Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.6.5.4
6.6.5.4 Problemen bij de beoordeling of een Europese subsidie en de nationale co-financiering moeten worden aangemeld
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS400783:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Denk aan Europese subsidies die aan natuurlijke personen worden verstrekt.
Zie hieromtrent hoofdstuk 5, paragraaf 5.5.6.3.
Dit geldt bijvoorbeeld voor de ELFPO-subsidies. Zie hieromtrent hoofdstuk 5, paragraaf 5.5.6.3.
Zo hebben decentrale overheden de Omnibus Decentraal Regeling opgesteld die door de Europese Commissie is goedgekeurd. Op grond van deze regeling is het mogelijk om EFROsubsidies te verstrekken voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie en ter bevordering van risicokapitaalinvesteringen in kleine en middelgrote ondernemingen. Uit interviews is gebleken dat ieder nationaal uitvoeringsorgaan dat is belast met de verstrekking van EFRO-subsidies ervoor zorgt dat de verstrekking van deze subsidies binnen de kaders van de Omnibus Decentraal Regeling valt.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.5.6.3.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.5.6.3.
Dat moet worden aangenomen dat op de verstrekking van Europese subsidies en de nationale cofinanciering door nationale uitvoeringsorganen de Europese staatssteunregels van toepassing zijn, betekent niet dat daarmee vaststaat dat in alle gevallen sprake zal zijn van staatssteun en aanmelding moet plaatsvinden. In sommige gevallen zijn de staatssteunregels bijvoorbeeld niet van toepassing omdat het niet gaat om subsidieverstrekking aan een onderneming.1 Ten tweede bestaat de mogelijkheid dat weliswaar sprake is van staatssteun, maar de steun niet behoeft te worden aangemeld op grond van de-minimis- dan wel vrijstellingsverordeningen.2 Ten derde volgt soms uit de Europese subsidieregelgeving zelf dat aanmelding bij de Europese Commissie niet noodzakelijk is.3 Ten vierde melden Nederlandse bestuursorganen in sommige gevallen een Nederlandse subsidieregeling aan bij de Europese Commissie en zorgen zij ervoor dat de verstrekking van de Europese subsidies en de nationale cofinanciering binnen deze aangemelde regeling valt.4
Hoewel het voorgaande overzichtelijk klinkt, levert de beoordeling of sprake is van staatssteun en zo ja of deze steun moet worden aangemeld nationale bestuursorganen en ook de nationale rechter veel hoofdbrekens op.
Dit geldt allereerst voor de uitvoering van het ELFPO. In de Europese subsidieregelgeving is bepaald dat indien de Europese subsidie wordt verstrekt op basis van een OP geen sprake is van staatssteun. In hoofdstuk 5 is al aan de orde gesteld dat in bepaalde gevallen landbouwers toch als gewone ondernemers moeten worden beschouwd.5 Daarbij is ingegaan op het voorbeeld dat een landbouwer een subsidie krijgt voor windmolens, maar meer produceert dan hij voor zijn landbouwbedrijf nodig heeft. Indien hij de overtollige energie verkoopt, opereert hij strikt genomen niet langer als landbouwer maar als ondernemer. Niet duidelijk is in hoeverre het nationaal uitvoeringsorgaan de subsidie die is verstrekt voor de overtollige productie moet aanmelden als staatssteun. Probleem hierbij is, dat lastig valt uit te maken voor welk bedrag de subsidie als staatssteun moet worden aangemerkt. Een deel van de subsidie zal immers zijn besteed aan constante kosten.
De tweede categorie Europese subsidies waarbij vragen spelen omtrent de toepasselijkheid van de Europese staatssteunregels zijn de Europese subsidies die doorgaans uiteindelijk niet ten goede komen aan ondernemers. Het gaat om Europese subsidies die worden bekostigd uit het ESF, de migratiefondsen, Een Leven Lang Leren, Jeugd in Actie en sommige landbouwsubsidies. De Europese Commissie lijkt zich op het standpunt te stellen dat de Europese staatssteunregels niet van toepassing zijn, omdat het in de meeste gevallen gaat om de uiteindelijke begunstiging van de werknemer, de migrant of de leerling.6 Zij zijn eindbegunstigden. Nederlandse bestuursorganen passen om dezelfde reden de staatssteunregels niet toe. In Nederland zouden specifieke problemen kunnen optreden in het kader van de o&o-fondsen. Deze fondsen dienen ten behoeve van scholing van de werknemers van een hele bedrijfstak een EsF-subsidieaanvraag in bij het Agentschap szw en laten de opleidingen in sommige gevallen vervolgens verzorgen door een door henzelf opgerichte onderneming. Hoewel zij bij de selectie van de ondernemingen die de cursussen verzorgen de aanbestedingsregels moeten naleven, blijkt het in de praktijk vrij eenvoudig om ervoor te zorgen dat alle opdrachten door de eigen onderneming worden 'gewonnen'. Commerciële ondernemingen maken in dat geval geen kans. Door deze praktijk wordt de concurrentie wel degelijk vervalst.