Rb. Breda, 12-07-2011, nr. 004217-99
ECLI:NL:RBBRE:2011:BR1317
- Instantie
Rechtbank Breda
- Datum
12-07-2011
- Zaaknummer
004217-99
- LJN
BR1317
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBBRE:2011:BR1317, Uitspraak, Rechtbank Breda, 12‑07‑2011; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBBRE:2002:AD9165, Uitspraak, Rechtbank Breda, 04‑02‑2002; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2003:AO9528
Uitspraak 12‑07‑2011
Inhoudsindicatie
De rechtbank Breda heeft E.S. veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag ter hoogte van € 772.473 aan de Nederlandse staat. Het openbaar ministerie had € 5.112.854 geëist. E.S. werd in 2003 in hoger beroep veroordeeld tot 9 jaar gevangenisstraf voor zijn aandeel in de zo geheten York-zaak.
Partij(en)
RECHTBANK BREDA
Sector strafrecht
Parketnummer: 004217-99
beslissing op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de rechtbank d.d. 12 juli 2011
in de ontnemingszaak tegen
[verda[verda[verdachte]
geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum]
wonende te [adres]
raadsman mr. Laus, advocaat te Haarlem
- 1.
De procedure
- -
de vordering, die binnen de in artikel 511b van het wetboek van strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;
- -
het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 23 juli 2003, waaruit blijkt dat betrokkene is veroordeeld tot 9 jaar gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest, voor:
- 1.
Medeplegen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet (oud), en bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
- 2.
A. Deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
- 3.
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B (oud) van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid aanhef
en onder C (oud) van de Opiumwet;
- 4.
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie;
- -
het strafrechtelijk financieel onderzoek. Er heeft een schriftelijke procedure plaatsgevonden, waarin conclusies van repliek en dupliek zijn gewisseld. De vordering is laatstelijk inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De officier van justitie heeft het te ontnemen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel gewijzigd in 5.112.854 euro, zoals ook vermeld in het aanvullend proces-verbaal op het strafrechtelijk financieel onderzoek.
2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie
De overschrijding van de redelijke termijn
De verdediging heeft aangevoerd dat de duur van de overschrijding van de redelijke termijn, waarbinnen volgens jurisprudentie van de Hoge Raad (NJ 2001, 307 en NJ 2000, 721) uitspraak moet worden gedaan, in deze ontnemingszaak aanmerkelijk is. In casu moet dit volgens de verdediging leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Het aanvangsmoment van de redelijke termijn is volgens de verdediging in deze zaak de aankondiging van het voornemen van het openbaar ministerie gedateerd op 21 januari 2002.
De zaak is verschillende malen aangehouden op verzoek van de verdediging. Op 24 juni 2005 werd de zaak aangehouden, omdat de rechtbank niet over een volledig dossier beschikte. Vanaf deze datum moet het uitstel van de zaak aan het openbaar ministerie worden toegerekend. Er is weliswaar door de verdediging op 20 april 2006 nogmaals aanhouding verzocht, dit neemt niet weg dat er een periode van inactiviteit van vijf jaar is geweest. Mede gelet op de gehele termijn vanaf de aankondiging van de ontnemings-procedure, moet dit leiden tot het oordeel dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. Bij afweging van het belang van enerzijds de maatschappij bij ontneming van wederrechtelijk verkregen vermogen tegen anderzijds het belang van de veroordeelde bij berechting binnen een redelijke termijn, zal vaak geoordeeld worden dat het belang van de maatschappij zwaarder weegt en zal het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie worden verworpen. In deze zaak ligt dat anders gezien de aanmerkelijke duur van de overschrijding, aldus de verdediging.
De rechtbank stelt, evenals de officier van justitie en de verdediging, vast dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. De datum, waarop jegens de veroordeelde een handeling werd verricht waaraan hij de verwachting kon ontlenen dat het openbaar ministerie het wederrechtelijk verkregen voordeel zou terug-vorderen, moet worden gesteld op 21 januari 2002.
Voor wat betreft de berechting van een ontnemingsvordering in eerste aanleg hanteert de Hoge Raad als uitgangspunt dat de behandeling ter zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar, nadat de termijn is aangevangen. De ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdediging en de veroordeelde op het procesverloop en de houding van de justitiële autoriteiten kunnen onder meer aanleiding zijn van dit uitgangspunt af te wijken.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval weliswaar sprake is van een ingewikkelde zaak, maar het tijdsverloop is in belangrijke mate aan de justitiële autoriteiten toe te rekenen, waarbij ook een rol heeft gespeeld dat de procedure tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel tijdens de hoger beroep fase van de strafzaak heeft stil gelegen. Gelet daarop acht de rechtbank de redelijke termijn geschonden en wel in aanzienlijke mate. Bij afweging van alle daarbij in acht te nemen belangen ziet de rechtbank echter geen aanleiding om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden bij de bepaling van de hoogte van het te ontnemen bedrag.
3 De beoordeling
De grondslag van de voordeelsberekening
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het wetboek van strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde in genoemd arrest van het hof, welk voordeel mede is verkregen door middel van baten van soortgelijke feiten.
In voornoemd arrest werd bewezen verklaard dat [verdachte] deel uitmaakte van de criminele organisatie van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] (feit 2A), die zich bezig hield met – kort gezegd – uitvoer en handel in verdovende middelen als bedoeld in artikel 2 Opiumwet onder lijst I.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de criminele organisatie dat volgens vaste jurisprudentie indien iemand is veroordeeld voor deelneming aan zodanige organisatie het voordeel is aan te merken als zijnde verkregen door middel van de bewezenverklaarde deelneming, ook voorzover het gaat om binnen het oogmerk van die organisatie door leden van de criminele organisatie begane misdrijven, waarvan niet bewezen kan worden dat de betrokkene daaraan feitelijk heeft deelgenomen.
Op grond van het Geerings arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
(NJ 2007, 349) mag voordeel, voortvloeiend uit feiten waarvan [verdachte] door het hof is vrijgesproken niet in de voordeelsberekening worden meegenomen. Dit laat volgens de Hoge Raad (NJ 2008, 128) onverlet dat voordeel verkregen door soortgelijke (niet tenlastegelegde) feiten wel kan worden meegenomen in de voordeelsberekening.
