Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.5.6
4.5.6 Bescherming van het doelgebonden vermogen bij ontbinding en vereffening
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS388544:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor voorbeelden van verzoeken tot ontbinding van een stichting door het Openbaar Ministerie op grond van artikel 2:301 lid 1 BW: Rensen 2017.
HR 12 mei 2000, JOR 2000/145 (Geestelijk Leider), met noot Blanco Fernández. De Hoge Raad overwoog echter dat niet was gebleken dat de oprichters de statutaire positie van de Geestelijk Leider niet zouden hebben gewild.
Dit staat nu in de wet maar volgde reeds uit de parlementaire geschiedenis bij de WS 1956:Handelingen II 1955-156, 9de vergadering 26 oktober 1955, p. 2117.
Nethe 2013, p. 210-211.
Uit de parlementaire geschiedenis bij de WS 1956 volgt dat als de statuten niets bepalen slechts de Staat en niet de vereffenaars kunnen beslissen over bestemming van het batig saldo; een dergelijke beleidsbeslissing behoort niet tot hun taak, aldus Minister Donker (Kamerstukken II 1954-1955, 3463, nr. 4, p. 10).
Zie ook Van der Ploeg 2011, p. 95. Van der Ploeg: “de kans dat een batig saldo bij ontbonden stichtingen in strijd met de statuten, eventueel in strijd met het uitkeringsverbod, wordt bestemd is niet klein. De overheid geeft op deze wijze weinig garantie dat de bedoelingen van de oprichters en schenkers, met name bij goede doelstichtingen, worden gerespecteerd.”
Stichtingsorganen kunnen besluiten tot ontbinding van de stichting. Daarnaast biedt de wet de mogelijkheid van ontbinding door de rechtbank. Ontbinding door de rechtbank is onder meer mogelijk indien het vermogen van de stichting onvoldoende is voor de verwezenlijking van het doel, indien het doel van de stichting is bereikt of indien het niet meer kan worden bereikt en doelwijziging niet in aanmerking komt (artikel 2:301 BW). Een verzoek tot ontbinding kan worden ingediend door een belanghebbende of door het openbaar ministerie.1 De rechtbank kan ook ambtshalve de stichting ontbinden tegelijk met de afwijzing van een verzoek tot statutenwijziging (waaronder doelwijziging) (artikel 2:301 lid 2 BW).2 Indien er vermogen aanwezig is, wijst de rechtbank vereffenaars aan.
De statuten bepalen welk orgaan kan besluiten tot (vrijwillige) ontbinding van de stichting. De statuten dienen bovendien volgens artikel 2:286 lid 4 sub e BW de bestemming van het batig saldo na vereffening van de stichting of de wijze waarop de bestemming zal worden vastgesteld, te bevatten. In de WS 1956 stond een dergelijke bepaling nog niet, maar in de praktijk werd in de statuten reeds toen een regeling opgenomen teneinde te voorkomen dat het batig saldo, bij gebreke aan gerechtigden, aan de Staat verviel. De regel dat het batig saldo vervalt aan de Staat indien niemand recht heeft op het overschot geldt nog steeds op grond van artikel 2:23b lid 1 BW, dat voor alle rechtspersonen geldt. De Staat is gehouden het overschot zo veel mogelijk overeenkomstig het doel van de stichting te besteden.3
Bestemming van het batig saldo
De statuten kunnen direct aanwijzen wie gerechtigd zijn tot het liquidatiesaldo of indirect de bestemming regelen door een orgaan aan te wijzen dat mag bepalen hoe het batig saldo besteed wordt.4 Het ligt voor de hand te bepalen dat het orgaan dat volgens de statuten tot ontbinding kan besluiten eveneens bevoegd is om het eindsaldo te bestemmen, maar noodzakelijk is dit niet.5 Op grond van artikel 2:23b leden 2 tot en met 4 BW stellen de vereffenaars een rekening en verantwoording en een plan van verdeling op. Deze worden beschikbaar gesteld via de stichting zelf en via het handelsregister, welke ter inzage legging vervolgens wordt aangekondigd. Van der Ploeg merkt op dat belanghebbenden deze aankondiging vaak niet zien.6
Vaak bevatten de statuten een opdracht of aanwijzing aan de vereffenaars, bijvoorbeeld dat het saldo moet worden overgedragen aan een rechtspersoon met hetzelfde of een aanverwante doelstelling. Indien een dergelijke opdracht of aanwijzing niet in de statuten opgenomen is, zou het bestuur bij besluiten tot verdeling en uitdeling niettemin alle bij de stichting betrokken belangen dienen af te wegen, waaronder de belangen en de gerechtvaardigde verwachtingen van derden. Daarbij speelt het doel van de stichting die wordt ontbonden mijns inziens ook een belangrijke rol.
Rol van de raad van toezicht
Als het stichtingsbestuur het enige orgaan is, zal het bestuur op grond van de statuten het orgaan zijn dat kan besluiten tot ontbinding. Indien de stichting een raad van toezicht heeft ingesteld, zou de raad van toezicht in de statuten als bevoegd orgaan aangewezen kunnen worden. De bevoegdheid te besluiten tot ontbinding is echter een zware bevoegdheid en de vraag kan worden gesteld of de zelfstandige bevoegdheid om te kunnen besluiten tot ontbinding en, in aanvulling daarop, tot vereffening van het stichtingsvermogen en bestemming van het batig saldo, passen bij de toezichthoudende taak.
Indien er een raad van toezicht is ingesteld ligt het mijns inziens voor de hand om de bevoegdheid tot ontbinding aan het bestuur toe te bedelen, maar de raad middels een voorafgaande goedkeuringsbevoegdheid bij het ontbindingsbesluit en het plan van verdeling te betrekken. Aangezien betrokkenheid van de raad van toezicht bij dergelijke belangrijke besluiten voor alle stichtingen relevant is, zou de wet dienen te bepalen dat, indien er een raad van toezicht is ingesteld, deze het besluit tot ontbinding en vaststelling van het plan van verdeling moet goedkeuren. De raad van toezicht zal dan dienen te toetsen of het bestuur bij het besluit tot ontbinding en de verdeling van het batig saldo alle betrokken belangen zorgvuldig heeft afgewogen.