander (geheel) bedrijf door de verplaatser kan derhalve via kavelruil plaatsvinden.
Gezien het standpunt van Preller is het opvallend dat de tekst van artikel 85 lid 3 enkel spreekt van ‘gronden van het achtergelaten bedrijf die worden gebruikt om te ruil worden samengevoegd en verkaveld. Gezien het beoogde doel van het amendement en mede gezien de (terechte) kritiek van Bruil ten aanzien van de inhoud van het artikellid, had in de wettekst ook expliciet moeten worden vermeld dat de verwerving van (de onroerende zaken van) het nieuwe bedrijf door de verplaatser onderdeel kan uitmaken van de kavelruilovereenkomst. Bovendien had het woord ‘gronden’ moeten worden vervangen door de woorden ‘onroerende zaken’.10
Naar mijn mening heeft artikel 85 lid 3 enkel toegevoegde waarde indien de wettekst tevens had gerept over de mogelijkheid tot het betrekken van het nieuwe bedrijf in de kavelruil, waarna de ‘samenvoeging’ en vervolgens de verkaveling plaatsvindt. Ik kan mij derhalve zowel in de kritiek van Bruil als in de redenatie van Preller vinden, maar acht de wettekst thans onvoldoende duidelijk geformuleerd om opname in de wet te kunnen legitimeren. De door de minister gegeven uitleg in de Nota van Toelichting bij het Besluit inrichting landelijk gebied, inhoudende dat de afstand tussen de te ruilen kavels voor het instrument kavelruil niet van belang is en dat er bij kavelruilen waarbij over grote afstand wordt geruild sprake is van ‘objectieve verbetering’ zodra voldaan is aan artikel 85 WILG en 31a RILG, 11 is in dit verband duidelijker dan de wettekst van artikel 85 lid 3. De praktijk zal derhalve, met de tekst van de Nota van Toelichting in de hand, geen hinder ondervinden van de onvolledige tekst en daardoor enigszins onbestemde functie van het artikellid.
Opvallend is overigens dat de minister in de Nota van Toelichting eveneens opmerkt niet te zijn ingegaan op een voorstel van de KNB om nadere regels te stellen voor (onder meer) de bedrijfsverplaatsing.12 De minister acht de in de WILG opgenomen criteria voor kavelruil voldoende onderscheidend. Met een kwalitatief goede en inhoudelijk volledige wettekst zou aan dit oordeel niet kunnen worden getwijfeld, maar het moge duidelijk zijn dat dit thans niet (geheel) het geval is.