Het recours objectif, een herwaardering
Einde inhoudsopgave
Het recours objectif, een herwaardering (SteR nr. 56) 2022/3.3:3.3 Conclusie
Het recours objectif, een herwaardering (SteR nr. 56) 2022/3.3
3.3 Conclusie
Documentgegevens:
mr. B. Assink, datum 01-09-2022
- Datum
01-09-2022
- Auteur
mr. B. Assink
- JCDI
JCDI:ADS675359:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Jong 2015, p. 236-237, verwijzend naar Groen 1968, p. 131. Zie in dit verband ook het rapport van de commissie-algemene bepalingen van administratief recht uit 1984, p. 435 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Geconcludeerd kan worden dat gedurende de ontwikkeling van het bestuursrecht als zelfstandig rechtsgebied de ‘staatsrechtelijke benadering’ in besluitvormingsprocedures (waar de nadruk lag op bevoegdheidsverdeling en organisatierecht) afnam. Er werd bij bestuurlijke besluitvorming meer rekening gehouden met de rechten en belangen van de zich verder emanciperende burger. Dat was een belangrijke katalysator voor de ontwikkeling van het recours subjectif als rechtsstatelijke functie van de bestuursrechtelijke beroepsprocedure, welke functie correleert met de wijze van bestuurlijke besluitvorming. In de beroepsprocedure bestond meer aandacht voor het bereiken van Einzelfallgerechtigkeit, waardoor de ontwikkeling van algemene beginselen van behoorlijk bestuur haar weg kon vinden. Nog steeds was in de beroepsprocedure de binding aan wet en recht conform het concept van de (inmiddels democratische) rechtsstaat van groot belang, maar dat mocht steeds minder negatieve gevolgen hebben voor de positie van de rechtzoekende burger. De rechtsstatelijke functie van de procedure bij de bestuursrechter eiste immers dat de uitkomst voor de rechtzoekende rechtvaardig moest zijn. In dat opzicht is het logisch dat hij meer procesregie kreeg. De Jong citeerde ten aanzien van de opkomst van het recours subjectif ten koste van het recours objectif een passage van Groen uit 1968, die één en ander wat betreft de hybride functie van de beroepsprocedure in deze periode treffend samenvatte:
“Afgezien nog van principiële en van theoretische overwegingen zijn wij ook in het administratieve geding de partijen meer en meer gaan zien als echte partijen en niet meer alleen als initiatrices van een zich verder geheel buiten haar om voltrekkende objectieve beoordeling van de wijze waarop een stukje overheidstaak is behartigd. Zonder in het andere uiterste te vervallen door het publiekrechtelijk gezichtspunt geheel uit ons gezichtsveld te bannen, hebben wij meer oog gekregen voor de omstandigheid, dat het ook in het administratieve geding gaat om de berechting en beslissing van een geschil, en dan nog wel van een geschil tussen een sterke en een tegenover haar van nature zwakkere partij, die in het kader van een noodzakelijkerwijs sterk toegenomen omvang van het publiekrechtelijk optreden van de overheid en van door haar met gedelegeerde bevoegdheden toegeruste organen in instellin-gen, grote behoefte heeft aan rechtsbescherming. Dit alles leidt tot een genuanceerder benadering, waarin ook allerlei belangen van de geadministreerden een eigen rechtswaarde verkrijgen náást dat van de objectieve handhaving van het publieke recht.”1