Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/III.3.2.a
III.3.2.a Soort aandeelhoudersgedragingen
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS382172:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie instemmend Van den Ingh in zijn noot sub 3 onder OK 20 november 1997, JOR 1998/26 (Hooymans). Zie ook de constatering van Croiset van Uchelen (2007), p. 259, dat gedrag van de aandeelhouder 'als zodanig' niet nodig is.
Westbroek (1991), p. 28. Evenzo Sanders, hij meende dat het zowel bij de uitstoting als uittreding ging om sanering van de interne vennootschapsverhoudingen, zie Sanders (1988), p. 252. Zie ook Lubbers (1975), p. 129.
OK 22 oktober 1992, NJ 1993, 411 (Architektenburo), ro. 4.8. Commentator Slagter stemde ten volle in met de uitspraak (TVVS 1993, p. 79), maar Van der Vlis vroeg zich of de OK niet te ver gaat met haar ruime uitleg (V&O 1993, p. 106). Met een beroep op de redelijkheid in art. 2:343 BW en in art. 2:8 BW, lag volgens hem een beperking tot gedragingen binnen de rechtspersoon in de rede.
Bijv. OK 9 december 1993, NJ 1994, 296 (Architektenburo); en OK 16 maart 1995, JOR 1996/54 (Ramp/Lensen). Zie ook Slagter (1998), p. 36.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 108: 'Zo kunnen — anders dan thans wel wordt aangenomen onder omstandigheden ook gedragingen in aanmerking komen waardoor een medeaandeelhouder de vennootschap beconcurreert.' Ik merk op dat thans niet anders wordt aangenomen. Concurrentie is ook nu grond voor uittreding.
Idem Van Schilfgaarde/Winter (2009), nr. 115; en Leijten (1999/2), p. 236. Zie uitdrukkelijk OK 24 februari 1994, NJ 1995, 354 (Peeters); en OK 20 november 1997, NJ 1998, 392 (Hooymans), ro. 5.2: `De vraag of het ontslag door Wim en Hennie al of niet op terechte gronden aan Geert is gegeven behoeft hier geen bespreking. Het geven van het ontslag kan immers, ongeacht het antwoord op die vraag, gelden als 'gedraging' in de zin van artikel 2:343 BW, ook al zou dat ontslag op zich zelf terecht zijn gegeven. Niet is nodig dat die 'gedraging' ook als misdraging kan worden aangemerkt.'
Aldus ook Van Schilfgaarde/Winter (2009), nr. 115, waarin het ontslagbesluit wordt gezien als een gedraging van de vóór stemmende aandeelhouder.
Idem Boetje (1975), p. 538; en Westbroek (1985/2), p. 728. Slagter (1976), p. 119, dacht dat ook de solventie van de verscheidene aandeelhouders in dit verband een ml kon spelen. Hij zag (p. 121) de gedwongen overname als een straf voor de 'kwelgeesten' van de uittredende aandeelhouder.
Van den Ingh in zijn noot sub 3 onder OK 20 november 1997, JOR 1998/26 (Hooymans). Zie verder § 111.4, waarin ik een andere maatstaf voor uittreding bepleit.
Boukema (1988), p. 35, vond eveneens dat het moest gaan om verwijtbaar gedrag. Hij dacht vooral aan misbruik van stemrecht. Zie ook De Kluiver (2010), p. 22, die vindt dat de wettelijke norm 'in wezen' een verkapt schuldcriterium is.
Aldus ook Westbroek (1985/1), p. 715, die zag dat laakbaar gedrag niet vereist is, al zou in de praktijk van laakbaarheid wel sprake zijn.
Als voorbeeld gaf Slagter het 'droogleggen van de oude tante', ofwel het voortdurend beletten van het toekennen van dividend. Zie Slagter (1976), p. 121.
Zo zag de rechtbank Utrecht dat de aandeelhouder LMH BV tevens bestuurder was, en Lashkari de enig bestuurder en aandeelhouder van deze BV. De onrechtmatige gedragingen werden toegerekend aan de aandeelhouder en de andere aandeelhouder (Tobis BV) mocht uittreden, zie OK 19 januari 2006, JOR 2006/127 (Fin(d)it), ro. 1.3 en 3.2.
Zie eensluidend Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 241* (2009), nr. 709. Zie over de samenloop tussen de geschillenregeling en het enquêterecht verder § VII.3.
Zie voor de positie van de vennootschap verder § IV.4.
Het gedrag van de aandeelhouder behoeft niet, anders dan bij de uitstoting, gepleegd te zijn in hoedanigheid van aandeelhouder. Iedere gedraging kan derhalve tot uittreding leiden. Het gedrag blijft dus niet beperkt tot aandeelhoudersgedragingen.1 In het verleden dacht men in de literatuur hier wel anders over. Westbroek concludeerde tot zijn spijt dat het hoedanigheidsvereiste eveneens gold voor de uittreding.2 Al in 1993 oordeelde de OK echter anders.