De rechtbank wijst in dit verband op de overweging van het hof in het tegen [verdachte] gewezen arrest ten aanzien van de feiten 2B-1 en 2B-2. Feit 2B-1 betrof deelname aan een criminele organisatie van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] en feit 2B-2 betrof deelname aan een criminele organisatie van [medeverdachte 11] en [medeverdachte 12]. Van deze beide feiten is [verdachte] door het hof vrijgesproken. Het hof overweegt in het arrest dat er “weliswaar aanwijzingen bestaan voor verdachtes betrokkenheid bij het afnemen van door de organisatie ingevoerde middelen, maar dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende blijkt dat verdachte als deelnemer bij genoemde criminele organisatie was betrokken.”
De rechtbank stelt vast dat wel kan worden aangenomen dat [verdachte] op incidentele basis betrokken is geweest bij verkooptransacties van deze organisaties.
Artikel 36e lid 2 Sr houdt in dat voor het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel van het plegen van soortgelijke feiten voldoende aanwijzingen voor het plegen van die feiten moeten bestaan.
Bij de voordeelsberekening gehanteerde prijzen voor XTC-pillen
Door de verdediging is aangevoerd dat de opbrengst per XTC-pil veel minder is geweest dan waarvan in de voordeelsberekening van het strafrechtelijk financieel onderzoek wordt uitgegaan.
De rechtbank gaat echter uit van de berekening vermeld in het strafrechtelijk financieel onderzoek en het proces-verbaal van het Politie Infiltratie Team, nu het op de weg van de verdediging had gelegen voornoemde stelling nader te onderbouwen.
Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank aan de hand van de volgorde, genoemd in het aanvullend proces-verbaal op het strafrechtelijk financieel onderzoek, het wederrechtelijk verkregen voordeel bespreken en daarbij verwijzen naar voetnoten.
Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.1
Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit
Uit tapgesprekken valt af te leiden dat er op 9 juli 1997 een levering van verdovende middelen heeft plaatsgevonden, waarbij onder meer [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken waren. Dit betrof een transactie, uitvoer naar Groot-Brittannië van 220 kg amfetamine en/of XTC, binnen voornoemde criminele organisatie. Rond die periode verbleven [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] in Londen. Op 9 juli 1997 om 21.52 uur stuurde [medeverdachte 1] het bericht naar [verdachte] dat alles goed was en dat hij het ging oplossen.
Uit tapgesprekken vanaf 13 juli 1997 tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] bleek dat er 286.000 gulden moest worden afgerekend. Er was 178.000 gulden betaald en er moest nog 108.000 gulden betaald worden. Volgens [verdachte] moest er 1,3 betaald worden. Dit had kennelijk betrekking op de afgesproken prijs per eenheid. In telefoongesprekken op 14 juli 1997 tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 13] werd duidelijk dat er 250 pond voor [verdachte] moest worden betaald.
Gezien het feit dat 286.000 gulden werd betaald en de prijs per eenheid volgens [verdachte] 1.300 was, werd er in totaal 220 kg geleverd. Voor 220 kg ontving [verdachte]: 220 x 250 pond = 55.000 pond x 3,20 gulden = 176.000 gulden.
Bij de berekening is de rechtbank uitgegaan van de gehanteerde prijzen in het strafrechtelijk financieel onderzoek en het proces-verbaal van het Politie Infiltratie Team . Daarvan uitgaande kan het wederrechtelijk verkregen voordeel worden geschat op 176.000 gulden.
Strafbare feiten, paragraaf 6.2.2.2 en 6.2.2.3
Bewezenverklaard feit 3 en soortgelijke niet tenlastegelegde feiten
Onder feit 3 is in voornoemd arrest bewezen verklaard dat [verdachte] betrokken is geweest bij de levering van 61.911 XTC-pillen. Uit telefoongesprekken in de periode van 8 mei 1998 tot en met 24 juni 1998 viel af te leiden dat onder meer [verdachte], [medeverdachte 2], en [medeverdachte 1] in contact stonden met [medeverdachte14] in verband met de levering van verdovende middelen. Op 24 juni 1998 werd [medeverdachte 14] in Breda aangehouden met 61.911 XTC pillen. Uit semafoonverkeer tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] is duidelijk geworden dat [verdachte] de code 77 of 777 hanteerde om aan te geven dat een bericht van hem afkomstig was. Deze cijfers werden voorafgegaan of gevolgd door een aantal of gewicht. Op 24 juni 1998 stond als bericht in de semafoon bij [medeverdachte 2] vermeld: 7760000. Tevens is na uitlezen van de semafoon vastgesteld dat met code 77 of 777 in combinatie met aantallen op 27 maart 1998, 4 mei 1998, 8 mei 1998, 27 mei 1998, 3 juni 1998, 6 juni 1998, 11 juni 1998, 22 juni 1998, 24 juni 1998 berichten werden verstuurd door [verdachte] aan [medeverdachte 2]. In totaal gaat het dan om 227.000 XTC pillen, inclusief de 60.000 pillen die op 24 juni 1998 aan [medeverdachte14] werden geleverd.
Uitgaande van een opbrengst van 1,225 gulden per XTC-pil kan het wederrechtelijk verkregen voordeel worden geschat op: 227.000 x 1, 225 = 278.075 gulden.
Strafbaar feit 6.2.2.7
Soortgelijke, niet tenlastegelegde feiten
Uit observaties, tapgesprekken en semafoonverkeer komt de betrokkenheid van onder meer [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en met name [medeverdachte 3] naar voren bij de leveringen op 7 en 9 juni 1999. De leveringen op 4 april 1999 en 7 mei 1999 zijn vastgesteld aan de hand van observaties, tapgesprekken en semafoonverkeer tussen [verdachte] en [medeverdachte 3]. Code 77 of 777 werd ook hier gehanteerd om aan te geven dat berichten van [verdachte] afkomstig waren. De rechtbank wijst in dit verband ook op de verklaring van [medeverdachte 3], waarin deze de leveringen van amfetamine heeft bevestigd.
