Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/2.5.3.3.2
2.5.3.3.2 Beoordelingsruimte (‘margin of appreciation’)
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS482176:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Andere oorzaken van een beperkte toetsing zijn de grenzen van aan ’s Hofs bevoegdheid ratione materiea en praktische obstakels, zoals een gebrekkige feitenvaststelling. Zie daarover Heringa e.a. 2000, aanvulling 18, 11-2000, par. 2.1.
EHRM 17 januari 1970 (Delcourt t. België), § 25. Vgl. nadien EHRM 26 oktober 1984 (De Cubber t. België), § 30 en EHRM 25 maart 1998 (Belziuk t. Polen), § 37.
Zie § 3.5.1 hierna.
Zie nader Gerards e.a. 2013 (I), p. 3, met verwijzing naar EHRM 26 oktober 2000 (Kudła t. Polen), § 152.
Zie § 2.3.3 hiervoor.
Heringa e.a. 2000, aanvulling 18, 11-2000, par. 2.1, p. 19. Of deze laatste reden werkelijk van belang is, is afhankelijk van de omstandigheden, waaronder de beoordeling die in een bepaalde zaak gemaakt moet worden.
Zie § 2.5.3.2 hiervoor.
In deze zin Martens in zijn dissenting opinion bij EHRM 27 september 1990 (Cossey t. Verenigd Koninkrijk). Veelal zal het dan gaan om zaken waarin niet zonder meer voor de hand ligt hoe het rechterlijk oordeel moet luiden. Een evidente (niet-)schending behoeft geen subtiele(re) afweging.
Heringa e.a. 2000, aanvulling 18, 11-2000, par. 2.1, p. 21.
Vgl. Gerards 2009, p. 176. De auteur meent dat de beoordelingsruimte van verdragsstaten groot is in gevallen waarin een bepaalde problematiek zo moeilijk is en een afweging vergt tussen zulke onverenigbare en onmeetbare belangen, dat individuele rechtstoepassing het risico van willekeur en inconsistentie in zich zou dragen.
Heringa e.a. 2000, aanvulling 18, 11-2000, par. 2.1, p. 29.
Vgl. rechter De Meyer in zijn dissenting opinions bij EHRM 25 februari 1997 (Z. t. Finland) en EHRM 22 april 1997 (X, Y en Z t. Verenigd Koninkrijk).
Zie nader Heringa e.a. 2000, aanvulling 18, 11-2000, par. 2.1, p. 29. Stelliger is Den Hartog 1992, p. 36. Schrijver meent dat de uitwerking van de ‘margin of appreciation’ zo ondoorzichtig is, dat het veelal niet eenvoudig is te voorspellen hoeveel beoordelingsruime aan de nationale instanties wordt toegekend.
Heringa e.a. 2000, aanvulling 18, 11-2000, par. 2.1, p. 10.
Voorbeelden zijn de proportionaliteit van een inbreuk op het recht op toegang tot de rechter uit hoofde van het publieke belang (art. 6 EVRM), de noodzaak van inbreuken op de persoonlijke levenssfeer in een democratische samenleving (art. 8 EVRM) en de verschillende behandeling van individuen in het licht van het discriminatieverbod (art. 14 EVRM).
Zie uitgebreid Heringa e.a. 2000, aanvulling 18, 11-2000, par. 2.1, p. 23 e.v. Het navolgende is grotendeels daaraan ontleend.
Gerards/Fleuren 2013, p. 45.
