Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/5.8.1
5.8.1 Reactie op de gevolgen van de Fraudewet: Ombudsman en de Inspectie SZW (2014)
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258959:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
CRvB 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754, AB 2015/8, m.nt. R. Stijnen.
Brief Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2014, Aanpassing fraudebestrijding in sociale zekerheid 2014.
Geen fraudeur, toch boete 2014, p. 36-37.
Geen fraudeur, toch boete 2014.www.nationaleombudsman.nl/nieuws/2014/ombudsman-fraudewet-pakt-goedwillende-burgers-aan-als-criminelen.
De boete belicht 2014, p. 8.
De boete belicht 2014, p. 9, 16.
De boete belicht 2014, p. 18-19.
Nederlandse rapportage Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten 2018.
De boete belicht 2014, p. 24. Er werd verwezen naar de uitspraak Rechtbank Rotterdam, 27 maart 2014 ECLI:NL:RBROT:2014:2157, welke in hoger beroep bij de CRvB werd bekrachtigd (ECLI:NL:CRVB:2015:2391).
Een maand na de uitspraak van de CRvB, namelijk op 4 december 2014, heeft de Ombudsman een rapport 2014/159 uitgebracht met de titel Geen fraudeur, toch boete. Een onderzoek naar de uitvoering van de Fraudewet. In dat rapport werd de hiervoor behandelde uitspraak van de CRvB1 een belangrijke en richtinggevende uitspraak genoemd. Uit het onderzoek kwam naar voren dat naast misbruik van de sociale zekerheid er in de praktijk ook andere redenen waren waarom mensen niet aan de inlichtingenplicht (konden) voldoen.2 Ook was de Ombudsman van mening dat de boeten disproportioneel waren voor mensen die geen fraude hadden beoogd bij het overtreden van de inlichtingenplicht. Dit was de categorie mensen die zich hadden vergist, die niet konden bewijzen dat de uitvoeringsorganisatie een fout had begaan, die niet over de juiste informatie beschikten of door omstandigheden een paar dagen te laat waren met het doorgeven van informatie. Deze mensen werden net zo zwaar beboet als de ‘hardnekkige en calculerende’ fraudeurs. De boeten konden daarom ook een averechts effect hebben voor de motivatie om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer (aan het werk te gaan) en dit werd versterkt doordat de overtreders werden uitgesloten van schuldhulpverlening wegens fraude. Ook werd de beslagvrije voet bij recidive niet meer gerespecteerd.3 De samenleving vroeg om een systeem om fraudeurs streng te straffen, maar de Fraudewet was daar niet het antwoord op volgens de Ombudsman. De Fraudewet richtte zich namelijk alleen op het uitdelen van hogere boeten en niet op het verhogen van de opsporingscapaciteit of op het instellen van slimmere opsporingsmethoden.4
Uit het rapport De Boete Belicht van de Inspectie SZW kwam een handhavingspraktijk naar voren die niet bepaald positief stond tegenover de Fraudewet. In 2014 voerde de Inspectie een onderzoek uit naar de handhaving van de Fraudewet door de uitvoeringsorganen. Het onderzoek had betrekking op de handhaving van de inlichtingenplicht en volgde het proces van handhaving tot en met het opleggen van boeten, zoals dat bij de gemeenten, het UWV en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) werd uitgevoerd. De Inspectie constateerde dat er verschillen waren in beleid en uitvoering tussen de uitvoeringsinstellingen en ook binnen de eigen uitvoeringsorganisaties was er niet altijd een uniforme uitvoering.5 De gemeenten legden bijvoorbeeld naar het oordeel van de Inspectie te weinig en te lage boeten op. De SVB had een boeteberekeningswijze die niet binnen de Fraudewet paste. Bij de uitvoerders bestond weerstand tegen de hoge boeten (ze werden disproportioneel en arbeidsintensief gevonden), maar er werd weinig gebruikgemaakt van de mogelijkheden om de boete op grond van verminderde verwijtbaarheid of dringende redenen te matigen.6 Het bleek dat in de praktijk (vooral bij gemeenten) de begrippen ‘dringende redenen’ en ‘verminderde verwijtbaarheid’ niet goed werden toegepast, vooral vanwege onbegrip over de invulling van de begrippen. Uit interviews bleek dat de toepassing van het evenredigheidscriterium door het UWV niet veel voorkwam, omdat het moeilijk was daarvoor argumenten te vinden.7 Ook het overgangsrecht werd als factor genoemd om het lage aantal boeten in verhouding tot de geconstateerde fraudegevallen te verklaren. De boeten zouden ook voor gevallen van vóór de inwerkingtreding van de Fraudewet moeten worden opgelegd, maar dit bleek in strijd te zijn met het EVRM en IVBR,8 omdat de strafmaat met terugwerkende kracht werd verhoogd.9