Vastgesteld is dat er de volgende leveringen van amfetamine hebben plaatsgevonden aan [verdachte]:
Op 7 juni 1999: 50 kg
Op 9 juni 1999: 48, 1 kg
Op 4 april 1999: 30 kg
Op 7 mei 1999: 50 kg
Totaal 178, 1 kg
Een kilogram amfetamine kan worden omgezet in 3333 XTC-pillen. Bij een totaal van 178,1 kg amfetamine betekent dit: 178, 1 x 3333 = 593.607 pillen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel per pil bedraagt 1, 225 gulden. Het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel voor dit feit kan worden geschat op 593.607 x 1,225 = 727.168,58 gulden.
Strafbaar feit 6.2.2.8
Bewezenverklaard feit 3
Op 9 mei 1999 heeft een levering van 30.000 XTC-pillen namens [verdachte] aan het Politie Infiltratie Team plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van het Infiltratieteam leidt de rechtbank af dat na onderhandeling een prijs werd afgesproken van 3,20 gulden per pil. Rekening houdend met de gemiddelde inkoopprijs van 2,025 gulden kan het wederrechtelijk verkregen voordeel voor dit feit worden geschat op 30.000 x (3,20 – 2,025) 1,175 = 35.250 gulden.
Strafbaar feit 6.2.2.9
Bewezenverklaard feit 3
Op 4 juli 1999 heeft een levering van 36.000 XTC-pillen namens [verdachte] aan het Politie Infiltratie Team plaatsgevonden. Ook hier verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van het Infiltratieteam voor de prijs van 3,20 gulden per pil die werd afgesproken. Rekening houdend met de gemiddelde inkoopprijs van 2,025 gulden kan het wederrechtelijk verkregen voordeel voor dit feit worden geschat op 36.000 x (3,20 – 2,025) 1,175 = 42.300 gulden.
Strafbaar feit, niet genummerd, na 6.2.2.9
Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit
Op 23 juni 1999 is 50.000 gulden door het Politie Infiltratie Team betaald aan [verdachte] voor de levering van 15.000 XTC pillen. Uiteindelijk bleek de partij niet te zijn geleverd en vroegen de infiltranten het geld terug. [verdachte] heeft het geld echter nooit teruggegeven.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel bij dit feit kan derhalve worden geschat op 50.000 gulden.
Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.10
Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit
Op 8 december 1998 werd [medeverdachte 29] in Israël aangehouden. Hij was toen in het bezit van circa 52.000 XTC pillen. De betrokkenheid van [verdachte] bij dit feit komt naar voren in de tapgesprekken op 7 en 8 december 1998. Op 7 december 1998 belde [verdachte] met het telefoonnummer van [medeverdachte 12]. Eerst werd over een andere zaak gesproken, die nog twee weken moest wachten. Daarna vroeg [verdachte]: “Wat betreft die andere zaak?” De man aan de telefoon antwoordde daarop: “Ja, morgen kunnen we gaan.”
Op 8 december werd [medeverdachte 16] in Israël aangehouden in het bezit van 52.000 XTC-pillen met het logo Rolex.
Op 8 december 1998 zei [verdachte] tegen [medeverdachte 15], nadat [medeverdachte 16] was aangehouden: “Niets aan de hand joh, ik heb geen haast. Iedereen moet stoppen, het stoplicht staat op rood.” [medeverdachte 15] zegt dat ze geen keuze hebben en op de volgende ronde moeten wachten, de volgende mogelijkheid.
Van deelname aan de Israëlische criminele organisaties is [verdachte] weliswaar vrijgesproken, maar op grond van voornoemde aanwijzingen is de rechtbank van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van deze levering aan hem kan worden toegerekend.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op: 52.000 x 1, 225 = 63.700 gulden.
Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.11 en 6.2.2.12
Soortgelijke, niet tenlastegelegde feiten
Op 7 februari 1999 werden [medeverdachte 16] en [medeverdachte 17] in Frankfurt am Main aangehouden met 65.000 XTC pillen en [medeverdachte 18] in New York met 100.000 XTC pillen.
De betrokkenheid van [verdachte] bij deze feiten komt naar voren in de tapgesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 19] op 22 december 1998, waarin [verdachte] over de zaak Duitsland spreekt. Op 31 december 1998 zei [verdachte] tegen [medeverdachte 19] dat die zaak van Duitsland in orde was en dat hij “het” al hier had. [verdachte] zei dat “het” bijzonder goed was en dat de prijs uitstekend was. Op 12 januari 1999 zei [verdachte] tegen [medeverdachte 19] dat hij de bestelling en alles had afgegeven. Er was volgens hem nog niets gebeurd, want er waren vertragingen. Op 1 februari 1999 vroeg [verdachte] aan [medeverdachte 19] hoe het er voor stond. [medeverdachte 11] zei dat het nog drie of vier dagen duurde. Op 5 februari 1999 zei [medeverdachte 11] tegen [medeverdachte 12] dat hij zondag, 7 februari 1999, alles zou sturen wat gestuurd moest worden. Op 6 februari 1999 zei [verdachte] tegen [medeverdachte 12] dat zijn vriend alle papieren had opgestuurd met zijn dochter en dat hij alle papieren had. Hieruit kan worden afgeleid dat [verdachte] van iemand geld had gekregen. Op 7 februari 1999 vertrok [medeverdachte 18] vanaf het vliegveld Frankfurt am Main naar New York. Bij aankomst werden er in zijn bagage 100.000 XTC-pillen met het logo “hart” aangetroffen.
Op diezelfde dag werden in Frankfurt am Main [medeverdachte 16] en [medeverdachte 17] aangehouden in het bezit van 65.000 XTC-pillen.
Ook hier geldt dat op grond van voornoemde aanwijzingen het wederrechtelijk verkregen voordeel van deze leveringen aan [verdachte] kan worden toegerekend.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op: 65.000 x 1, 225 gulden = 79.625 gulden en 100.000 x 1, 225 gulden = 122.500 gulden.
Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.13
Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit
Op 15 februari 1999 werden [medeverdachte 9], [medeverdachte 20], [medeverdachte 21] en [medeverdachte 22] aangehouden in Antwerpen met circa 2.000 XTC-pillen. De betrokkenheid van [verdachte] bij dit feit komt naar voren in de tapgesprekken op 13 februari 1999 van [verdachte] en [medeverdachte 19]. Bij dit feit acht de rechtbank de aanwijzingen echter onvoldoende om te kunnen vaststellen dat [verdachte] hier wederrechtelijk verkregen voordeel van heeft genoten.
De rechtbank zal dit feit dan ook niet meenemen in de voordeelsberekening.
Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.18
Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit
Op 6 mei 1999 werd [medeverdachte 24] op de luchthaven van Tel Aviv aangehouden met 100.000 XTC-pillen, type viagra.
Op 28 april 1999 bleek dat [verdachte] en [medeverdachte 19] de beschikking hadden over een partij verdovende middelen, door hen aangeduid als viagra’s.
De betrokkenheid van [verdachte] bij dit feit blijkt verder uit de inhoud van tapgesprekken van [verdachte], [medeverdachte 19] en [medeverdachte 23]. Ook komt uit de tapgesprekken een connectie met de criminele organisatie van [medeverdachte 1] naar voren. [medeverdachte 1] sprak op 5 mei 1999 met [medeverdachte 3] af dat [medeverdachte 3] zou rijden. Door gebruikmaking van een technisch hulpmiddel werd vastgesteld dat de BMW van [medeverdachte 3] en de BMW van [medeverdachte 11] zich op 5 mei 1999 in Antwerpen bevonden. Op 6 mei 1999 werd [medeverdachte 11] gebeld door een Engels sprekende man. Deze man zei dat hij de tijd niet wist en dat ze hem de tijd moesten zeggen. Aansluitend werd [medeverdachte 19] (na een verzonden semafoonbericht) door [verdachte] gebeld. [medeverdachte 11] zei toen dat “hij” niet wist welke tijd vandaag. [verdachte] antwoordde daarop dat hij het “hem” zou zeggen en dat alles in orde was. Met gebruikmaking van een technisch hulpmiddel werd vastgesteld dat de BMW van [medeverdachte 11] en de BMW van [medeverdachte 3] op 6 mei 1999 opnieuw in Antwerpen waren. Op 13 mei 1999 werd [medeverdachte 11] door [medeverdachte 23] gebeld. Hij zei dat er vandaag een Belg met een enorme hoeveelheid van die dingen was gepakt.
Op grond van voornoemde aanwijzingen acht de rechtbank de betrokkenheid van [verdachte] bij deze transactie vastgesteld, te meer nu uit het onderzoek is komen vast te staan dat in het kader van het infiltratietraject ook XTC-pillen, type viagra bij [verdachte] werden besteld.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op 100.000 x 1,225 gulden = 122.500 gulden.
Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.19
Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit
Op 11 mei 1999 werd [medeverdachte 25] op de luchthaven van New York aangehouden met 100.000 XTC-pillen, type viagra. De betrokkenheid van [verdachte] bij dit feit blijkt uit de inhoud van tapgesprekken met [verdachte] in de periode van 28 april 1999 tot en met 11 mei 1999. Op 28 april 1999 vond er een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 12] met [medeverdachte 19] en [verdachte]. In dat gesprek werd gesproken over een levering van XTC-pillen vanuit Nederland naar de Verenigde Staten. Op 30 april 1999 vroeg [medeverdachte 19] aan [verdachte] of hij al iets had gehoord uit Amerika. [verdachte] zei van niet en [medeverdachte 19] moest naar hem komen om te praten. Uit gesprekken op 2 mei 1999 is gebleken dat zij elkaar troffen in Amsterdam. Op 2 mei 1999 werd [medeverdachte 19] gebeld door [medeverdachte 23]. [medeverdachte 19] zei dat “hij” geld aan [medeverdachte 23] moest geven. Aansluitend belde [medeverdachte 19] met [medeverdachte 9]. [medeverdachte 19] zei tegen hem dat [medeverdachte 9] op hem zat te wachten. Uit het gesprek op 3 mei 1999 bleek dat [medeverdachte 19] in het restaurant was. Daarna belde hij naar [medeverdachte 12] en zei dat hij bij de vriend was geweest en dat “ze” zaten te wachten, totdat “het” werd geregeld. [medeverdachte 24] zei dat vandaag de laatste dag was en dat “de man” vandaag zou vertrekken. [medeverdachte 19] zei dat zijn man in Israël nog niets had ontvangen. [medeverdachte 24] zei dat “de muis” (bijnaam van [verdachte]) nooit zo’n fout mocht maken en dat hij “de muis” zou afmaken als “hij” hem dat aan zou doen. Die dag belde [medeverdachte 19] met [verdachte] en zei dat hij “het” vandaag moest hebben. [verdachte] zei: “Morgenochtend.” [verdachte] zei dat hij “de man” om elf uur zou zien en dat hij “hem” allemaal papieren van de boekhouder moest geven. In de daarop volgende dagen bleek dat de betaling nog niet in orde was. Op 5 mei 1999 vroeg [verdachte] of Jack [medeverdachte 3] hem kon helpen. Op 10 mei 1999 werd [medeverdachte 19] gebeld door een onbekende man. [medeverdachte 19] zei: “Alleen maar morgen.” Op 11 mei 1999 werd [medeverdachte 19] gebeld door [verdachte]. In het gesprek zei [verdachte] dat [medeverdachte 19] betreffende de betaling tegen “hem” moest zeggen dat [verdac[verdachte] de koers deed.
Op 11 mei 1999 werd op de luchthaven John F. Kennedy te New York [medeverdachte 25] aangehouden in het bezit van circa 100.000 XTC-pillen, type viagra/oval.
Op grond van voornoemde aanwijzingen leidt de rechtbank de betrokkenheid van [verdachte] bij deze transactie af. Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op 100.000 x 1,225 = 122.500 gulden.
Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.21
Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit
Op 22 mei 1999 werd [medeverdachte 26] te Düsseldorf aangehouden met 9,7 kg XTC-pillen.
