Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/8.5.1
8.5.1 Uitsluitend of mede?
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS414396:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 18 Verdrag, tweede zin: 'This mle shall not apply where appearance was entered solely to contest the jurisdiction,
Art. 18 Verdrag, tweede zin: 'Dies gilt nicht, wenn der Beklagte sich nur einhLit, um den Mangel der Zusandigkeit geltend zu machen,
Art. 18 Verdrag, tweede zin: `Cette règle n'est pas applicable si la comparution a pour objet de contester compétence,
AG Slynn voor HvJ EG 24 juni 1981, zaak 150/80, Elefanten Schuh/Jacqmain, Jur. 1981, p. 1694, NJ 1981, 546.
Pocar, RabelsZ 1978, p. 424; Roeivink, Adv. Bl. 1974, p. 245 met weergave Italiaanse versie; Ras, TvP 1975, p. 898; Blilow-Biickstiegel-Milller, Rechtsverkehr p. 606-156; Droz, Compétence Judiciaire, p. 138; anders: Krings, Preadvies NVIR 1978, p. 122.
Onduidelijk is Rb. Utrecht 6 februari 1974, NJ 1974, 449 (hoewel Billow-Biickstiegel-Milller, p. 606156 hieruit concludeert dat de rechtbank betekenis zou toekennen aan het woord `uitsluitend'); subsidiair verweer ten gronde aanvaard in: Corte di Cassazione, 10 november 1977, Serie D I-17.1.1- B 6. RvK Brussel 18 augustus 1977, Krings Preadvies NV1R 1978, p. 122; zie verder de uitspraken van RvK Brussel 9 mei 1978, vermeld bij Van der Elst/Weser, D.i.p., Deel II, p. 284 en J.T. 1983, p. 207 met diverse verwijzingen naar Belgische rechtspraak, die rechtsmacht op grond van art. 18 EEX aanvaardden hoewel mede (subsidiair) ten gronde op de zaak was ingegaan. Verweer ten gronde naast exceptie werd toegelaten door: Rb. Rotterdam 30 januari 1976, NJ 1978, 460 (verweer ten gronde voorzover het incident houdende onbevoegdheid zou worden verworpen); Rb. Roermond 31 oktober 1974, NJ 1975, 405 (subsidiair verweer ten gronde) en Rb. Amsterdam 13 mei 1975, NJ 1976, 323; Rb. Amsterdam 16 november 1977, NJ 1978, 473. Zie ook Verheul, Rechtsmacht, Deel I, p. 106.
HvJ EG 24 juni 1981, zaak 150/80, Elefanten Schuh/Jacqmain, Jur. 1981, p. 1671, NJ 1981, 546, r.o. 15.
HvJ EG 22 oktober 1981, zaak 27/81, Rohr/Ossberger, Jur. 1981, p. 2431NJ 1982, 144; HvJ EG 31 maart 1982, zaak 25/81, Jur. 1982, p. 1189NJ 1982, 281 (` Codicilzaak'); HvJ EG 14 juli 1983, zaak 201/82, Gerling/Tesoro dello Stato Jur. 1983, p. 2503, NJ 1984, 716.
Rb. Arnhem 30 juli 1981, NJ 1982, 464; Hof Leeuwarden 4 april 1984, NJ 1984, 745 bepaalt dat er geen plicht bestaat tot het voeren van verweer ten gronde; Hof Leeuwarden 10 december 1986, NJ 1987, 1012, NIPR 1987, 278; Rb. Alkmaar 3 september 1987, NIPR 1988, 385; Rb. Amsterdam 16 januari 1991, NIPR 1991, 465 en OLG Hamm 20 januari 1989, NJW 1990, p. 652; Rb. Rotterdam 31 mei 2001, NIPR 2001, 305; Rb. Breda 1 juni 2005, NIPR 2005, 267; Hof Bergen 12 mei 2003 in Cass. 28 april 2006, Pro-Pak International BV/Liecopotatoes, http://www.cass.be, (24 mei 2006), JT 2006, afl. 2633, 507; Hof 's-Gravenhage 7 juli 2005, NIPR 2006, 44. Zie ook Polak, TCR 2003, p. 97 met een bespreking van de verhouding tussen art. 24 EEX-V°/18 Verdrag en het nationale Nederlandse recht.
Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, suppl. 304 (juli 2006), p. A-a-507; Kropholler, EZPR, p. 322, nr. 11.
Polak, TCR 2003, p. 98.
Hof Leeuwarden 4 april 1984, NJ 1984, 745; Hof 's-Gravenhage 5 maart 1998, NJ 1998, 864; Polak, TCR 2003, p. 99; Polak 2005, (T&C Rv), art. 11 Rv, aant. 3; Van Maanen 2005, (T&C Rv), art. 208 Rv, aant. le en 2a.
Bevoegdheid van het gerecht op grond van art. 18 Verdrag kan niet worden aangenomen, indien de verschijning uitsluitend ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten. De taalversies van het EEX zijn op dit punt evenwel niet identiek. De Nederlandse tekst stemt overeen met de Engelse,1 Duitse2 en Italiaanse. In de Franse3 en Ierse versie ontbreekt het woord 'uitsluitend'4 Aangezien de versies van het Verdrag in iedere taal even authentiek zijn, rees de vraag welke versie in casu de voorkeur verdient. Met andere woorden: komt betekenis toe aan het woord 'uitsluitend'?
Voordat het Hof van Justitie zich in 1981 over deze vraag uitsprak, nam de doctrine in overwegende mate aan dat aan 'uitsluitend' geen betekenis toekomt.5 De rechtspraak was niet eensluidend.6 Het Hof van Justitie heeft in het arrest Elefanten Schuh/Jacqmain7 de knoop doorgehakt. De cruciale rechtsoverweging luidt als volgt:
`De betwisting van de bevoegdheid kan evenwel slechts het door art. 18 daaraan verbonden gevolg hebben, indien de verzoeker en de aangezochte rechter reeds bij het eerste verweer van de verweerder kunnen begrijpen dat de verweerder beoogt de bevoegdheid van de rechter te betwisten.'
Het Hof van Justitie heeft dit oordeel sindsdien herhaalde malen bevestigd.8 Deze jurisprudentie is in de nationale rechtspraak verankerd.9 Uiteindelijk heeft art. 24 EEX-V° deze rechtspraak gecodificeerd door het weglaten van het woord 'uitsluitend' .10
Uit art. 24 EEX-V°/18 Verdrag moet worden afgeleid dat de verweerder kan volstaan met een enkele betwisting van de onbevoegdheid. Er mag geen verplichting zijn om tevens ten gronde te concluderen. Dat leid ik onder art. 18 Verdrag vooral af uit het woord `uitsluitend'. In zoverre acht ik art. 39 ZPO daarom in strijd met art. 24 EEX-V°/18 Verdrag, omdat deze bepaling de verplichting oplegt om mede ten gronde te concluderen. Zoals Polak terecht opmerkt, is uit art. 11 Rv niet af te leiden dat de verweerder mag volstaan met een bevoegdheidsverweer.11 Ook andere bepalingen, zoals de art. 128 en 208-209 Rv, kennen geen voorschrift die een verweerder ontslaat van de 'verplichting' mede ten gronde te concluderen. De enige duidelijke aanwijzing is te vinden in art. 9 aanhef en sub a Rv die voor het commune internationaal bevoegdheidsrecht bepaalt dat de verschijning uitsluitend tot doel mag hebben de bevoegdheid te betwisten. Deze bepaling heeft echter geen betrekking op het verschijnen binnen het toepassingsbereik van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag. In de lagere rechtspraak en literatuur is overigens aanvaard dat de verweerder het recht heeft uitsluitend verweer tegen de bevoegdheid te voeren.12