Zie de vorige noot.
a. Algemeen
De interpretatiemethoden die in § 2.5.2.2 aan de orde kwamen, hebben primair betrekking op de beschermingsomvang ofwel de toepasselijkheid van het EVRM. Die methoden resulteren in een ruime uitleg van verdragsrechten en vrijheden. Het EHRM neemt geregeld een voorzichtiger houding aan wanneer het in een zaak moet beslissen of er sprake is van schending van een verdragsrecht. Hieraan draagt in belangrijke mate bij dat het Hof voor een groot aantal rechten, waaronder enkele onderdelen van art. 6 EVRM, aanvaardt dat aan de verdragsstaten gewoonlijk een zekere beoordelingsvrijheid (‘margin of appreciation’) moet worden gelaten bij de verwezenlijking van de verdragsrechten binnen de eigen rechtsorde.1 Omdat het recht op behoorlijk proces in art. 6 EVRM een prominente plaats heeft binnen een democratische samenleving, is een restrictieve uitleg van art. 6 volgens het EHRM niet in overeenstemming met doel en strekking ervan.2 De ruimte voor verdragsstaten om in de nationale strafprocedure beperkingen aan te brengen op specifiek de in art. 6 vastgelegde of belichaamde rechten, lijkt dus niet groot.3
De erkenning van een ‘margin of appreciation’ voor verdragsstaten steunt ten eerste op de subsidiariteit van het Straatsburgse toezicht. Het Straatsburgse toezichtsmechanisme is slechts subsidiair ten opzichte van nationale procedures die de mensenrechten beogen te waarborgen.4 Het zijn de (organen van) verdragsstaten die in eerste instantie de rechten en vrijheden van het EVRM moeten realiseren.5 Die naleving wordt gewaarborgd in de constitutionele verhouding tussen het Hof en die nationale organen. Bovendien hebben verdragsstaten in vergelijking met het Hof een betere beoordelingspositie.6 Hiermee houdt verband dat het zich zoals gezegd niet uitlaat over hoe de nationale rechtsorde moet zijn ingericht of hoe (wettelijke) voorschriften zouden moeten luiden.7
Selectieve betekenis beoordelingsruimte
Omdat het Hof beslist of het in een concreet geval een beoordelingsruimte erkent en toepast, is die ruimte geen ‘recht’ van de verdragsstaten.8 Daarbij komt dat sommige rechten, zoals het verbod op foltering (art. 3 EVRM) en slavernij (art. 4 EVRM) een zo absoluut karakter hebben, dat het Hof daarop geen inbreuken toestaat. Dat de beoordelingsvrijheid geen vat heeft op de meeste onderdelen van de art. 5 (betreffende het recht op vrijheid en veiligheid) en 6 EVRM (het recht op een behoorlijk strafproces) houdt onder meer verband met het feit dat de daarin vrij nauwkeurig vastgelegde rechten vooral (rechtstatelijke) eisen stellen. Dit is het gebied van de rechtsprekende autoriteiten en niet de beleidsmakers.9 Los hiervan zal de ‘margin of appreciation’ vaak een rol spelen in zaken waarin niet duidelijk is hoe het rechterlijk oordeel moet luiden. Een evidente (niet) schending behoeft immers geen subtiele(re) afweging.10
Het toekennen door het Hof van een beoordelingsvrijheid aan de verdragsstaten is een methode om bij delicate afwegingen en beoordelingen uit hoofde van een ‘constitutionele’ taakverdeling tussen het Hof en de verdragsstaten, een zekere terughoudendheid in acht te nemen. Het stelt het Hof in staat om variaties in de toetsingsintensiteit te motiveren, zodat de (rechterlijke) argumentatie waarom in een zaak al dan niet sprake is van schending van een verdragsrecht inzichtelijk wordt.11 Tegelijk is het zo dat het toekennen aan verdragsstaten van een beoordelingsvrijheid ertoe leidt dat het Hof de facto in zekere mate afstand doet van zijn toezichthoudende en rechtsprekende taak.12 Soms wordt het niet echt duidelijk wat de precieze reden is voor een strenge of marginale toetsing door het Hof van een gestelde schending van een verdragsrecht.13
b. Typische beoordelingssituaties; beoordelingsvrijheid verdragsstaten
Schokkenbroek meent dat de beoordelingsvrijheid van verdragsstaten zich vooral manifesteert in drie hoofdtypen van situaties, die niet scherp van elkaar te onderscheiden zijn.14 Ten eerste gaat het om situaties waarin een verdragsvoorschrift een belangenafweging en/of een evenredigheidstoetsing impliceert. Afhankelijk van het in het geding zijnde verdragsrecht kan die afweging verschillende ‘vormen’ aannemen, bijvoorbeeld of de (gestelde) schending van een verdragsrecht proportioneel is gelet op het door de verdragsstaat nagestreefde (legitieme) doel, respectievelijk er sprake is van een behoorlijk evenwicht tussen de eisen die voortvloeien uit enerzijds het algemeen belang en anderzijds de bescherming van de fundamentele rechten van het individu.15
Ten tweede manifesteert de beoordelingsvrijheid van verdragsstaten zich in situaties waarin de beoordeling van de toepasselijkheid en de implicaties van bepaalde vage begrippen in het EVRM aan de orde is.
