Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/12.4.1
12.4.1 Inleiding
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS348508:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Deze procedure houdt kort gezegd in dat het bestuur de aandeelhoudersvergadering bijeen moet roepen om te beraadslagen over ontbinding wanneer ten gevolge van geleden verlies het netto actief is gedaald tot de helft respectievelijk een vierde van het maatschappelijk kapitaal.
K. Geens, M. Wyckaert, C. Clottens, F. Parrein, S. de Dier, S. Cools, ‘Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen 1999-2010’, TPR 2012, afl. 1, 73-683, p. 299-300; Rechtbank van Koophandel Tongeren 13 januari 2005, RABG 2005, 1570 m.nt. E. Janssens.
Artikelen 1382 e.v. BBW vormen het equivalent van de onrechtmatige daad ex art. 6:162 BW.
Geens e.a. 2012, p. 298-299.
H. Braeckmans en R. Houben, Handboek Vennootschapsrecht, Antwerpen: Intersentia 2012, p. 344 e.v. Met de bestuursovereenkomst wordt bedoeld de relatie tussen de bestuurder en de vennootschap.
Anders dan in Nederland, heeft de externe aansprakelijkheid van bestuurders in België een wettelijke grondslag in het vennootschapsrecht zelf. Art. 262 WvV bepaalt voor de ‘zaakvoerders’ van de besloten vennootschap het volgende:
“De zaakvoerders zijn overeenkomstig het gemeen recht verantwoordelijk voor de vervulling van de hun opgedragen taak en aansprakelijk voor de tekortkomingen in hun bestuur.”
Art. 263 WvW luidt verder als volgt:
“De zaakvoerders zijn, hetzij jegens de vennootschap, hetzij jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van overtreding van de bepalingen van dit wetboek of van de statuten van de vennootschap. Ten aanzien van de overtredingen waaraan zij geen deel hebben gehad, worden zij van die aansprakelijkheid slechts ontheven indien hun geen schuld kan worden verweten en zij die overtredingen hebben aangeklaagd op de eerste algemene vergadering nadat zij er kennis van hebben gekregen.”
Art. 264 WvW luidt voorts:
“Onverminderd artikel 263, zijn de zaakvoerders persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de schade geleden door de vennootschap of door derden ten gevolge van beslissingen of verrichtingen die hebben plaatsgevonden met inachtneming van artikel 259, indien die beslissing of verrichting aan hen of aan een van hen een onrechtmatig financieel voordeel heeft bezorgd ten nadele van de vennootschap.”
In de artt. 527-529 WvV zijn dezelfde bepalingen opgenomen voor de ‘bestuurders’, ‘leden van het directiecomité’ en ‘dagelijks bestuurders’ van de naamloze vennootschap. Ik zal hierna gemakshalve blijven spreken van bestuurders.
Een bestuurder is op basis van voornoemde bepalingen rechtstreeks aansprakelijk jegens derden voor schending van het WvV. Die schending kan bestaan uit bijvoorbeeld (i) de niet-naleving van de zogenoemde alarmbelprocedure van art. 332 en art. 633 WvV,1 (ii) onregelmatigheid van de boekhouding, (iii) de afwezigheid en de niet-neerlegging van de jaarrekening, (iv) het ontbreken van notulen van de vergaderingen van de algemene vergadering of het bestuursorgaan, (v) vermogensvermenging, (vi) het gedurende jaren niet bereiken van het door de wet voorgeschreven aantal bestuurders, (vii) het gedurende jaren geen algemene vergadering houden of (viii) vereffening van de vennootschap zonder voorafgaande beslissing van de algemene vergadering. Een bestuurder is op basis van deze bepalingen voorts rechtstreeks aansprakelijk jegens derden voor schending van de statuten. Die schending kan bijvoorbeeld bestaan uit de aanwending van vennootschapsmiddelen voor andere doeleinden dan haar statutaire doel. Daarvan is in ieder geval sprake bij aanwending in het persoonlijk voordeel van een bestuurder en/of bij de inpandgeving van een handelszaak van de vennootschap voor een persoonlijke schuld van de zaakvoerder.2
Hoewel in voormelde gevallen de grondslag voor aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de derde wordt gevonden in de schending van het WvV of de statuten (waarmee wettelijk is vastgelegd dat de normschending mede strekt tot bescherming van de derde), geldt dat de vordering van de derde op de bestuurder nog wel immer gebaseerd is op de gemeenrechtelijke onrechtmatige daad van de artt. 1382-1383 BBW.3 De derde dient dus een causaal verband tussen de overtreding en de schade te bewijzen. Daarbij mag hij evenwel gebruikmaken van de wettelijke vermoedens van causaal verband vastgelegd voor bepaalde overtredingen uit het WvV. Voorbeelden van die overtredingen zijn niet-voorlegging en niet-neerlegging van de jaarrekening en schending van de alarmbelprocedure.4
Afgezien van het brede scala aan normen die het WvV oplegt aan de bestuurder en die de bestuurder heeft te respecteren in zijn verhouding tot de derde, geldt dat de bestuurder, net zoals iedereen in België, door een derde kan worden aangesproken voor een schending van de algemene gemeenrechtelijke zorgvuldigheidsnorm, oftewel voor een onrechtmatige daad ex artt. 1382-1383 BBW. Zowel bestuurders, leden van het directiecomité, dagelijks bestuurders als feitelijk bestuurders kunnen op deze grondslag worden aangesproken. De bestuurder kan op deze grond aansprakelijk zijn tegenover zowel de vennootschap als derden.5