Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.1.6.2
2.1.6.2 “Veränderung in seinem Wesen”
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644842:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Staudinger/Stieper (2021) BGB §93 Rn 14.
In het contract stond onder meer opgenomen dat: “(…) die unentgeltliche Überlassung eines sogenannten …-Kompaktkraftwerkes [de module JCTF] sollte die Überlassung zeitlich unbegrenzt erfolgen; der Vertrag sah ein Erlöschen des Vertrages im Falle der Liquidation oder Umfirmierung der Beklagten oder einer Veränderung bei den Gesellschaftern vor. Eine Überlassung an Dritte wurde ausgeschlossen.” Zie OLG Jena, Urteil vom 04 november 2010 – 2 U 81/09 en BGH 11 november 2011 V ZR 231/10.
Jakobs/Schubert (1985), p. 436.
Een bestanddeel is ook wezenlijk als afscheiding tot gevolg heeft, dat een wezensverandering optreedt bij het bestanddeel of de hoofdzaak.1 Ook hier speelt het economische motief een rol. Van een wezensverandering is namelijk sprake als het bestanddeel of de restzaak na de afscheiding economisch onbruikbaar (geworden) is.2 Bij het antwoord op de vraag of sprake is van een “wezensverandering” door afscheiding, is van belang of het bestanddeel en de zaak na de afscheiding op vergelijkbare wijze gebruikt kunnen worden als vóór de afscheiding.3 Niet van belang hierbij is of het bestanddeel en de overgebleven zaak een andere zaak nodig hebben om te functioneren. Om dit toe te lichten een voorbeeld, dat is ontleend aan de rechtspraak.4
X heeft voor Y een zogenaamde ORC-Kompaktmodul (hierna: module) ontwikkeld voor een onderzoeksproject. Deze module bestaat uit verschillende onderdelen, waaronder een turbine, een verdamper en een condensator. De module kan als onderdeel van een zogenaamde warmtekrachtcentrale (Wärmekraftwerk) stroom opwekken. X en Y hebben een overeenkomst gesloten over een kosteloze overdracht (unentgeltliche Überlassung) van de module. De module is in een verbrandingsinstallatie (Feuerungsanlage) van Y gemonteerd, alwaar zij stroom opwekt. X gaat vervolgens failliet. De curator (Verwalter) van X heeft de overeenkomst tussen X en Y opgezegd en de eigendomsoverdracht van de module betwist.5
Op grond van de Duitse insolventiewet (§134 InsO) is het mogelijk om prestaties, die om niet (unentgeltlich) zijn verricht, aan te vechten mits deze prestaties binnen een termijn van vier jaar voor faillissement zijn verricht. Aan deze voorwaarde is voldaan. De curator heeft de module vervolgens verkocht aan een derde (Z) en deze heeft Y aangesproken tot het overhandigen van de module. Y heeft geweigerd. Naast de argumenten die Y heeft aangevoerd op grond van de contractuele verhoudingen tussen Y en X, heeft Y ook gesteld dat de module een wezenlijk bestanddeel van de machine is geworden. Het Berufungsgericht ging hierin mee, het Bundesgerichtshof (BGH) echter niet.
Het BGH stelt, net als het Berufungsgericht, dat de module een bestanddeel is geworden van de installatie. De module is niet zelfstandig in staat zijn doel (het opwekken van stroom) te vervullen, maar heeft daarvoor de rest van de installatie nodig. Dit maakt de module volgens de BGH echter nog geen wezenlijk bestanddeel, zoals het Berufungsgericht oordeelde:
“Das ist rechtsfehlerhaft, weil eine Wesensänderung eines abgetrennten Bestandteils zu verneinen ist, wenn dieser in gleicher oder in ähnlicher Weise in eine andere Anlage integriert werden und damit wieder seine Funktion (hier: Strom zu erzeugen) erfüllen kann.”6
Het afgescheiden bestanddeel kan in een andere installatie geïntegreerd worden en zo nog gebruikt worden. Omgekeerd kan in de installatie een andere module worden gezet, zodat ook zij nog bruikbaar is. Was dit laatste niet het geval, dan was de module wel aan te merken als een wezenlijk bestanddeel.
“Für die Wesentlichkeit eines Bestandteils ist nach §93 BGB auch entscheidend, ob die Restsache nach der Abtrennung des Bestandteils noch in der bisherigen Weise benutzt werden kann, sei es auch erst, nachdem sie zu diesem Zweck wieder mit anderen Sachen verbunden wird.”7
Dit betekent dat niet van belang is of de samengestelde zaak na de afscheiding is vernietigd of onbruikbaar is geworden.8
“Nicht die durch die Verbindung entstandene Gesamtheit zu konservieren, sondern unter Rücksichtnahme auf volkswirtschaftliche Interessen allein solche Abtrennungen zu vermeiden, welche die Trennstücke beschädigten oder wesentlich veränderten.”9
Y heeft aangevoerd dat de module wel wezenlijk is, aangezien de aanschaf van een nieuwe vervangende module ongeveer € 800.000 gaat kosten.10 De BGH verwerpt dit argument. De onkosten van de bezitter van de restzaak om een vervangend onderdeel aan te schaffen doen niet ter zake bij de beantwoording van de vraag of een bestanddeel wezenlijk is of niet. De “volkswirtschaftliche Interessen” die beschermd worden, houden dus niet in dat het individuele belang van de bezitter van de restzaak wordt beschermd. Dat hij kosten moet maken om de restzaak te kunnen gebruiken is geen reden om het af te scheiden onderdeel als wezenlijk bestanddeel te kwalificeren. Was de module om die reden wel een wezenlijk bestanddeel geworden, dan verkreeg Y de eigendom van de module. Dat betekende weer dat X zijn eigendomsrecht had verloren. De vermogensschade zou dan voor rekening van de oorspronkelijke eigenaar X komen, in plaats van de bezitter Y. Deze gedachtegang heeft het BGH niet willen volgen. De bezitter heeft een minder sterke positie dan de eigenaar.