Omschreven als Shekkels.
HR, 27-05-2025, nr. 23/02602 B
ECLI:NL:HR:2025:660
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-05-2025
- Zaaknummer
23/02602 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:660, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑05‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:284
ECLI:NL:PHR:2025:284, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:660
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0190
Uitspraak 27‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op meerdere geldbedragen en mobiele telefoons onder klager, waarna OM de strafzaak tegen klager seponeert en Rb beklag gegrond verklaart en teruggave aan klager van 1 geldbedrag gelast. Schriftelijke afdoening van klaagschrift zonder openbare behandeling gelet op ontbreken van noodzaak tot horen van partijen op zitting, art. 23.2 Sv. Kon Rb een beschikking geven zonder klaagschrift in openbare raadkamer te behandelen? HR: Om redenen vermeld in CAG slagen middelen. CAG: Uit brief van Rb aan HR blijkt dat klaagschrift schriftelijk is afgehandeld, omdat Rb in veronderstelling verkeerde dat inbeslaggenomen voorwerpen waarop klaagschrift betrekking had (afgezien van 1 geldbedrag) al aan klager waren teruggegeven en dat partijen het met elkaar eens waren, zodat er geen noodzaak was tot het nader horen van partijen op zitting. Uit dossier is niet gebleken dat raadsman of klager heeft ingestemd met schriftelijke afdoening. Uit voornoemde brief van Rb volgt dat achteraf is gebleken dat OM de Rb onjuist heeft geïnformeerd. Enkele inbeslaggenomen geldbedragen waren (toch) nog niet teruggegeven aan klager en telefoons zijn in de tussentijd naar aanleiding van rechtshulpverzoek overgedragen aan Israëlische autoriteiten. Steller van middel heeft onderbouwd welk nadeel de klager a.g.v. verzuim van Rb heeft ondervonden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat klager niet heeft kunnen aangeven dat goederen nog niet waren teruggegeven, dat er geen last tot teruggave is gegeven voor telefoons en overige geldbedragen (terwijl klaagschrift wel strekte tot teruggave van deze goederen) en dat telefoons in de tussentijd zijn overgedragen aan Israëlische autoriteiten. Nu belang van klager bij cassatie is onderbouwd, moet verzuim van Rb in dit geval tot cassatie leiden. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02602 B
Datum 27 mei 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 7 juni 2023, nummer RK 23/010228, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] (Israël) op [geboortedatum] 1988,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat T.J.N. Hameleers bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
2.1
De cassatiemiddelen klagen dat geen openbare behandeling van het door de klager ingediende klaagschrift heeft plaatsgevonden.
2.2
De cassatiemiddelen slagen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.2 tot en met 4.4.
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.
Conclusie 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op contante geldbedragen en drie mobiele telefoons. Beklag schriftelijk afgedaan n.a.v. onjuiste mededeling openbaar ministerie dat in beslag genomen voorwerpen reeds waren teruggegeven aan klager. Klager heeft hiermee niet ingestemd en als gevolg hiervan nadeel ondervonden. Schending art. 23 lid 2 Sv en art. 552a lid 7 Sv. Dit verzuim leidt tot nietigheid. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02602 B
Zitting 18 maart 2025
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de klager
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 7 juni 2023 het beklag van de klager, strekkende tot teruggave van de in beslag genomen contante geldbedragen en telefoons, gegrond verklaard en de teruggave aan de klager gelast van een geldbedrag van € 385,-.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. T.J.N. Hameleers, advocaat te Roermond, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het verloop van de zaak
3.1
Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken volgt dat de onderhavige beklagprocedure als volgt is verlopen.
3.2
Op 24 oktober 2022 zijn onder de klager onder meer drie contante geldbedragen in diverse valuta’s (te weten: 195 euro, 4.940 sjekels1.en 3.300 euro) en drie mobiele telefoons (te weten: een rode iPhone, een zwarte Alcatel en een zwarte iPhone) in beslag genomen op grond van art. 94 lid 1 Sv.
3.3
De klager is bij brief van 17 maart 2023 door het openbaar ministerie geïnformeerd dat de zaak tegen hem wordt geseponeerd vanwege onvoldoende nationaal belang bij strafvervolging.
3.4
Namens de klager is op 21 april 2023 bij de rechtbank Amsterdam een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend, strekkende tot teruggave van de hierboven onder 3.2 vermelde voorwerpen.
3.5
Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gereageerd op dit klaagschrift in een ‘Standpunt OM bij klaagschriften 552a SV’ met als datum 22 mei 2023. Daarin is met betrekking tot het beklag – voor zover van belang – het volgende opgenomen:
“zaak is geseponeerd.
8-3-23: [klager] heeft een geldbedrag met rente teruggekregen.
9-3-23: standpunt ovj - shekkels 4940 in beslag genomen, was destijds 1405,17 in euro’s waard plus rente. Er is EUR1020,66 voldaan, dus de rest dient nog teruggeven te wroden = verschil van EUR385,- > toewijzen
9-3-23: beslissing raadkamer > conform EUR1405,17 met rente minus het reeds betaalde.
