Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/4.2.3
4.2.3 Nederlandse nationaliteit
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS431766:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 32 (MvT): 'Dat kan immers directe gevolgen hebben voor bijvoorbeeld de naam of het Nederlanderschap van een persoon.'
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 32 (MvT).
In deze zin nog wel Voorontwerp van Wet, MvT, April 1993, p. 28. Hierover: D. Kokkini-Iatridou & K. Boele-Woelki, `De regeling van de 'Internationale rechtsmacht' in het voorontwerp van wet van 1993', IVIPR 1993, p. 330, waarin ook een opsomming is te vinden van landen die een forum nationalitatis hanteren. Vgl. Struycken (1970), p. 171-174.
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 32 (MvT). Ook zijn er gevallen waarin de nationaliteit geen of een minder relevante aanknopingsfactor is. Een op art. 3 sub c Rv gebaseerd forum nationalitatis is dan niet goed te hanteren. Dat is het geval bijv. in het verzoek tot boedelbeschrijving ter zake van een in het buitenland opengevallen nalatenschap. Anders M. Freudenthal, 'Internationale bevoegdheid in erfrechtelijke zaken', Nieuw erfrecht 2003, p. 58. Vgl. voor het 'oud' procesrecht: 1-1R 18 mei 2001, NJ 2002, 478 (PV).
Te kennen uit IVIPR 2006, 15.
Zie bijv. ook Rb. 's-Gravenhage 13 februari 2006, /JNAW9815 i.v.m. een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap: 'De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, aangezien het verzoek voldoende aanknoping heeft met de Nederlandse rechtssfeer. Immers, het verzoek is gericht op het naar Nederlands recht vestigen van familierechtelijke betrekkingen met een man die de Nederlandse nationaliteit heeft en in Nederland woont.' Nu de man (belanghebbende) in Nederland woont, had de rechtsmacht mijns inziens reeds gebaseerd kunnen worden op art. 3 sub a Rv.
Vgl. art. 36 Belgische IPR-Wet: 'De Belgische rechters zijn bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tot vaststelling van de naam of de voornamen van een persoon, naast de gevallen voorzien in de algemene bepalingen van deze wet, indien die persoon bij de instelling van de vordering Belg is of zijn gewone verblijfplaats in België heeft. De Belgische overheden zijn eveneens bevoegd om kennis te nemen van vorderingen tot verandering van de naam of de voornamen van een persoon indien deze bij de instelling van de vordering Belg is.'
Hetzelfde heeft naar mijn mening te gelden voor het verzoek tot vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen (art. 1:426 BW) alsmede het verzoek tot rechterlijke machtiging tot de uitoefening van het recht van erfgenaam of legataris ten aanzien van personen wiens bestaan onzeker is (art. 1:412 BW).
Zie art. 7 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen, 's-Gravenhage 13 januari 2000, Trb. 2000, 10 (hierna: HMbV 2000): de autoriteiten van de verdragsstaat waarvan de meerderjarige onderdaan is, hebben in beginsel slechts rechtsmacht indien zij zich beter in staat achten het belang van de meerderjarige te beoordelen.