De betrokkenheid van [verdachte] bij dit feit blijkt uit de inhoud van tapgesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 19] op 20 mei 1999 en 21 mei 1999. Op 20 mei 1999 werd [medeverdachte 19] gebeld door [verdachte]. [medeverdachte 19] zei dat hij morgen kwam en dat “anders” die man zou komen. Er werd kennelijk over een voorschot gesproken en dat “de man” “het” morgen zou krijgen.
Op 21 mei 1999 werd door [verdachte] en [medeverdachte 19] gesproken over hoeveel procenten [medeverdachte 19] “hem” berekende met deze deal. [medeverdachte 19] zei zesendertig, waarna [verdachte] zei dat hij het begreep en hoeveel procenten er over waren. Die dag had [verdachte] “de man” gezien en uit latere gesprekken bleek dat er afgerekend werd. [verdachte] belde toen naar [medeverdachte 19] en zei dat [medeverdachte 19] thuis moest blijven en dat ze “de man” vrij moesten laten gaan.
Op 22 mei 1999 werd in Düsseldorf [medeverdachte 26] aangehouden met 9,7 kg XTC-pillen, type Rolex.
Uit 9,7 kg amfetamine kunnen 32.330 XTC-pillen worden vervaardigd. Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan derhalve worden geschat op: 32.330 x 1,225 = 39.604,25 gulden.
Uit voornoemde aanwijzingen tegen [verdachte] kan worden afgeleid dat zijn voordeel kan worden geschat op 36% van 39.604,25 = 14.257,36 gulden.
Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.22
Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit
Op 20 juni 1999 werd [medeverdachte 27] te Eilat aangehouden met 47.000 XTC-pillen. De betrokkenheid van [verdachte] bij dit feit blijkt uit de inhoud van tapgesprekken in de periode van 9 juni 1999 tot en met 23 juni 1999 tussen [verdachte] en [medeverdachte 19].
Op 9 juni 1999 werd [medeverdachte 11] gebeld door [verdachte]. Hij zei dat hij “de man” nog niet gezien had, maar dat de tweede fase voorbij was en dat ze nu aan de derde fase moesten beginnen. Op 10 juni 1999 bleek dat er vertraging was. Uit tapgesprekken op 17 juni 1999 bleek dat [medeverdachte 19] werd gebeld door [verdachte]. Hij zei dat hun vriend had gebeld en dat alles in orde was. Op 17 juni 1999 belde [medeverdachte 11] met een onbekende Hebreeuws sprekende man ([naam]). [medeverdachte 11] zei dat hij klaar was en aan het wachten was en hij zei dat “zij” klaar was. Op 18 juni 1999 werd [medeverdachte 11] gebeld door [verdachte]. Hij zei dat hij dit verhaal bijna rond kreeg. Op 19 juni 1999 zei [medeverdachte 11] dat hij hun vriend naar [verdachte] zou sturen. Enige uren later vertelde [verdachte] aan [medeverdachte 11] dat “hij” was geweest. Op 20 juni 1999 vroeg [medeverdachte 11] aan een onbekende Hebreeuws sprekende man of “ze” goed waren en of de rose beter waren. De man zei dat “ze” allebei goed waren en dat hij er één had genomen en daar veel plezier van had gehad.
Op 20 juni 1999 werd te Eilat (Israël) [medeverdachte 27] aangehouden met 47.000 rose XTC-pillen in haar bezit.
Uit voornoemde aanwijzingen leidt de rechtbank de betrokkenheid van [verdachte] bij de transactie af.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op 47.000 x 1,225 = 57.575 gulden.
Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.23
Soortgelijke, niet tenlastegelegde feiten
Omstreeks september/oktober 1996 werd een onderzoek gestart tegen een criminele Israëlische groepering, bestaande uit leden van een Israëlische familie, genaam[medeverdachte 7] en enige bevriende relaties. Deze criminele groepering hield zich bezig met het binnen het grondgebied van Nederland brengen van zendingen cocaïne vanuit Zuid-Amerika. Op 9 juli 1998 werd een partij cocaïne aangetroffen in twee daartoe geprepareerde machines in een gehuurde loods in Eindhoven.
Op 17 juli 1998 werden in Israël meerdere leden van de criminele groepering aangehouden, waarbij één van de verdachten, [medeve[medeverdachte 28], opening van zaken gaf.
Volgens [medeverdachte 28] waren [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8], [medeverdachte 10] en een man, genaamd [naam] (bijnaam voor [medeverdachte 7]) daarbij betrokken. [medeverdachte 28] heeft verklaard over de samenwerking met [naam]. Volgens [medeverdachte 28] werd de cocaïne verkocht in Amsterdam.
[medeverdachte 7] heeft verklaard dat er een Nederlander was, een Israëli, genaamd [verdachte], die alle hoeveelheden cocaïne van de groepering kocht en ontving.
Tapgesprekken, waaruit de betrokkenheid van [verdachte] zou kunnen blijken, ontbreken.
[verdachte] heeft alle betrokkenheid bij deze handel in cocaïne ontkend.
Weliswaar wijzen de verklaringen van [medeverdachte 28] en [medeverdachte 7] in de richting van [verdachte], maar de rechtbank is van oordeel dat de aanwijzingen te zwak en te weinig concreet zijn om vast te stellen dat hij van voornoemde handel in cocaïne wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
4 Vaststelling ontnemingsbedrag
Het totale bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op:
- -
strafbaar feit 6.2.2.1: 176.000 gulden
- -
strafbaar feit 6.2.2.2/6.2.2.3: 278.075
- -
strafbaar feit 6.2.2.7: 727.168,58
- -
strafbaar feit 6.2.2.8: 35.250
- -
strafbaar feit 6.2.2.9: 42.300
- -
strafbaar feit, na 6.2.2.9: 50.000
- -
strafbaar feit 6.2.2.10: 63.700
- -
strafbaar feit 6.2.2.11: 79.625
- -
strafbaar feit 6.2.2.12: 122.500
- -
strafbaar feit 6.2.2.18: 122.500
- -
strafbaar feit 6.2.2.19: 122.500
- -
strafbaar feit 6.2.2.21: 14.257,53
- -
strafbaar feit 6.2.2.22: 57.575
___________
1.891.451,11 gulden, omgerekend naar euro (afgerond): 858.303 euro
Kosten
De rechtbank zal op voornoemd bedrag geen extra kosten in mindering brengen, nu de verdediging deze niet heeft gesteld. De inkoopkosten zijn in de voordeelsberekening meegenomen. Het had op de weg van de verdediging gelegen, indien er daarnaast nog andere kosten in mindering moeten worden gebracht, daarover helderheid te verschaffen.
Verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Op geen enkele wijze is duidelijk geworden over welke met name genoemde deelnemers/
medeplegers in/van de hiervoor genoemde strafbare feiten het voordeel zou moeten worden verdeeld. Nu daarin geen inzicht is gegeven en naar het oordeel van de rechtbank ook niet aan de orde is, zal het te ontnemen bedrag niet worden verdeeld.
Gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, waarbinnen een ontnemingszaak dient te worden behandeld in aanzienlijke mate is overschreden. Uitgaande van de aanvangstermijn van 21 januari 2002, zoals hiervoor onder 2 besproken, heeft de behandeling in eerste aanleg ruim 9 jaar geduurd.
De rechtbank ziet in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak aanleiding de hoogte van het te ontnemen bedrag te verminderen met 10%, te weten met (afgerond) 85.830 euro tot een bedrag van 772.473 euro.
Draagkracht
Namens de verdachte is ter zitting aangevoerd dat verdachte niet de draagkracht heeft om aan de Staat enig geldbedrag te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen.
Uit artikel 36e Sr noch uit enige andere wettelijke bepaling vloeit echter voort dat de draagkracht van de verdachte in het algemeen een verplichte maatstaf vormt bij het bepalen van het te betalen geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Slechts indien aannemelijk is dat de verdachte geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, dient de rechter gebruik te maken van zijn matigings-bevoegdheid.
In casu heeft de veroordeelde naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht zal hebben, mede gelet op de geldende verjaringstermijn van deze betalingsverplichting ingevolge artikel 76 juncto artikel 70 Sr, terwijl het openbaar ministerie gedurende die termijn onbeperkt uitstel van betaling kan verlenen en betaling in termijnen kan toestaan.
5 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6. De beslissing
De rechtbank:
- -
stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
- 858.303.
euro
- -
legt [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van
- 772.473.
euro, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
- -
wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Deze beslissing is gegeven door mr. Van Kralingen, voorzitter, mrs. Schotanus en Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Oostlander-Vink en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 juli 2011.
Uitspraak 04‑02‑2002
Inhoudsindicatie
-
RECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT BREDA
Parketnummer : 004217-99
1 Partijen. Onderzoek van de zaak.
In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum en plaats]
thans gedetineerd in het huis van bewaring Het Schouw te Amsterdam,
heeft de vierde kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.
De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman.
2 De tenlastelegging.
De verdachte staat terecht terzake dat
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 1997 tot
en met 11 oktober 1999 in het arrondissement Breda en/of Amsterdam, in elk
geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans
alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,
afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied
van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende
MDMA en/of amfetamine en/of (een) ( andere) middel(en) (telkens) vermeld op
lijst I van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer
anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen
plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn
en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
en/of heeft getracht zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of
inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) te verschaffen en/of
voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere
betaalmiddelen voor handen heeft gehad waarvan hij wist of ernstige redenen
had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
hebbende hij, verdachte, (telkens) (zakelijk weergegeven)
- contacten gelegd en/of onderhouden met een of meer producent(en) en/of
leverancier(s) van MDMA en/of amfetamine en/of (een)(andere) middel(en) als
vermeld op lijst I van de Opiumwet en/of
- ontmoetingen en/of besprekingen gehad met een of meer producent(en) en/of
leverancier(s) van MDMA en/of amfetamine en/of (een) (andere) middel(en) als
vermeld op lijst I van de Opiumwet en/of
- contacten gelegd en/of onderhouden met een of meer afnemer(s) van MDMA
en/of amfetamine en/of (een) (andere) middel(en) als vermeld op lijst I van de
Opiumwet en/of
- ontmoetingen of besprekingen gehad met een of meer afnemer(s) van MDMA
en/of amfetamine en/of (een) (andere) middel(en) als vermeld op lijst I van de
Opiumwet en/of
- een of meer producent(en) en/of leverancier(s) van MDMA en/of amfetamine met
elkaar in contact gebracht en/of
- onderhandelingen gevoerd en/of prijsafspraken gemaakt ten behoeve van
(genoemde) producent(en)en/of leverancier(s) en/of
- (een) bestelling(en) geplaatst bij een of meer producent(en) en/of
leverancier(s) ten behoeve van van een of meer afnemer(s) van MDMA en/of
amfetamine en/of
- een of meer betaling(en) in ontvangst genomen;
(deeldossier 7, 9, 11 en 14)
art 10a lid 1 ahf/sub 2 alinea Opiumwet
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
2.