Het OM verzet zich niet”
3.6
De rechtbank heeft het beklag bij beschikking van 7 juni 2023 gegrond verklaard en de teruggave gelast aan de klager van een geldbedrag van 385 euro. De beschikking houdt – voor zover van belang – in:
“Feiten
Uit het klaagschrift blijkt dat op 24 oktober 2022 onder klager een aantal voorwerpen in beslag zijn genomen:
- 195 euro’s (LEFCN22003-741684);
- 4940 Shekkels (LEFCN22003-741697);
- 3300 euro’s (LEFCN22003-741698);
- Rode IPhone met simkaart in het zwarte hoesje (LEFCN22003-741682);
- Een zwarte Alcatel gsm met simkaart (LEFCN2203-741683);
- Apple IPhone 8 zwart in een doorzichtig hoesje 358712095552319 met simkaart (LEFCN22003-741696).
[…]
Procedure
Het klaagschrift is op 21 april 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerpen.
[…]
Beoordeling
De rechtbank constateert dat er al een aantal inbeslaggenomen voorwerpen aan klager zijn teruggegeven. Het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank op 22 mei 2023 geïnformeerd dat het overige inbeslaggenomen geldbedrag aan klager zal worden teruggegeven. Het beklag zal daarom gegrond worden verklaard.
De rechtbank zal dan ook teruggave aan klager gelasten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave aan klager van een geldbedrag van 385 euro.”
3.7
De rechtbank heeft op 4 augustus 2023 een brief gestuurd naar de Hoge Raad, waarin wordt getracht duidelijkheid te verschaffen over de gang van zaken met betrekking tot het beklag. Deze brief houdt onder meer in:
“Op 23 april 2023 heeft het Openbaar Ministerie schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt. In het voorbewerkingsformulier staat geregistreerd dat het Openbaar Ministerie zich niet verzet tegen teruggave. De klager zou al een geldbedrag met rente hebben teruggekregen. De 4940 Shekkels zouden ten tijde van de inbeslagname EUR 1.405,17 waard zijn geweest. Er zou daarvan al een bedrag van EUR 1.020,66 zijn voldaan en enkel nog een bedrag van EUR 385,- moeten worden teruggegeven.
Op 26 mei 2023 heeft [betrokkene 1], junior gerechtsjurist bij de rechtbank Amsterdam, om verduidelijking van dit standpunt gevraagd. Er zijn immers volgens het klaagschrift meerdere goederen in beslag waren genomen, terwijl in het standpunt van het Openbaar Ministerie slechts melding wordt gemaakt van geldbedragen. Vanuit het Openbaar Ministerie is toen aangegeven dat de overige voorwerpen al aan de klager zijn teruggegeven (deze mailwisseling is als bijlage bij deze brief gevoegd).
Als het Openbaar Ministerie zich niet verzet tegen teruggave van de verzochte voorwerpen aan de klager, is het uitgangspunt dat de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaart en de teruggave van de voorwerpen gelast.
Gelet op de voormelde omstandigheden, heeft de rechtbank het klaagschrift schriftelijk afgehandeld en een beslissing genomen op het beklag conform het standpunt van het Openbaar Ministerie. Er was immers geen noodzaak tot het nader horen van partijen op zitting, nu zij het eens waren met elkaar. De rechtbank heeft het beklag gegrond verklaard en de teruggave aan de klager gelast van een geldbedrag van EUR 385,-.
Nadat er door de advocaat van de klager, te weten: mr. T.J.N. Hameleers, advocaat te Roermond, cassatie is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank, heeft [betrokkene 1] op 22 juni 2023 opnieuw contact met het Openbaar Ministerie gezocht (zie de bijgevoegde mailwisseling). [betrokkene 1] had namelijk van de advocaat te horen gekregen dat de telefoons nog niet terug waren gegeven aan de klager. Op de vraag aan wie welke telefoons zijn geretourneerd, heeft de rechtbank geen antwoord ontvangen.
[betrokkene 1] heeft in juli [betrokkene 2], juridisch adviseur strafrecht bij de rechtbank Amsterdam, om advies gevraagd. [betrokkene 2] heeft contact opgenomen met het beslagbureau om te verifiëren welke voorwerpen al dan niet zijn teruggegeven aan de klager. Uiteindelijk is gebleken dat enkele geldbedragen (toch) nog niet waren teruggegeven aan de klager en dat de telefoons in de tussentijd naar aanleiding van een rechtshulpverzoek zijn overgedragen aan de Israëlische autoriteiten (zie de bijgevoegde mailwisseling).
Helaas is aldus gebleken dat sprake was van een miscommunicatie. Als de rechtbank juist was geïnformeerd, dan was het klaagschrift niet schriftelijk afgehandeld.
Als gevolg van deze schriftelijke afhandeling heeft er geen zitting plaatsgevonden en is er daarmee ook geen proces-verbaal van de zitting opgemaakt.
