Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.4.4:6.3.4.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.4.4
6.3.4.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS605439:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik zou de hiervoor bedoelde splitsing van de verbondenheidsbegrippen in art. 3.30a Wet IB 2001 als volgt willen vormgeven.
In verband met de facilitaire functie stel ik voor om de ‘eigen kring’ van natuurlijke personen die nauw zijn verbonden met de belastingplichtige, af te bakenen tot de ‘partner’ als bedoeld in art. 1.2 Wet IB 2001 en een minderjarig ‘kind’. Dit partnerbegrip is minder ruim dan het begrip dat thans wordt gehanteerd in art. 3.30a Wet IB 2001, omdat het alleen de ongehuwde samenwoners omvat die uitdrukkelijk hebben gekozen om fiscaalrechtelijk als ‘partner’ te worden aangemerkt en in dit verband ook aan bepaalde voorwaarden voldoen. De ruimere, alternatieve samenwoonsituaties als bedoeld in art. 3.30a lid 9 Wet IB 2001 passen naar mijn mening wel bij een antiontgaansbepaling, maar niet bij een faciliteit zoals de afzwakking van de afschrijvingsbeperking.
Voorts zou ik op basis van de facilitaire functie een hogere grens willen stellen voor de lichamen waaraan onroerende zaken ter beschikking worden gesteld, en die kunnen worden gerekend tot de eigen kring ofwel het ‘concern’ van de belastingplichtige. In dit verband stel ik de volgende materieel-economische benadering van dit verbondenheidsbegrip voor:
Er geldt een materieel-economische benadering, waarbij met name belang wordt gehecht aan feitelijke organisatorische en economische verbondenheid. Dat wil zeggen, dat een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend op een lichaam.
Voor aandelenvennootschappen bestaat een tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid: bij het bezit van meer dan 50% van de stemrechten in een aandelenvennootschap wordt verbondenheid verondersteld. Op basis van een tegenbewijsmogelijkheid kan echter door belastingplichtigen worden aangetoond dat ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 50%-criterium, in feite toch sprake is van organisatorische en economische verbondenheid. Voorts kan de fiscus stellen dat in feite geen sprake is van een beleidsbepalende invloed, ondanks het bezit van meer dan 50% van de stemrechten.
Ten aanzien van de verbondenheid van een natuurlijke persoon met een lichaam worden de belangen gehouden door diens ‘partner’ en kinderen meegeteld bij de beoordeling van het bedoelde vermoeden.
In hoofdstuk 7 werk ik dit begrip ‘concern’ nader uit, waarbij ik ook inga op de wijze waarop in dit verband moet worden omgegaan met alternatieve bezitsvormen van aandelen, zoals certificaten van aandeel en optierechten.
Met het oog op de antiontgaansfunctie van de verbondenheidsbegrippen in art. 3.30a lid 6 en 7 Wet IB 2001 kan worden aangesloten bij de begrippen ‘verbonden persoon’ en verbonden lichaam als bedoeld in art. 3.91 en 3.92 Wet IB 2001. Ten opzichte van de huidige regeling van art. 3.30a Wet IB 2001 zal het begrip ‘verbonden persoon’ dan een grotere reikwijdte hebben, omdat dan ook de ruimere kring van verbonden personen in acht wordt genomen. Voorts geldt ten aanzien van dit begrip geen keuzemogelijkheid voor de kwalificatie als partners. Beide aspecten doen naar mijn mening recht aan de antiontgaansfunctie.
Wat betreft de antiontgaansfunctie van het begrip ‘verbonden lichaam’ stel ik voor om hiervoor een 331/3%-criterium te hanteren. Hierdoor worden alleen aandeelhouders met belangrijke zeggenschap in de vennootschap onder reikwijdte van de maatregel gebracht, hetgeen naar mijn mening resulteert in een meer evenwichtige benadering. Ik werk de contouren van dit aangepaste begrip ‘verbonden lichaam’ nader uit in paragraaf 6.3.6.