2A
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 mei 1996 tot
en met 11 oktober 1999 te Breda en/of Etten-Leur en/of Hoeven, gemeente
Halderberge en/of Sint Willebrord, gemeente Rucphen, in elk geval in het
arrondissement Breda en/of te Amsterdam, in elk geval in het arrondissement
Amsterdam,in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een duurzaam samenwerkingsverband van personen, te weten hij,
verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]
en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meer andere perso(o)n(en), welke
organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk
-het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van
hoeveelheden, althans een hoeveelheid van (een) middel(en) vermeld op de bij
de Opiumwet behorende lijst I, en/of
-het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,verkopen, afleveren,
verstrekken, vervoeren en/of het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden,
althans een hoeveelheid van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet
behorende lijst I,
zulks terwijl hij oprichter en/of bestuurder en/of leider van voormelde
organisatie was;
(deeldossier 17)
2 B
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1997
tot en met 11 oktober 1999 te Amsterdam en/of te Amstelveen, in elk geval in
het arrondissement Amsterdam,in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan
een organisatie, bestaande uit een duurzaam samenwerkingsverband van personen,
te weten hij, verdachte en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11]
en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 15] en/of
[medeverdachte 16] en/of een of meer andere perso(o)n(en), welke organisatie tot
oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk
-het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van
hoeveelheden, althans een hoeveelheid van (een) middel(en) vermeld op de bij
de Opiumwet behorende lijst I, en/of
-het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het
opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden, althans een hoeveelheid van
(een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
(deeldossier 14, 15 en 17)
art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht
3.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 1998 tot
en met 11 oktober 1999 te Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in
vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans
eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt
en/of vervoerd en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft
gebracht, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad
- (ongeveer) 61.9110 pillen, bevattende MDMA en/of
- (ongeveer) 190.000 pillen, bevattende MDMA en/of
- (ongeveer) 48,1 kilogram amfetamine en/of (ongeveer)50 kilogram amfetamine
en/of
- (ongeveer) 36.171 pillen, bevattende amfetamine en/of MDMA en/of
- (ongeveer) 30.568 pillen, bevattende amfetamine en/of MDMA en/of
(een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA
en/of een of meer andere middelen, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of dat/die
andere middel(en) (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende
lijst I;
(deeldossier 9, 10, 11, 13, 14 en 16)
art 2 lid 1 ahf/ond a letter B Opiumwet
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
4.
hij op of omstreeks 11 oktober 1999 te Amsterdam, althans in het
arrondissement Amsterdam, een wapen van categorie III, te weten een pistool,
merk Pietro Beretta (model 950B), en/of
munitie van categorie III, te weten 50, althans een hoeveelheid kogelpatronen
(kaliber .22 Long Rifle) en/of een kogelpatroon (kaliber .8) en/of 5, althans
een hoeveelheid kogelpatronen (kaliber .6.35), en/of
een wapen van categorie I, te weten een geluiddemper voorhanden heeft gehad;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
(deeldossier 16)
art 26 lid 1 Wet wapens en munitie
5.
hij op of omstreeks 11 oktober 1999 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
opzettelijk (een) bankbiljet(ten) van 500 (vijfhonderd) Franse Francs, dat/die
verdachte zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of
vervalsing verdachte, toen hij dat/die ontving, bekend was, met het oogmerk om
dat/die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad
heeft gehad;
art 209 Wetboek van Strafrecht
3 De geldigheid van de dagvaarding.
Het verweer van de raadsman:
De dagvaarding is gedeeltelijk nietig. De tekst onder 1 op de tenlastelegging is zeer algemeen en geeft op geen enkel punt concreet aan waarvan verdachte een verwijt wordt gemaakt.
Het oordeel van de rechtbank:
De tenlastelegging van het feit onder 1 bevat niet alleen kwalificatieve termen, maar ook feitelijke termen en biedt aan verdachte voldoende duidelijkheid waartegen hij zich moet verdedigen. De verwijzing naar de deeldossiers onder de opgave van het feit geeft bovendien aan waar de bewijsmiddelen zijn te vinden. De opgave van dit feit voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de eisen van artikel 261, eerste lid van het wetboek van strafvordering.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding ook overigens aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.
4 De bevoegdheid van de rechtbank.
Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.
5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
De raadsman heeft een aantal redenen aangevoerd op grond waarvan hij van oordeel is dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel strafvermindering dient te volgen, omdat gehandeld is in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
1. Het horen van de infiltranten als bedreigde getuigen.
Het standpunt van de raadsman:
De infiltranten zijn anoniem gehoord. Het was van groot belang hen op naam te horen, omdat in deze zaak twee infiltranten elkaar niet konden verstaan te weten A-914, die tijdens de ontmoetingen met verdachte enkel Hebreeuws sprak en A-514 enkel Nederlands.
De rechter dient een beschermende invloed naar de burger te hebben en dient zijn controlerende taak naar behoren te kunnen uitoefenen. In feite heeft de rechter, indien deze wordt geconfronteerd met infiltranten die volgens het openbaar ministerie niet op naam mogen worden gehoord, omdat zij als bedreigde getuige dienen te worden aangemerkt, geen kans om een eerlijke afweging te maken bij de beslissing op de vordering tot het verlenen van de status van bedreigde getuige.
De stand van zaken is thans zo dat de rechter gedwongen is positief te beslissen op de vordering van het openbaar ministerie tot het verlenen van de status van bedreigde getuige aan de infiltranten. Doet de rechter dit niet en wensen de infiltranten niet mee te werken aan een verhoor op naam, dan leidt dit immers direct tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Dat de rechter gedwongen is positief te beslissen blijkt uit het feit dat de rechter-commissaris, voordat onherroepelijk over de status van deze getuigen was beslist, ervan uitging dat de verhoren dienden plaats te vinden als te doen gebruikelijk bij bedreigde getuigen.
Het oordeel van de rechtbank:
De stelling van de raadsman dat aan infiltranten niet de status van bedreigde getuige mag worden verleend, vindt geen steun in de wet of in jurisprudentie. De rechter kan in vrijheid een eigen afweging maken of voor het leven, de gezondheid of de veiligheid van de infiltrant moet worden gevreesd. Voor de rechter is bij de beoordeling van de vordering van de officier van justitie tot het verlenen van de status van bedreigde getuige bepalend in welke mate de getuige zich bedreigd voelt of redelijkerwijs kan voelen.
Bij het horen van de bedreigde getuigen zijn in casu de rechten van de verdediging niet meer beperkt dan strikt noodzakelijk, nu de rechter-commissaris aan de raadsman en de verdachte de gelegenheid heeft geboden daarbij aanwezig te zijn. De (raadkamer van de) rechtbank heeft dit reeds eerder vastgesteld op 17 maart 2000.
Het plannen van verhoordata in het beveiligde rechtbankgebouw te Amsterdam om de infiltranten als getuigen te horen, voordat de rechtbank op het door de raadsman ingestelde hoger beroep tegen het verlenen van de status van bedreigde getuige aan de infiltranten had beslist, acht de rechtbank met het oog op een efficiënte procesvoering begrijpelijk.