De rechtbank hoopt via deze brief duidelijkheid te hebben geboden over de gang van zaken, die klaarblijkelijk bij de klager heeft geleid tot het instellen van het cassatieberoep.”
4. Het eerste en het tweede middel
4.1
Het eerste middel bevat de klacht dat de klager niet is opgeroepen om te worden gehoord. Dit verzuim leidt volgens de steller van het middel tot nietigheid van het onderzoek. Het tweede middel houdt in dat er geen behandeling in het openbaar heeft plaatsgevonden en dat er geen proces-verbaal is opgemaakt. Dit zou eveneens nietigheid van het onderzoek meebrengen. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
4.2
Art. 23 lid 2 Sv bepaalt dat het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers door de raadkamer worden gehoord, althans hiertoe worden opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven. Op grond van art. 552a lid 7 Sv moet het klaagschrift tijdens een openbare raadkamerzitting worden behandeld. Niet-naleving van deze voorschriften leidt in beginsel tot nietigheid van het onderzoek.2.
4.3
De beschikking van de rechtbank houdt niet in dat een openbare raadkamerzitting heeft plaatsgevonden. Uit de brief van de rechtbank Amsterdam aan de Hoge Raad van 4 augustus 2023 blijkt dat het klaagschrift schriftelijk is afgehandeld, omdat de rechtbank in de veronderstelling verkeerde dat de in beslag genomen voorwerpen waarop het klaagschrift betrekking had – afgezien van € 385 – al aan de klager waren teruggegeven en dat de partijen het met elkaar eens waren, zodat er geen noodzaak was tot het nader horen van de partijen op zitting. Uit het dossier is niet gebleken dat de raadsman of de klager heeft ingestemd met een schriftelijke afdoening. Uit de zojuist genoemde brief van de rechtbank aan de Hoge Raad volgt dat achteraf is gebleken dat het openbaar ministerie de rechtbank onjuist heeft geïnformeerd. Enkele in beslag genomen geldbedragen waren (toch) nog niet teruggegeven aan de klager en de telefoons zijn in de tussentijd naar aanleiding van een rechtshulpverzoek overgedragen aan de Israëlische autoriteiten.
4.4
De steller van het middel heeft onderbouwd welk nadeel de klager als gevolg van het verzuim van de rechtbank heeft ondervonden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de klager niet heeft kunnen aangeven dat de goederen nog niet waren teruggegeven, dat er geen last tot teruggave is gegeven voor de telefoons en de overige geldbedragen – terwijl het klaagschrift wel strekte tot teruggave van deze goederen – en dat de telefoons in de tussentijd zijn overgedragen aan de Israëlische autoriteiten. Nu het belang van de verdachte bij cassatie is onderbouwd, moet het verzuim van de rechtbank mijns inziens in dit geval tot cassatie leiden.
4.5
Beide middelen slagen.
5. Het derde middel
5.1
Het derde middel behelst de klacht dat het oordeel van de rechtbank dat er al een aantal in beslag genomen voorwerpen aan de klager zijn teruggegeven, onbegrijpelijk is.
5.2
Uit de onder 3.6 weergegeven beschikking blijkt dat de rechtbank aan haar beslissing tot gegrondverklaring van het beklag en het gelasten van de teruggave van € 385,- aan de klager, ten grondslag heeft gelegd dat er al een aantal in beslag genomen voorwerpen aan de klager waren teruggegeven. Met “een aantal in beslag genomen voorwerpen” doelt de rechtbank kennelijk op de geldbedragen van 195 euro, 3.300 euro en 1.020,66 euro3.en de drie telefoons waarop het klaagschrift betrekking had.4.
5.3
Uit de door de rechtbank aan de Hoge Raad toegezonden brief van 4 augustus 2023 blijkt dat enkele in beslag genomen geldbedragen (toch) nog niet waren teruggegeven aan de klager en dat de telefoons zijn in de tussentijd naar aanleiding van een rechtshulpverzoek zijn overgedragen aan de Israëlische autoriteiten. Daarmee is het bestreden oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk.
5.4
Het middel slaagt.
6. De middelen slagen.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑03‑2025
Zie o.a. HR 22 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:854, r.o. 2.4 en HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:972, NJ 2021/45, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.3.
Het geldbedrag van 4.940 sjekels was op dat moment € 1.405,17 waard. Daarvan is € 1.020,66 teruggegeven.
Dit kan naar ik meen worden afgeleid uit de brief van de rechtbank Amsterdam aan de Hoge Raad van 4 augustus 2024. Hieruit volgt dat het openbaar ministerie aan de rechtbank heeft medegedeeld dat van de in beslag genomen 4.940 sjekels, die op dat moment € 1.405,17 waard waren plus rente, nog € 385,- plus rente moest worden teruggegeven en dat de overige voorwerpen al aan de klager waren teruggegeven. De rechtbank heeft blijkens die brief een beslissing genomen op het beklag conform het standpunt van het openbaar ministerie en slechts de teruggave gelast van € 385,-.