Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.5.1
2.5.1 Spoedeisend belang
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955566:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 23 april 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4372, NJ 1982/523 (Brug & Khodabaks/Poppes).
Zie Rb. Midden-Nederland (vzr.) 17 maart 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:1813; BIE 2017/16 (Dutch Design Netherlands/Sensa), rov. 3.8.
HR 2 februari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB3472, NJ 1968/62(X/Y); Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020, nr. 66.
HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4553, NJ 2003/78, m.nt. P.A. Stein (Gemeente Groningen/Reilman), rov. 3.4.
HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2553, NJ 2000/544, m.nt. F.W. Grosheide (Kruidvat/Lancôme), rov. 3.3; HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2391, NJ 2001/602, m.nt. D.W.F. Verkade, IER 2001/41, m.nt. H.M.H. Speyart (Impag/Hasbro), rov. 3.2.3; HR 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8483, NJ 2009/549, m.nt. P.B. Hugenholtz (XS4All/Ab.Fab), rov. 3.18. Zie ook: HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659, m.nt. D.W.F. Verkade, IER 1993/35, m.nt. S. De Wit (Vredo/Veenhuis), rov. 3.4.
Dat neemt niet weg dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen die aan het aannemen van spoedeisend belang in de weg staan. Zo lijkt uit de lagere rechtspraak te volgen dat de drempel voor het aannemen van spoedeisend belang substantieel hoger ligt als de eiser een verbod vordert in een SEP-geschil; zie Hof Den Haag 17 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:711 (Sisvel/Xiaomi), rov. 4.3.
Hof Den Haag 24 januari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2023, BIE 2017/31 (ITT/Karl Dungs), rov. 6.
HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2391, NJ 2001/602, m.nt. D.W.F. Verkade, IER 2001/41, m.nt. H.M.H. Speyart (Impag/Hasbro), rov. 3.2.3-3.2.4.
Rb. Den Haag (vzr.) 19 december 2013, BIE 2014/59 (Unilever/Procter & Gamble). Zie ook: Rb. Den Haag 17 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:6803, IER 2016/64, m.nt. V. Rörsch (B. Braun/Becton), rov. 5.2 (gebrek aan spoedeisend belang vanwege verstrijken van drie jaar sinds einde oppositieprocedure); Hof Den Haag 3 november 2020, ECLI:NL:GDHA:2020:2101 (Wahl), rov. 4.2 (gebrek aan spoedeisend belang vanwege onvoorwaardelijke toezegging gedaagde).
Rb. Den Bosch (vzr.) 6 augustus 2007, ECLI:NL:RBSHE:2007:BB1252, BIE 2008/32 (ITIL en Prince2), rov. 4.1.
HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1705, NJ 1996/462, m.nt. D.W.F. Verkade, BIE 1995/103 (Boehringer Mannheim/Kirin Amgen).
HR 14 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5519, NJ 2000/489, m.nt. D.W.F. Verkade (HBS/Danestyle).
HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1522, NJ 2008/153, m.nt. H.J. Snijders (Bax/Weijers).
Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020, nr. 67.
HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1036, NJ 2015/178 (S&S/Esschert).
Spoedeisend belang en verbod. Art. 254 Rv verschaft de voorzieningenrechter de bevoegdheid om in spoedeisende zaken een onmiddellijke voorziening bij voorraad te geven. De voorzieningenrechter toetst deze voorwaarde vaak tezamen met de in kort geding vereiste belangenafweging (de zgn. ‘spoedeisende belangenafweging’). Het ligt op de weg van de eiser om te onderbouwen waarom hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.1 Slaagt hij daarin niet, dan zal de rechter de vordering afwijzen.2 De voorzieningenrechter moet zo nodig ambtshalve onderzoeken of aan het vereiste van het spoedeisend belang is voldaan.3
Vaststelling van spoedeisend belang vergt een afweging van de wederzijdse belangen van de betrokken partijen.4 De Hoge Raad overwoog in het arrest Kruidvat/Lancôme ‘‘dat indien (…) in kort geding een voorziening wordt gevraagd die ertoe strekt een einde te maken aan, als stelselmatige inbreuk op een subjectief recht aan te merken handelingen waarvan de eisende partij doorlopend schade ondervindt, het alleszins voor de hand ligt dat deze partij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen’’.5 In procedures die draaien om een inbreuk op een intellectueel-eigendomsrecht zal de beoordeling van het spoedeisend belang dan ook in de regel uitvallen in het voordeel van de rechthebbende.6 Als de rechthebbende echter, na kennisname van de inbreuk, een aanzienlijke periode laat verstrijken voordat hij een verbodsvordering instelt, kan de rechter oordelen dat spoedeisend belang ontbreekt.7 Enkel tijdsverloop is voor een dergelijk oordeel over het algemeen onvoldoende.8 Nodig is dat de eiser zonder een aanvaardbare reden treuzelt bij het instellen van een vordering in kort geding.9 Een in de rechtspraak aanvaarde reden voor stilzitten luidt dat de rechthebbende de inbreuk pas kort geleden heeft ontdekt.10 Ook het afwachten van een oppositieprocedure kan een geldige reden opleveren voor stilzitten.11
Spoedeisend belang en nevenvorderingen. Spoedeisend belang moet voor iedere vordering afzonderlijk worden vastgesteld.12 Dit betekent dat de eiser in beginsel ook bij de naast het verbod ingestelde nevenvorderingen een spoedeisend belang moet aantonen.13 Op deze regel is om proceseconomische redenen een uitzondering gemaakt. Als de hoofdvordering voldoende spoedeisend is, mag ten aanzien van een nauw verwante nevenvordering eveneens spoedeisendheid worden aangenomen als de gedaagde het bestaan daarvan niet of onvoldoende betwist.14 Een voorbeeld van nauw verwante vorderingen zijn vorderingen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten of betaling van wettelijke rente.15 Hetzelfde geldt voor de voor intellectuele-eigendomszaken gebruikelijke nevenvorderingen zoals het recall-bevel. Zulke vorderingen zijn immers noodzakelijk om te bewerkstelligen dat de inbreuk daadwerkelijk wordt beëindigd of kan worden voorkomen.16