Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.8.5
1.8.5 Geen hoofdactie, wel een actio ad exhibendum
mr. J.C.T.F. Lokin , datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644893:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
D. 10, 4, 5, 3 (Ulpianus). “Item Celsus scribit stercus, quod in aream meam congessisti, per adhibendum actionem posse te consequi ut tollas, sic tamen ut totum tollas: ceterum alias non posse.”
D. 10, 4, 5, 5 (Ulpianus). “Sed et si de ruina aliquid in tuam aream vel in tuas aedes deciderit, teneberis ad exhibendum, licet non possideas.”
Brinz (1882), p. 685.
D. 10, 4, 11, 1 (Ulpianus).
D. 10, 4, 11, 1 (Ulpianus): “Quo autem loco exhiberi rem oporteat vel cuius sumptibus, videamus. et Labeo ait ibi exhibendum ubi fuerit cum lis contestaretur, periculo et impendiis actoris perferendam perducendamve eo loco ubi actum sit. Pascere plane servum vestire curare possessorem oportere ait. Ego autem arbitror interdum etiam haec actorem agnoscere oportere, si forte ipse servus ex operis vel artificio suo solebat se exhibere, nunc vero cogitur vacare. Proinde et si apud officium depositus exhibendus, cibaria debebit adgnoscere qui exhiberi desideravit, si non solebat possessor servum pascere: nam si solebat, sicuti pascit, ita et cibaria potest non recusare. Interdum eo loco exhibere debet suis sumptibus, si forte proponas data opera eum in locum abditum res contulisse, ut actori incommodior esset exhibitio: nam in hunc casum suis sumptibus et periculo debebit exhibere in eum locum ubi agatur, ne ei calliditas sua prosit.”
D. 10, 4, 9, 2 (Ulpianus): “Si quis rem fecit ad alium pervenire, videtur dolo fecisse quo minus possideat, si modo hoc dolose fecerit.”
D. 10, 4, 9, pr. (Ulpianus).
D. 10, 4, 9, 1 (Ulpianus); “Glans ex arbore tua in fundum meum decidit, eam ego immisso pecore depasco: qua actione possum teneri? Pomponius scribit competere actionem ad exhibendum, si dolo pecus immissi, ut glandem commederet: nam et si glans extaret nec patieris me tollere, ad exhibendum teneberis, quemadmodum si materiam meam delatam in agrum suum quis auferre non pateretur. Et placet nobis Pomponii sententia, sive glans extet sive consumpta sit. Sed si extet, etiam interdicto de glande legenda, ut mihi tertio quoque die legendae glandis facultas esset, uti potero, si damni infecti cavero.”
D. 10, 4, 9, 3 (Ulpianus).
D. 10, 4, 9, 4 (Ulpianus).
D. 10, 4, 5, 6 (Ulpianus): “Item si quis facultatem restituendi non habeat, licet possideat, tamen ad exhibendum non tenebitur, ut puta si in fuga servus sit: ad hoc plane solum tenebitur, ut caveat se exhibiturum si in potestatem eius pervenerit.” “Verder is iemand die niet de mogelijkheid tot afgifte heeft, niet met de actie tot productie aansprakelijk, ook al is hij bezitter, zoals bijvoorbeeld in het geval een slaaf voortvluchtig is. Dan zal hij vanzelfsprekend slechts in zoverre aansprakelijk zijn, dat hij de garantie moet geven dat hij zal produceren in het geval hij de macht over de slaaf herkrijgt.” Hetzelfde gold als het de slaaf was toegestaan zich op te houden waar hij wilde of in het buitenland woonde en daar landgoederen beheerde.
In bepaalde gevallen kon de eiser de actio ad exhibendum instellen, maar had hij geen hoofdactie, actio directa. Bijvoorbeeld in het geval waarin een zaak van de één op het land van een ander terecht was gekomen. Laatstgenoemde nam de zaak niet in bezit en ook ontkende hij niet iemands eigendom op de zaak. Hij stond alleen de eigenaar niet toe op zijn land te komen, zodat deze zijn zaak niet kon ophalen. De eiser kon de rei vindicatio niet instellen, aangezien die actie (in beginsel) alleen tegen de bezitter niet-eigenaar kon worden ingesteld en de landeigenaar wilde geen bezitter zijn. In die gevallen kon de eiser met de actie tot productie de grondeigenaar aanspreken:
“Evenzo, schrijft Celsus, kunt u met de actie tot productie bereiken dat u mest die u op mijn terrein hebt opgehoopt, mag weghalen, maar dan wel zo dat u dan alles weghaalt. Anders mag het niet.”1
En:
“Ook als er bij een instorting iets op uw terrein of uw huis is gevallen, zult u aansprakelijk zijn met de actie tot productie, ook al bent u niet de bezitter.”2
De productie van de zaak bestond erin dat de gedaagde moest dulden dat de eiser de zaak van diens land afvoerde (tollere). Hij hoefde niet zelf de zaak te verplaatsen.3
Beval de rechter dat de gedaagde moest produceren, dan moest de zaak vervoerd worden naar de plek waar het proces over de hoofdactie zou plaatsvinden. De eiser droeg het risico voor en de kosten van het vervoer. Dit was alleen anders als de gedaagde de zaak opzettelijk naar een afgelegen plek had gebracht, zodat de kosten en het risico om de zaak te vervoeren extra hoog waren. In dat geval was de gedaagde gehouden de zaak op zijn kosten en risico te vervoeren “om te voorkomen dat zijn doortraptheid hem voordeel oplevert”.4 De gedaagde was gehouden om de zaak te onderhouden zoals hij dat normaliter ook deed. Zo moest hij, in het geval de zaak een slaaf was, de slaaf voeden, kleden en verzorgen. In sommige gevallen moest echter de eiser de kosten van het onderhoud van de slaaf dragen, bijvoorbeeld wanneer de slaaf door zijn eigen arbeid zelf in zijn onderhoud voorzag, maar hangende het proces niet meer kon werken.