Ten slotte betreft het situaties waarin moet worden beoordeeld of de betrokken staat nalatig is geweest bij het nakomen van een positieve verplichting om een verdragsrecht effectief te garanderen en te beschermen.
c. De omvang van de beoordelingsvrijheid
In situaties waarin de beoordelingsvrijheid van een verdragsstaat aan de orde is, zijn verschillende indicatoren aanwijsbaar die de omvang ervan – en daarmee de striktheid van de toetsing van de door een verzoeker gestelde schending van een verdragsrecht – bepalen.16 Een eerste indicator is de aan- of afwezigheid van een Europese consensus.
Een tweede indicator is de afhankelijkheid van de aard van het doel dat met de gewraakte maatregel wordt nagestreefd en de eventuele ruimere beleidscontext daarvan. Wanneer de maatregel waarover wordt geklaagd onderdeel is van een meeromvattend beleid, zoals op fiscaal gebied, dan laat het EHRM gewoonlijk een grotere beoordelingsvrijheid aan de verdragsstaten.
Een derde indicator wordt gevormd door de aard van de activiteiten van betrokkene en van de belangen die het recht in het onderwerpelijke geval beschermt. Ten slotte wordt de omvang van de beoordelingsvrijheid van een verdragsstaat bepaald door noodsituaties of althans gevallen waarin snel optreden van de nationale autoriteiten geboden is of waarin met spoed bepaalde risicobeoordelingen moeten worden verricht.
Rechterlijk minimalisme en ‘vastklikbenadering’
Naast de terughoudendheid van het Hof bij de beoordeling of verdragsstaten bij het beperken van een grondrecht binnen de beoordelingsvrijheid zijn gebleven, wijzen Gerards en Fleuren op minder bekende mechanismen met een min of meer verwant resultaat.17 Ten eerste is het bepaald niet ongewoon dat het Hof niet kiest voor vergaande, brede interpretaties, maar zich eerder richt op de omstandigheden van het geval. Door deze benadering van ‘rechterlijk minimalisme’ ontstaat er meer ruimte voor de nationale autoriteiten om zelf invulling te geven aan de uitspraken van het Hof. Bijvoorbeeld door de specifieke casuspositie van een uitspraak van het Hof te benadrukken.
Een tweede benadering waarop Gerards en Fleuren wijzen is die waarin het Hof duidelijk het nationale recht beoogt te respecteren In deze ‘vastklikbenadering’ geeft het Hof geen ‘sweeping statements’ waarmee het een heel brede uitleg aan het EVRM geeft.18 In plaats daarvan gaat het na of op een bepaald onderwerp naar nationaal recht bepaalde claims of aanspraken bestaan, en of dat onderwerp in brede zin binnen het bereik van het Verdrag kan worden gebracht. Is dat het geval, dan is de conclusie dat de staat vrijwillig een rechtsregime in het leven heeft geroepen dat raakt aan EVRM-rechten. Ook al is het Verdrag daarop niet ten volle van toepassing, het Hof vindt dan wel dat minimale waarborgen als die van een behoorlijk proces ook voor die vrijwillig toegekende rechten moet gelden.
Anders dan geldt voor de benadering van rechterlijk minimalisme, komt deze vastklikbenadering in het vervolg niet aan de orde. Het belang ervan voor deze studie is, zo dat er al is, gering.