Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/3.6
3.6 Samenvatting ratio
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624003:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Dirix 1993, p. 273; Langemeijer 1927, p. 144; Slagter 1968, p. 52; Sagaert 2003, p. 6.
Vgl. Sagaert 2003, p. 51: 'Zakelijke subrogatie waarborgt het evenwicht tussen het vermogen van de begunstigde van zaaksvervanging enerzijds en dat van de debiteur of diens samenlopende schuldeisers anderzijds door het zakenrechtelijke statuut van het oorspronkelijke onderpand te laten voortduren op haar tegenwaarde.'
Zie ook Hammerstein 1977, p. 78: 'Zo is het dilemma dat zaaksvervanging dogmatisch oplevert scherp aangegeven: zaaksvervanging heeft de strekking ongegronde vermogensverschuiving te voorkomen door bepaalde rechten te handhaven op goederen die in de plaats treden van goederen die het oorspronkelijke object vormen van die rechten.'
Zie ook Sagaert 2003, p. 373.
Zie ook Sagaert 2003, p. 53: 'Zaaksvervanging heeft subsidiair karakter; mag enkel worden ingeroepen wanneer er geen beroep kan worden gedaan op een andere rechtsfiguur die een evenwaardige bescherming biedt aan de begunstigde.' Vgl. Sagaert 2003, p. 363.
94.
Zaaksvervanging beoogt ongewenste aantasting van goederenrechtelijke posities te voorkomen en daarmee bescherming te bieden aan rechthebbenden van absolute rechten. Deze slotsom volgt uit de vergelijking tussen de actie op grond van ongerechtvaardigde verrijking en zaaksvervanging. Deze rechtsfiguren vertonen wat betreft hun doelstelling grote overeenkomsten.1 Beide zijn erop gericht een vermogensevenwicht dat op een bepaald moment tussen verschillende partijen bestaat, te handhaven en zo bescherming te bieden.2 Uit deze vergelijking volgt dat de achter zaaksvervanging liggende gedachte uit een aantal elementen bestaat. Met zaaksvervanging wordt voorkomen dat een vermogensverschuiving optreedt in gevallen waarin een verrijking van de een ten koste van een verarming van een ander dreigt te gaan.3 De totale vermogenswaarde neemt daarbij in gevallen van zaaksvervanging in beginsel niet toe, maar de verdeling over de betrokkenen dreigt te veranderen. Daarbij treedt zaaksvervanging preventief op, waar de vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking slechts een remediërend karakter heeft.4
De relevante verrijking en verarming kunnen worden vastgesteld door middel van vergelijking van de vermogensposities van de betrokkenen. Daarbij moet worden gekeken naar (een aannemelijke ongewijzigde voortzetting van) de uitgangssituatie en de situatie na het optreden van een feitelijk voorval of een rechtshandeling die de aanleiding voor zaaksvervanging vormt. Deze laatste toestand kent twee vormen: een waarin het optreden van zaaksvervanging uitblijft en een waarin wel sprake is van zaaksvervanging. De eerste variant moet worden vergeleken met (de fictieve voortzetting van) de oorspronkelijke situatie. Wanneer hierbij een vermogensverschuiving wordt geconstateerd, bestaat eventueel ruimte om zaaksvervanging in te zetten. Zaaksvervanging is daarbij uitsluitend subsidiair aan rechtsfiguren die (van rechtswege) een goederenrechtelijke bescherming bieden aan de betrokken rechthebbende en niet aan vormen van verbintenisrechtelijke compensatie.5
Orn daadwerkelijk zaaksvervanging toe te passen, moet een aanvullende rechtvaardiging worden gezocht. Daarvoor is het ten eerste noodzakelijk dat de verarming en de verrijking direct met elkaar samenhangen. Beide moeten zijn terug te voeren op dezelfde gebeurtenis en daaraan causaal zijn verbonden. Ten tweede moet het voorkomen van de vermogensverschuiving meer algemeen worden gerechtvaardigd. De basis hiervoor kan worden gevonden in de ongewenstheid van de aantasting van (absolute) rechten zonder dat de rechthebbende hierop direct invloed heeft. Hiervan is in veel gevallen sprake, wanneer twee personen een aanspraak hebben ten aanzien van hetzelfde goed en zij niet samen beschikkingsbevoegd zijn over het geheel. Het afstaan van de feitelijke heerschappij en het daarmee vergroten van het risico dat een aantasting van het (eigendoms)recht plaatsvindt, is geen reden om aan te nemen dat betrokkenen invloed hebben op de aantasting van hun recht en hen de door zaaksvervanging geboden bescherming te onthouden. Het niet kunnen opkomen voor de eigen belangen, waarvan vaak sprake is als een recht wordt aangetast als gevolg van het systeem van het goederenrecht, is een belangrijke rechtvaardiging voor het bieden van bescherming door zaaksvervanging. Dit gaat gepaard met een afweging van belangen van de betrokkenen.
Bij de afbakening van het toepassingsbereik van zaaksvervanging naar de ratio spelen twee beginselen een rol: de rechtszekerheid enerzijds en het juridisch onafscheidelijke koppel redelijkheid en billijkheid anderzijds. Het opmaken van de balans tussen beide uitgangspunten van het recht verschilt mijns inziens per rechtsgebied. In het verbintenissenrecht staan meestal de redelijkheid en billijkheid voorop, terwijl in het goederenrecht de rechtszekerheid vaak meer gewicht in de schaal legt. Dat betekent binnen het goederenrecht echter niet dat de redelijkheid en billijkheid uitgerangeerd zijn. Waar mogelijk moet een oplossing worden gevonden die, zonder de rechtszekerheid onaanvaardbaar in het geding te brengen, tot rechtvaardige uitkomsten leidt. Zaaksvervanging treedt op als uitzondering op de hoofdregels van goederenrecht door, waar mogelijk en wenselijk, voor een aangepaste verdeling van aanspraken te zorgen. Zoals in het eerste hoofdstuk is uiteengezet, is zaaksvervanging daarbij slechts wenselijk, voor zover zij het systeem van het goederenrecht aanvult en niet aantast en de rechtszekerheid niet te zeer in het geding komt. Dit betekent dat een wettelijke grondslag voor zaaksvervanging in beginsel noodzakelijk is.