Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/3.3.3
3.3.3 De keuze voor een handhavingsstelsel
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS496028:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Consumentenorganisaties of andere behartigers van consumentenbelangen kunnen zelf o.g.v. art. 6:240 lid 3 een verbodsactie instellen. Een actie o.g.v. art. 6:240 kan ook preventief worden ingesteld. Voor de ontvankelijkheid van een dergelijke vordering is vereist dat het bestreden beding voorkomt in de algemene voorwaarden waarvan de brancheorganisatie het gebruik bevordert in overeenkomsten met consumenten: BR 16 mei 1997, NJ 2000/1, r.o. 4.2.
Commissie 2000 (tabel); noot Loos onder Hof 's-Gravenhage 6 juli 2004, TVC 2004/5, p. 190-191.
Wessels en Wissink 2010, p. 32-33.
Wet van 20 november 2006, houdende regels omtrent instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming. Deze wet strekt tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 2006/ 2004 betreffende de samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van wetgeving inzake consumentenbescherming. De richtlijn staat op de bijlage met te handhaven richtlijnen van Verordening (EG) nr. 2006/2004.
Door de openheid van de te handhaven onredelijk bezwarend-norm (en grijze lijst) en de relevantie van de afwijking van de wet bij de toetsing hieraan (par. 3.5.2) strekken de handhavingsbevoegdheden van de CA verder dan dit acquis: zie ook Van Boom 2010, p. 27.
Art. 8.3 Whc. Ik ga ervan uit dat bedingen i.s.m. dwingend recht ook kunnen worden aangepakt in de geest van art. 6:240 lid 1 BW. Opmerkelijk is echter dat bedingen in algemene voorwaarden, waarin wordt afgeweken van art. 7:11, 7:12, 7:13, 7:26 en 7:35, i.e. bedingen die in art. 7:6 lid 2 zonder meer als onredelijk bezwarend worden aangemerkt en dus zwartgekleurd zijn, anders dan de zwarte bedingen uit art. 6:236 langs de privaatrechtelijke weg worden aangepakt: Krans en Van Wechem 2008, p. 810. Zie ook Van Nimwegen 2010, p. 54-59. Uitleg- en toepassingsverschillen liggen op de loer daar de indeling van de BW-bepalingen in de verschillende kolommen zowel de civiele als de CA/bestuursrechter normen met dezelfde strekking laat handhaven. Het risico op verschillen neemt aanmerkelijk toe wanneer beide kolommen zich over dezelfde open normen buigen: Van Boom 2010, p. 47. Bij de aanpak van algemene voorwaarden is dat vooralsnog niet het geval.
Kamerstukken II 2005/06, 30 411, nr. 3, p. 71. Het gaat hierbij om een verzoekschriftprocedure bij Hof Den Haag die sneller is dan de dagvaardingsprocedure uit art. 3:305b BW en met bepaalde waarborgen is omkleed.
Kamerstukken II 2005/06, 30 411, nr. 3, p. 6-7. Ook werd er gevreesd voor een expertiseprobleem aan de kant van de bestuursrechter: Evaluatie Wet handhaving consumentenbescherming 2010, p. 15.
In CA-besluit 14 januari 2010, nr. 437 (Fotosessie.com), spelen 'oneerlijke bedingen' een rol (strijd met art. 6:236 onder k). De CA richt zich op eenzijdig (niet in SER-verband) opgestelde voorwaarden: Consultatiedocument 2007.
Vgl. Van Boom 2010, p. 32.
91. De Nederlandse wetgever heeft bij de omzetting van de richtlijn niets veranderd aan het bestaande handhavingssysteem waarin de individuele rechtsgang en de alternatieve geschillenbeslechting de hoofdrol spelen. De handhaving van de norm kon, in lijn met art. 7 lid 2 richtlijn, al sinds de invoering van art. 6:240 in 1992 op collectieve schaal plaatsvinden.1 In de Nederlandse rechtspraktijk komt de collectieve rechterlijke toetsing van algemene voorwaarden echter relatief weinig voor.2
De aansturing van de zelfreguleringspraktijk door de overheid wordt voortgezet. In par. 3.2.2 werd het overleg genoemd dat thans in het kader van het Coördinatiegroep Zelfreguleringsoverleg (CZ-overleg) tussen bedrijven en consumentenorganisaties, onder auspiciën van de SER (voorheen de SER-CCA) plaatsvindt. Er bestaan verschillende sets tweezijdige voorwaarden in Nederland.
Bij de opstelling van eenzijdige voorwaarden beschikken bedrijven over diverse hulpmiddelen, al dan niet afkomstig van de overheid.3
92. Onder Europese invloed is sinds kort ook sprake van administratiefrechtelijk toezicht op de naleving van de bepalingen uit afdeling 6.5.3 (en art. 7:6). Deze BW-bepalingen zijn in de (bijlage van de) Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) opgenomen4. Sinds 2007 speelt de in de Whc in het leven geroepen Consumentenautoriteit (CA) een rol bij de handhaving van afdeling 6.5.3 voor zover zij onderdeel uitmaakt van het Europees consumentenacquis5 De CA is bevoegd om de schending van collectieve belangen, die vaak inherent is aan het gebruik van onredelijk bezwarende bedingen, aan te pakken. Dit kan in eerste instantie door middel van toezicht (waarschuwingen en/of onderhandelingen)6 maar ook, wanneer nodig, door middel van een gang naar de civiele rechter (als het gaat om de open norm en de grijze lijst) of het zelfstandig opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete (als het gaat om de zwarte lijst). Overwegend gesloten privaatrechtelijke normen, zoals de zwarte lijst, worden zelfstandig gehandhaafd door de CA.7 De bestuursrechter heeft dan het laatste woord (zie over de systematiek van de Whc par. 8.2.2). De handhaving van de open norm en de grijze lijst vergt echter dat de CA zich wendt tot de civiele rechter langs de weg van art. 3:305d BW.8 Zo wordt voorkomen dat 'naast de "gebruikelijke" civiele rechter ook de ConsumentenAutoriteit en — in geval van beroep — de bestuursrechter zich uit moeten laten over dezelfde begrippen uit het BW' 9
De impact en zichtbaarheid van de bestuursrechtelijke handhaving van afdeling 6.5.3 is tot nu toe beperkt.10 De verwachting ten tijde van de totstandkoming van de Whc dat overleg met, en waarschuwingen aan overtredende partijen meestal uitkomst zullen bieden en dat de handhaving door de CA van afdeling 6.5.3 veelal uit de juridische sfeer zal blijven, lijkt uit te komen.11