De Memorie van Toelichting noemt een aantal voorbeelden waarin de Nederlandse rechter zich op grond van art. 3 sub c Rv als een forum conveniens bevoegd zou kunnen verklaren. De genoemde voorbeelden hebben alle betrekking op het personen-en familierecht (inclusief levensonderhoud). In deze voorbeelden wordt de verbondenheid met de rechtssfeer van Nederland gevonden in de Nederlandse nationaliteit. Zo dient de Nederlandse rechter volgens de Toelichting in beginsel rechtsmacht te bezitten ten aanzien van de staat van in het buitenland wonende Nederlanders. De redenering van de wetgever is als volgt. In staatkwesties van Nederlanders spelen meerdere belangen een rol die tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter aanleiding geven. Enerzijds is er het belang van de bij de staatkwestie betrokken personen, anderzijds het belang van Nederland om elke onduidelijkheid over de staat van Nederlanders door een Nederlandse rechter te laten verhelderen.1 Is de Nederlandse rechter dan steeds bevoegd als het gaat om staatkwesties van Nederlanders? Levert de Nederlandse nationaliteit voor forum conveniens-doeleinden altijd voldoende binding op? Kan in art. 3 sub c Rv een forum nationalitatis worden gelezen? Volgens de Memorie van Toelichting niet:
`Niet in elke staat-zaak is echter een zodanig Nederlands belang aanwezig, dat tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter zou moeten leiden. Betreft het geschil een onderwerp, waarbij geen rechtstreeks Nederlands belang aanwezig is, dan zal er een bijzondere reden moeten zijn om de Nederlandse rechter rechtsmacht te geven.'2
In art. 3 sub c Rv kan dus geen absoluut forum nationalitatis worden gelezen, op grond waarvan de Nederlandse rechter forum conveniens is iedere keer als er een Nederlander bij de procedure is betrokken.3 Naar mijn mening stuit een forum nationalitatis niet op bezwaren als er naast de Nederlandse verzoeker geen belanghebbenden bij de procedure betrokken zijn. Er kan dan geen sprake zijn van het gebruik van een exorbitante bevoegdheidsgrond jegens derden. Zijn er daarentegen wel belanghebbenden, bijvoorbeeld een wederpartij, dan kan de Nederlandse nationaliteit ontoereikend zijn. Van de wederpartij mag dan niet verwacht worden dat hij procedeert bij de Nederlandse rechter, terwijl een buitenlandse rechter op grond van de gemeenschappelijke nationaliteit of woonplaats van partijen bevoegd is en de buitenlandse beslissing in Nederland kan worden erkend.4
Volgens de Memorie van Toelichting kunnen vragen over het al dan niet bestaan van familierechtelijke banden tussen een Nederlandse vader en een Nederlands kind, die beiden woonachtig zijn in het buitenland, op basis van art. 3 sub c Rv voor de Nederlandse rechter worden gebracht. In dit verband kan worden gewezen op een beschikking van de Rb. ' s-Gravenhage 20 december 2004 betreffende een verzoek tot ontkenning van het vaderschap.5 In casu bezitten de vrouw en de kinderen de Nederlandse nationaliteit en hebben zij allen hun woonplaats in Brazilië. De man bezit de Britse nationaliteit en woont in het Verenigd Koninkrijk. Aan het in Nederland gesloten huwelijk tussen de vrouw en de man is een einde gekomen door een echtscheidingsbeslissing van de Braziliaanse rechter. De biologische vader van de kinderen is Nederlander. Het verzoek tot ontkenning van het vaderschap was ingesteld door een door de Rb. ' s-Gravenhage over de minderjarigen benoemde bijzondere curator. De rechtbank acht zich krachtens art. 3 sub c Rv bevoegd om van het verzoek kennis te nemen, 'immers de vrouw en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en de achterliggende grond van het verzoek is te bewerkstelligen dat de band tussen de kinderen en hun biologische vader (...) ook in Nederland kan worden erkend.' 6
Ik geef nog een aantal andere voorbeelden. De Nederlandse rechter is forum conveniens in het verzoek tot voornaamswijziging van Nederlanders die in het buitenland hun woonplaats hebben. Het is van belang dat Nederlandse staatsburgers de mogelijkheid tot voornaamswijziging die hun nationale wet hen biedt (art. 1:4 lid 4 BW) ook daadwerkelijk kunnen realiseren.7 Dat geldt ook voor de mogelijkheid om de Nederlandse rechter in de in art. 1:28 lid 1 BW genoemde gevallen te verzoeken om een beslissing tot wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte. De Nederlandse nationaliteit speelt ook een rol als het bestaan van een persoon onzeker is. Wordt een Nederlander vermist, dan kunnen belanghebbenden die in het buitenland woonachtig zijn bij de Nederlandse rechter terecht met een verzoek tot gerechtelijke verklaring van een rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste persoon (art. 1:413 BW). Het lijkt mij dat het dan verder niet van belang is waar de vermiste persoon tot aan de vermissing zijn gewone verblijfplaats heeft gehad.8 Verder kan worden gedacht aan zaken die betrekking hebben op de bescherming van de persoon of het goed van een Nederlandse meerderjarige die in het buitenland zijn gewone verblijfplaats heeft. Aangezien de nationaliteit van de meerderjarige in kwesties van bescherming een ongebruikelijke bevoegdheidsgrond is, doet de Nederlandse rechter er goed aan hierbij terughoudendheid te betrachten.9