Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.2.2
VII.2.2 De bedoeling en het nut van art. 2:337 BW
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS373756:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 18-19.
Idem Sanders (1988), p. 254. Volgens hem viel een change of control-clausule in een joint ventureovereenkomst eveneens buiten de reikwijdte van art. 2:337 BW. Bij zo'n bepaling was immers geen sprake van sanering van de vennootschappelijke verhoudingen in verband met een impasse in de aandeelhoudersvergadering. Er was enkel sprake van een door aandeelhouders afgesproken overdrachtsverplichting die ontstond door het intreden van een bepaalde gebeurtenis.
Idem Sanders (1988), p. 254; Boukema (1988), p. 46; Westbroek (1991), p. 20-21; Maeijer (1991), p. 335; Handboek (1992), nr. 355; Van den Berg (1992), p. 3-4; Santen (1993), p. 78; Bertrams (1999), p. 74-75; Sanders/Westbroek (2005), p. 370-371; Losbl. Rp. (Roest), art. 337, aant. 3; en Zwankhuizen (2010), p. 50. Anders Van Steenbergen (1988), p. 172; en Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 703.
Ook al kent de Belgische regeling niet een wettelijke verwijzing naar een eigen regeling, uit de wetsgeschiedenis volgde dat met 'contractuele conflictbeschenningsmechanismen' wel degelijk rekening behoort te worden gehouden. Zo'n eigen regeling moest daadwerkelijk tot overdracht leiden. Zie Parl. St. Senaat 1993-94, nr. 1086/2, p. 430.
OK 24 februari 1994, NJ 1995, 354 (Peeters), ro. 4.2.2.
Rb. Rotterdam 5 november 1998, JOR 1998/28 (Sobi/Metz), ro. 4.1.
Sanders (1988), p. 256; Van den Berg (1992), p. 6; en Losbl. Rv (Snijders), art. 1020, aant. 5. De redenering van Sanders luidde dat het wetsvoorstel enkel kon zien op arbitrage (en bindend advies), maar gedwongen aandelenoverdracht en -overname in arbitrage vervolgens niet mogelijk is. De eigen regeling is dus per definitie 'niet toepasbaar'. Art. 2:337 BW ontbeert nut.
Aldus achtereenvolgens Raaijmakers (1988), p. 221; H. Honée (1997), p. 39; Bertrams (1999), p. 69; Boukema (1988), p. 45; en Westbroek (1991), p. 20-21.
Zie onder meer de kritiek van Raaijmakers (1988), p. 221; Van den Berg (1992), p. 4; Bertrams (1999), p. 71-75; Losbl. Rp. (Roest), art. 337, aant. 3; en Huizink (2009), p, 337.
Westbroek (1985/2), p. 714-715; en Emmerig (1988), p. 321.
OK 27 oktober 1994, NJ 1996, 167 (Muller/Muts), m.2.6. Zie ook het instemmende commentaar van Slagter bij deze uitspraak, TVVS 1995, p. 76-77.
Uit de wetgeschiedenis volgt dat een statutaire bepaling voor het geval de stemmen staken in een aandeelhoudersvergadering in de zin van art. 2:120/230 lid 1 BW als eigen regeling werd gezien.1 Ik vraag mij af of die zienswijze juist is. Het is slechts een voorziening voor het geval de stemmen staken. In een daadwerkelijke en definitieve oplossing voorziet zo'n statutair noodverband niet. Stel dat de statuten de regel behelzen dat bij het staken der stemmen de voorzitter van de vergadering de knoop mag doorhakken. Als gevolg van een verstoorde verhouding tussen de aandeelhouders stagneert de besluitvorming, zodat de voorzitter telkens uitkomst moet bieden. De besluiten worden dan wel genomen, maar van een bevredigende oplossing is geen sprake. De wettelijke uitstoting of uittreding moet aan de voortdurende impasse en het structurele conflict een definitief einde maken. De statutaire regeling waarop in art. 2:120/230 lid 1 BW wordt gedoeld, is daarom naar mijn mening niet een eigen regeling. Een stemovereenkomst valt om dezelfde reden evenmin onder art. 2:337 BW.2 De eigen regeling moet mijns inziens dus (uiteindelijk) tot een daadwerkelijke aandelenoverdracht kunnen leiden.3 Dit kan met de gehele of gedeeltelijke terzijdestelling van de wettelijke geschillenregeling.4
Ook de blokkeringsregeling is niet een regeling als bedoeld in art. 2:337 BW. Met het oog op het verplichte bestaan van dergelijke statutaire bepalingen is nu juist de geschillenregeling in de wet opgenomen, stelde de OK in een uittredingszaak.5 De rechtbank Rotterdam kwam ten aanzien van een statutaire aanbiedingsregeling eveneens tot de conclusie dat dit niet een regeling voor de oplossing van geschillen tussen aandeelhouders was. De regeling bevatte niet een afnameverplichting door medeaandeelhouders en leidde dus niet tot een zelfde resultaat als de wettelijke ge schillenregeling.6
In de literatuur is het nut van art. 2:337 BW betwist. De bepaling werd oneerbiedig een 'doodgeboren kindje' genoemd.7 De kritiek spitste zich toe op de onduidelijke wettekst, in het bijzonder op de zinsnede dat de eigen regeling 'niet kan worden toegepast'.
De tekst was apocrief, onbeholpen, niet duidelijk, niet vrij van dubbelzinnigheid én een semantisch misverstand.8 Het was onduidelijk wanneer sprake was van niet toepasbaarheid. De rechter ontkwam niet aan het toch marginaal toetsen van de eigen regeling. Als een vingerwijzing naar arbitrage klopte het artikel helemaal niet. De wettelijke arbitragebepalingen bevatten voor allerlei complicaties immers een oplossing. Ontoepasbare arbitrage was vrijwel ondenkbaar. Tot slot was de toelichting niet overtuigend.9
Volgens Westbroek hielden regelingen van aandeelhouders zelden een uitstotingsregeling in. Hij bepleitte schrapping van art. 2:337 BW. Emmerig daarentegen vond het goed dat partijen hun positie nog eens moesten overdenken. Eventueel kunnen zij nog water bij de wijn doen voordat de rechter eraan te pas komt.10 Dat Westbroek het gelijk aan zijn zijde had, bleek later uit een uitspraak van de OK in 1995. In een joint venture-verhouding hadden de twee aandeelhouders van een BV in een overeenkomst opgenomen dat de vaste accountant van de vennootschap ieder geschil besliste. Een gewone rechtsgang werd dus uitgesloten. De accountant echter weigerde als 'constante scheidsman' op te treden. De OK oordeelde dat de aandeelhoudersovereenkomst niet aan het volgen van de wettelijke geschillen-regeling in de weg stond.11
Ook al trekken veel schrijvers het nut van art. 2:337 BW in twijfel, ik acht schrapping niet gewenst. Het is goed dat er expliciet ruimte is voor de aandeelhouders om de uitstoting en uittreding op een door hen gewenste wijze te regelen. De wettelijke geschillenregeling behoort volgens mij subsidiair te blijven. Het artikel maakt bovendien duidelijk dat statutaire of contractuele afspraken over waardering voorgaan. Gezien de kritiek in de literatuur, lijkt mij aanpassing van de redactie van het artikel geen overbodige luxe.