“Laten wij bezien op welke plaats een zaak behoort te worden geproduceerd en op wiens kosten. Welnu, Labeo zegt dat zij daar geproduceerd moet worden waar zij zich tijdens de litis contestatio bevond, terwijl zij voor risico van de eiser vervoerd en overgebracht moet worden naar de plaats waar het proces gevoerd wordt. De bezitter, zegt hij, behoort zijn slaaf natuurlijk te voeden, te kleden en te verzorgen. Ik ben echter van mening dat in sommige gevallen de eiser ook deze kosten voor zijn rekening moet nemen, bijvoorbeeld in het geval dat de slaaf zich zelf door zijn arbeid of ambacht placht te onderhouden, maar nu gedwongen wordt tot niets doen. Evenzo moet, wanneer de voor te brengen slaaf bij het gerecht in bewaring is gegeven, degene die productie verlangde, opkomen voor de voeding van de slaaf, indien de bezitter niet gewoon was voor de voeding van de slaaf te zorgen. Want als hij dat wel gewend was, kan hij de kosten van de voeding zoals hij die voorheen verschafte, ook nu niet weigeren. Soms echter moet de bezitter hem toch op eigen kosten op die plaats produceren, bijvoorbeeld als U aanvoert dat hij met opzet zaken naar een afgelegen plaats heeft overgebracht om het produceren voor de eiser bezwaarlijker te maken. In dat geval zal hij hem namelijk op eigen kosten en voor zijn risico moeten brengen naar en produceren op de plaats waar het proces wordt gevoerd om te voorkomen dat zijn doortraptheid hem voordeel oplevert.”5
De doortraptheid van de gedaagde kwam ook tot uiting in het geval waarin iemand het bezit van de zaak op arglistige wijze had zoek gemaakt. Hoewel diegene niet meer de mogelijkheid had om te produceren, kon hij toch met de actie tot productie worden aangesproken. De actio ad exhibendum veranderde in dit geval van een hulpactie in een schadevergoedingsactie.
“Als iemand bewerkstelligd heeft dat een zaak bij een ander terechtkomt, wordt hij geacht opzettelijk te hebben bewerkstelligd dat hij geen bezitter meer is. Tenminste als hij dat op bedrieglijke wijze heeft gedaan.”6
Als de bezitter, vlak voor of gedurende een proces, opzettelijk het bezit van de zaak had verloren, dan kon de eigenaar geen revindicatie meer tegen hem instellen. De eigenaar moest de nieuwe bezitter aanspreken. Als de eigenaar echter niet wist waar de zaak zich bevond, dan kon hij de actio ad exhibendum instellen tegen de voormalige bezitter, aangezien deze door zijn opzet niet meer in staat was om de zaak te produceren. Hij werd dan veroordeeld tot het betalen van de waarde van de zaak, als ware hij veroordeeld op grond van de revindicatie. Julianus verhaalt van het geval waarin de bezitter de slaaf had gedood, of olie, wijn heeft laten weglopen of de zaak zo bedorven had dat het onmogelijk was haar te houden. Zo iemand was aansprakelijk met de actie tot productie.7 Pomponius geeft het voorbeeld van “mijn vee dat door mij opzettelijk werd gedreven naar eikels die van uw boom op mijn grond gevallen waren, met de bedoeling ze op te eten”.
“Eikels van uw boom zijn op mijn perceel grond gevallen en ik laat ze opeten door mijn vee dat ik het land heb opgestuurd. Met welke actie kan ik aansprakelijk worden gesteld? Pomponius schrijft, dat de actie tot productie van toepassing is als ik het vee opzettelijk erheen gedreven heb met de bedoeling dat het de eikels zou opeten. Ook immers als de eikels er nog zouden liggen en u mij niet zou toestaan deze weg te halen zou u aansprakelijk zijn met de actie tot productie, op dezelfde wijze als iemand die mij niet toestaat hout van mij dat op zijn akker is gebracht weg te halen. Ons spreekt deze mening van Pomponius aan. Zowel voor het geval dat de eikels nog voorhanden zijn als voor het geval dat zij opgegeten zijn. Maar als ze nog voorhanden zijn, kan ik ook gebruik maken ‘inzake het verzamelen van vruchten’ dat mij de gelegenheid geeft om de andere dag de vruchten op te rapen als ik mij maar garant stel voor mogelijke schade.”8
Sabinus spreekt over een beker die geproduceerd moest worden en opzettelijk was veranderd in een klomp metaal. Want ook al produceerde hij dezelfde materie, toch werd hij met de actie tot productie aansprakelijk gesteld. Door de vorm te veranderen had hij immers het wezen van de zaak zo goed als vernietigd.9 Aan boos opzet stelden de juristen roekeloosheid gelijk. Als een bezitter door roekeloosheid zijn bezit was kwijtgeraakt, was hij eveneens aansprakelijk op grond van de actie tot productie.10
Een apart geval was dat van de voortvluchtige slaaf. Zolang hij op de vlucht was, kon de bezitter hem niet produceren terwijl het niet aan hem lag dat de slaaf niet aanwezig was. De actie tot productie had dan geen zin. De voormalige bezitter van de slaaf moest dan een garantie geven dat hij de slaaf zou produceren zodra hij hem weer in zijn macht had.11