Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/2.5.1
2.5.1 De rechtspersonen waarop het enquêterecht van toepassing is
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364813:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Te weten: de naamloze vennootschap, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij, de stichting die een onderneming in stand houdt waarvoor ingevolge de wet een ondernemingsraad moet worden ingesteld, de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die een onderneming in stand houdt waarvoor ingevolge de wet een ondernemingsraad moet worden ingesteld.
Asser/Maijer, Van Solingen en Nieuwe Weme, nr. 733 noemt pensioenfondsen, het Europees Economisch Samenwerkingsverband met zetel in Nederland, de Europese Vennootschap met zetel in Nederland en de Europese coöperatieve vennootschap met zetel in Nederland.
Kamerstukken TK 9596, nr. 2 (MvT), p. 4, nr. 6 (MvA), p. 12, Kamerstukken TK 22400, nr. 3 (MvT), p. 3 en 4.
Vgl. HR 22 december 1989, NJ 1990, 433 en de noot van Maeijer daarbij.
Zoals de ondernemingskamer het formuleert in haar beschikking van 31 januari 2011,ARO 2011/22 (Administratiekantoor Markeur/De Drie Bataven). In de zelfde zin Hof Amsterdam (OK) 14 april 2010, JOR 2010/185 m.nt. Bartman (Meavita), r.o. 3.4. Vgl. echter Hof Amsterdam (OK) 24 juni 2010, JOR 2010/266 m.nt. Josephus Jitta (Van Oers) waarin de ondernemingskamer op verzoek van alle partijen een onmiddellijke voorziening trof bij een stichting die geen onderneming in stand hield (en niet verplicht was om een ondernemingsraad in te stellen).
Asser/Maijer, Van Solingen en Nieuwe Weme, nr. 733.
Zie art. 2:345 lid 1 BW en HR 13 mei 2005, JOR 2005/147 m.nt. Josephus Jitta (Zeelandia). In welke gevallen dat kan, hoeft in het kader van dit onderzoek niet te worden uitgediept.
Zie daarover Asser/Maeijer-Rensen 2-III*, nr. 229 en Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5*, nr. 340a.
Het enquêterecht is van toepassing op de in art. 2:344 BW genoemde Nederlandse rechtspersonen,1 alsmede in bepaalde andere gevallen.2 De gedachte achter de selectie van art. 2:344 BW blijkt uit de wetsgeschiedenis.3 Beoogd is om het enquêterecht van toepassing te laten zijn op alle rechtspersonen die een onderneming in stand houden. Aanvankelijk heeft de wetgever dat trachten te bereiken door het enquêterecht van toepassing te verklaren op de coöperatie en de NV4 (bij de invoering van het enquêterecht), de BV (bij de invoering daarvan) en de onderlinge waarborgmaatschappij (bij de invoering van Boek 2 BW). Later is daaraan toegevoegd dat het enquêterecht ook van toepassing is op stichtingen en verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, mits deze ingevolge de wet zijn gehouden om een ondernemingsraad in te stellen (en derhalve een onderneming in stand houden, waaronder in dit verband moet worden verstaan: “een in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredende organisatie waarin krachtens arbeidsovereenkomst arbeid wordt verricht”).5 De wetgever heeft wel overwogen om het enquêterecht ook op andere typen organisaties of instanties van toepassing te verklaren, maar heeft daarvan uitdrukkelijk afgezien.
Buitenlandse rechtspersonen en contractuele samenwerkingsverbanden, zoals de maatschap en v.o.f., vallen buiten het toepassingsbereik van het enquêterecht.6 Wel kunnen het beleid en de gang van zaken van dergelijke rechtspersonen en contractuele samenwerkingsverbanden in voorkomendegevallen worden betrokken bij het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van rechtspersonen waarop het enquêterecht wel van toepassing is.7
Een interessante vraag is of er uitzonderingen bestaan op art. 2:344 BW in de zin dat het enquêterecht in voorkomende gevallen toch niet van toepassing is op een daarin genoemde rechtspersoon. Denkbaar is dat een dergelijke uitzondering voortvloeit uit de doelstelling van art. 2:344 BW om het enquêterecht van toepassing te doen zijn op alle rechtspersonen die een onderneming in stand houden. Het enquêterecht zou dan niet van toepassing zijn op rechtspersonen die geen onderneming in stand houden.
Een voorbeeld van een dergelijke rechtspersoon is de zogeheten flatcoöperatie.8 Een dergelijke coöperatie drijft immers geen onderneming, maar dient slechts als een alternatief voor de in Titel 5.9 BW vastgelegde vermogensrechtelijke regeling van (het in appartementsrechten gesplitste) gemeenschappelijk eigendom van onroerende zaken. Het niet toepassen van het enquêterecht op de flatcoöperatie sluit ook aan bij het feit dat het enquêterecht niet dient ter beslechting van vermogensrechtelijke geschillen. Een flatcoöperatie dient immers primair als vermogensrechtelijk instrument. Geschillen rond flatcoöperatie zullen bovendien veelal niet veel verschillen van geschillen tussen de eigenaren van appartementsrechten, anders gezegd: de leden van de vereniging van appartementsrechteigenaren. Daarop is het enquêterecht niet van toepassing.