Zij zag een duidelijk verschil tussen de uittreding van een benarde minderheidsaandeelhouder en de uitstotingsvordering, waarbij het vennootschappelijk belang afgewogen moet worden tegen de gedragingen van de uit te stoten aandeelhouder. Bij de uittreding was er een directer verband en ging het om de belangen van een aandeelhouder en de daaraan schade veroorzakende gedragingen, aldus de OK. Zij vernietigde het vonnis van de rechtbank, omdat de schadeveroorzakende gedraging alle gedragingen van welke aard dan ook konden zijn en niet slechts verricht in hoedanigheid van aandeelhouder, zoals de rechtbank dacht.3
Deze ruime interpretatie brengt mee dat, anders dan bij uitstoting, concurrentie grond voor uittreding kan zijn.4 In het wetsvoorstel Flex-BV onderschrijft de hedendaagse wetgever deze opvatting.5
Een gevolg van met name de rechtspraak van de OK is dat de gedraging niet behoeft te worden gekwalificeerd als 'misdraging'. Iedere gedraging die er voor zorgt dat de rechten of belangen van de andere aandeelhouder geschaad worden, is voldoende.6 Een goed voorbeeld van een in het rechtsverkeer toegestane gedraging die niettemin de basis voor uittreding vormt, is het ontslag van de bestuurder die aandelen houdt. Of dit ontslag onterecht of onredelijk is, doet voor de uittreding niet ter zake. Indien de aandeelhoudersvergadering ex art. 2:134/244 lid 1 BW besluit een bestuurder naar huis te sturen, dan telt de (arbeidsrechtelijke) redelijkheid van dit ontslag niet voor de vennootschapsrechtelijke gevolgen en ook niet voor de uittreding.7 Zie hierna § III.3.2.c. Indien meer aandeelhouders conform de eerste zin van art. 2:343 lid 3 BW tot overdracht veroordeeld worden, dan kan de schuldvraag bij de verdeling van de over te nemen aandelen overigens wel een rol spelen.8
Niet iedereen is het met de geschetste benadering eens. Van den Ingh bijvoorbeeld, heeft kritiek.9 Hij meent dat de schuldvraag een rol behoort te hebben. Er zou volgens hem een element van verwijtbaarheid moeten spelen.10 Ik koester sympathie voor deze opvatting, maar zij houdt gezien de wettekst en jurisprudentie geen stand. Verwijtbaar gedrag is niet vereist. De uittredingsnorm wordt bezien vanuit het gezichtspunt van de uittredende aandeelhouder. Ontstaat met het ontslag als bestuurder een situatie waarbij hij in zijn rechten of belangen wordt geschaad, dan mag hij uittreden. Hij bevindt zich in een toestand van benardheid. Allerhande gedragingen kunnen hem in die verdrukte positie brengen.11
De schade dient te worden veroorzaakt door gedragingen van de aandeelhouder. In de eerste plaats betreft dit — net als bij de uitstoting — het gebruik van het stemrecht.12 Maar ook hier geldt een ruime opvatting. Kan het gedrag de aandeelhouder worden toegerekend, dan komt een uittredingsvordering voor zijn risico. Vaak zal het gaan om de activiteiten van een natuurlijke persoon achter de rechtspersoon, waarbij de rechtspersoon de aandeelhouder is. De analoge toepassing van art. 2:11 BW is in zo'n situatie gerechtvaardigd omdat de ratio — het opheffen van onmogelijkheid zich te verschuilen achter een rechtspersoonlijk schild dezelfde is.13 Ook denkbaar is een situatie waarbij de grootaandeelhouder tevens enig bestuurder is en in die laatste hoedanigheid het leven van de minderheidsaandeelhouder zuur maakt. De bij de grootaandeelhouder nauw betrokkenen zorgen dan voor de uitzichtloze situatie van de minderheidsaandeelhouder.
Bij het bovenstaande past de kanttekening dat uittreding niet op haar plaats is, indien het slechts gaat om vennootschappelijk gedrag dat niet kan worden toegerekend of waarbij van nauwe betrokkenheid geen sprake is. De gedachte is dat de aandeelhouder die schade ondervindt van puur vennootschappelijk gedrag zijn toevlucht moet zoeken tot het enquêterecht.14 In de toekomst vervalt het onderscheid tussen aandeelhoudersgedragingen en vennootschappelijk gedrag. Op grond van art. 343 lid 1 Wv Flex-BV is het straks mogelijk de uittreding te vorderen op grond van gedragingen van 'één of meer medeaandeelhouders of van de vennootschap zelf.15