Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/9.3.2.3
9.3.2.3 De omvang van de rechterlijke beoordelingbevoegdheid
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS373940:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht Wéry 1993, nr. 240-248, p. 326-3339.
Zie voor de vindplaatsen van arresten Viney & Jourdain 2001, nr. 24-2, p. 52. Een wel erg ruime rechterlijke bevoegdheid is door Lonis-Apokourastos beschreven, namelijk dat de rechter de schuldenaar ook tot schadevergoeding mag veroordelen als hij die remedie passender acht dan de gevorderde machtiging, ook als de schuldeiser geen vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld, zie Lonis-Apokourastos 2003, p. 141 vtnt. 396.
Wéry 1993, nr. 240-248, p. 326-339; Roujou de Boubée 1974, p. 166-178; en Rémy-Corlay 2005, p. 19-23. Anders Lonis-Apokourastos 2003, p. 140-141.
Viney 2001, p. 193-194.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 898.
Vgl. Jongbloed 1987, p. 305; en Jongbloed (Vermogensrecht), art. 3:299, aant. 5. Volgens Van Mierlo (Burgerlijke Rechtsvordering), Inleiding executie- en beslagrecht, aant. 5, is onzeker hoe ver de rechterlijke vrijheid bij toepassing van deze discretionaire bevoegdheid precies strekt. Hartkamp is op dit punt niet geheel eenduidig. Enerzijds lijkt hij een ruime beoordelingsbevoegdheid voor de rechter toe te staan, terwijl hij anderzijds aansluit bij het recht op nakoming, waar de rechter geen discretionaire bevoegdheid heeft, zie Asser/Hartkamp 2004 (44), nr. 644. Snijders 1989, p. 420, schrijft dat: 'de bevoegdheid tot toelating of weigering van reële executie lijken (curs., DB) wel discretionair van aard door een formulering met behulp van het woordje 'kan', maar zij is zo essentieel voor ons rechtsplegingssysteem dat enige uitwerking en controle niet mag ontbreken.'
Asser/Hartkamp 2004 (44), nr. 644. Kritisch over dit argument is Van Opstall 1976, p. 169, zie ook Debily 2002, p. 334-335.
Jongbloed 1987, p. 14.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 898. Bij de dwangsom heeft de rechter wel een discretionaire bevoegdheid om de hoogte vast te stellen, omdat de samenleving erbij is gebaat dat rechterlijke uitspraken worden nagekomen en de dwangsom een (indirect) middel is om dat doel te bewerkstelligen, vgl. Jongbloed 2007, p. 38, nr. 50; en Beekhoven van den Boezem 2007, p. 129. Anders dan de dwangsom heeft de rechterlijke machtiging m.i. geen aansporende functie en een discretionaire rechterlijke bevoegdheid is daar dan ook niet op zijn plaats, anders Jongbloed 1987, p. 14, vtnt. 43.
Zie hierna par. 9.3.2.4.
Zo ook Blaauw 1980, p. 17; en Debily 2002, nr. 319 en 355-360, p. 330-331 en 363-369, zie par. 8.2 over de omvang van de rechterlijke beoordelingsbevoegdheid bij een vordering tot nakoming.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 898, vgl. ook par. 8.2.4.
Hoe groot is de beoordelingsbevoegdheid van de rechter die zich dient uit te spreken over een vordering tot verlening van een rechterlijke machtiging? In de Franstalige literatuur is hierover uitgebreid gefilosofeerd.1 Hoewel op grond van oudere arresten van de Cour de cassation de indruk kan bestaan dat de Franse rechter een ruime discretionaire bevoegdheid toekomt,2 nemen veel hedendaagse auteurs aan dat van een discretionaire bevoegdheid van de rechter geen sprake is.3 De Franse rechter kan de gevorderde machtiging slechts weigeren, indien een rechterlijke machtiging voor de schuldenaar zeer nadelig is en de schuldeiser daarbij onvoldoende belang zou hebben.4
Hoewel nauwelijks recente uitspraken bestaan over de omvang van de rechterlijke bevoegdheid bij de beoordeling van een gevorderde rechterlijke machtiging, is hierover ook door Nederlandse auteurs gespeculeerd. Uit de tekst van art. 3:299 (`kan') en de Parlementaire Geschiedenis5 is afgeleid dat de rechter bij de beoordeling van de gevorderde rechterlijke machtiging een volledige discretionaire bevoegdheid toekomt.6
De reden die wordt aangevoerd ter onderbouwing van deze discretionaire bevoegdheid is dat de wetgever de beslissing, om een derde op kosten van de schuldenaar in te schakelen, kennelijk niet aan de schuldeiser maar aan de rechter heeft willen laten.7 Met een discretionaire bevoegdheid zou de rechterlijke machtiging meer inhoud krijgen, omdat de rechter de taak heeft gekregen de gevraagde machtiging te beoordelen en te weigeren, als hij het belang van de schuldeiser bij de machtiging te gering vindt.8
Welke belangen zouden bij een rechterlijke machtiging in het gedrang komen die de discretionaire bevoegdheid van de rechter rechtvaardigen? Het enige belang dat bijzondere bescherming verdient, is het belang van de schuldenaar om zelf na te komen.9 Ter bescherming van dat belang is mijns inziens geen discretionaire bevoegdheid vereist, maar zou een ingebrekestelling volstaan. De ingebrekestelling is immers het instrument bij uitstek dat het belang van de schuldenaar beschermt om zelf na te komen voordat hij zijn recht om na te komen verliest.10
De rechter zou bij de beoordeling van een gevorderde rechterlijke machtiging mijns inziens slechts de gebruikelijke, beperkte beoordelingsbevoegdheid moeten hebben, vergelijkbaar met de beoordelingsbevoegdheid bij nakoming.11 De rechter zou de gevorderde machtiging moeten afwijzen wanneer de schuldeiser niet voldaan heeft aan zijn stelplicht dat hij de schuldenaar in gebreke heeft gesteld en dat nakoming binnen de daarbij gestelde redelijke termijn is uitgebleven. De rechter zou de gevorderde machtiging voorts moeten weigeren, indien de prestatie die de schuldenaar heeft toegezegd naar zijn aard niet door een ander kan worden uitgevoerd. In dat geval is het absoluut onmogelijk dat een derde de door de schuldenaar toegezegde prestatie verricht.12