Voorzover de raadsman heeft bedoeld dat de rechter-commissaris aldus vooruitgelopen heeft op de beslissing van de rechtbank, wijst de rechtbank op de correspondentie tussen de raadsman en de rechter-commissaris over deze kwestie. De rechter-commissaris geeft daarin aan dat, zonder te willen vooruitlopen op een beslissing van de rechtbank, uit organisatorisch oogpunt voor het geval er een eventuele ongegrondverklaring van het hoger beroep zou volgen voorlopige data zijn gepland voor het horen van de bedreigde getuigen.
De rechtbank is van oordeel dat zich tegen deze gang van zaken niets verzet.
2. Overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de raadsman:
De verdediging heeft zich ingespannen een procedure te voeren op de grondslag van de vordering tot bewaring d.d. 13 oktober 1999. De verdediging heeft zich bij herhaling beklaagd dat geen nadere omschrijving van de tenlastelegging werd gedaan. Pas op 12 december 2000 volgde de nadere omschrijving. De verdenking van de invoer van 289 kg cocaïne viel toen weg. Het handhaven van die verdenking tot 12 december 2000 is de oorzaak geweest van "undue delay" die onaanvaardbaar is. Daar het de verdediging nog steeds niet duidelijk was wat aan verdachte verweten werd, kon de raadsman pas op dat moment serieus aan het werk. De behandeling van de zaak sinds verdachte op 18 januari 2000 werd gedagvaard, heeft 24 maanden geduurd, indien de laatste 3 maanden voor rekening van de verdediging komen, 21 maanden.
Het oordeel van de rechtbank:
De rechtbank verwijst hiervoor naar haar reeds eerder ingenomen standpunt, zoals opgenomen in het proces-verbaal d.d. 12 december 2000. De verdediging wist al lang waartegen zij zich kon verzetten. Door het openbaar ministerie was reeds gesteld dat het dossier compleet was en de zaak gereed lag om behandeld te worden.
Vervolgens heeft de rechter-commissaris op verzoek van de verdediging getuigen in Nederland en Israël gehoord en heeft de behandeling van de zaak plaatsgevonden op 21 januari 2002. Ter terechtzitting van 12 december 2000 is de rechter-commissaris als getuige gehoord. Gebleken is dat het opgeven van de getuigen en het plannen van verhoordata met de rechter-commissaris moeizaam is verlopen.
De rechtbank acht het tijdsverloop onwenselijk lang. Zij is echter van oordeel dat niet aan het openbaar ministerie te verwijten valt dat de behandeling van de zaak in een zo laat stadium heeft plaatsgevonden, nu het de keuze van de verdediging was een groot aantal getuigen te horen.
3. Het doorlaten.
Het standpunt van de raadsman:
Indien het in de deeldossiers 7 en 9 gestelde aan verdachte te verwijten aanwijsbare strafbare feiten oplevert, dan is het onbegrijpelijk dat bij de afleveringen van de verdovende middelen niet is ingegrepen. Er is derhalve sprake van doorlaten van grote hoeveelheden hard drugs.
Van deze bijzondere opsporingsmethode is geen melding gemaakt in het dossier, noch is er toestemming verleend door het CTC en doorlaten was ten tijde van het plegen van de strafbare feiten niet toegestaan.
De vraag is bovendien of verdachte iets met de groepering 047 te maken heeft gehad. De groepering 047 heeft drugsleveringen ontvangen. Als aan de verklaring van [informant 2] enig geloof moet worden gehecht, dan mag volstrekt duidelijk zijn dat is doorgelaten op een ontoelaatbare wijze. Deze vraag is van belang, omdat indien verdachte deel heeft uitgemaakt van de groepering 047 het openbaar ministerie terzake van de doorlatingen aan de groep 047 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel strafvermindering dient te krijgen.
Het oordeel van de rechtbank:
Er is blijkens het procesdossier diverse malen een redelijk vermoeden geweest dat afleveringen van verdovende middelen zouden plaatsvinden. Observaties en taps wezen in die richting. Dit is echter niet hetzelfde als volledige zekerheid hebben in de zin van "weten" dat een aflevering gaat plaatsvinden. Indien de eis van ingrijpen, en derhalve inbeslagname van drugs zou worden gesteld, wanneer opsporingsambtenaren nog slechts aanwijzingen en vermoedens hebben, zou dit tot de voor de opsporingspraktijk onaanvaardbare consequentie leiden dat opsporingsambtenaren verplicht zijn verdovende middelen in beslag te nemen op het moment dat dit om tactische redenen ongewenst is. Aan criminele organisaties, waarnaar onderzoek wordt gedaan, zou zodoende de mogelijkheid worden geboden, het onderzoek te manipuleren.
In de onderhavige zaak is ook gebleken dat op het moment dat er volledige zekerheid van een aflevering bestond, is ingegrepen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aflevering van verdovende middelen aan [aflevering 1], die op 24 juni 1998 inbeslaggenomen is en aan [aflevering 2], waarvan op 9 juni 1999 inbeslagneming plaatsvond.
Wat de groepering 047 betreft: Het openbaar ministerie heeft voortdurend gesteld dat op het onderzoek naar de groepering 047 niet is geïnvesteerd door het I.R.T. en dat ervoor gekozen is het onderzoek naar deze groepering niet bij de onderhavige zaak te betrekken.
Deze vrijheid heeft het openbaar ministerie. De rechtbank kan derhalve niet ingaan op speculaties over doorlatingen met betrekking tot de groepering 047, waarvan verdachte wel of niet deel zou hebben uitgemaakt.
4. De inzet van infiltranten/informanten.
Het standpunt van de raadsman:
Het openbaar ministerie heeft de rechtbank onvolledig, dan wel onjuist over de inzet van bijzondere opsporingsmethoden, meer in het bijzonder de inzet van infiltranten en informanten, ingelicht. De officier van justitie heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van de inzet van burgerinfiltranten. Tevens heeft zij gesteld dat er geen afspraken zijn gemaakt of toezeggingen zijn gedaan aan wie dan ook. De officier van justitie heeft opzettelijk in strijd met de waarheid verklaard.
Het openbaar ministerie was toen immers zeer wel op de hoogte van de inzet van de informant/infiltrant [informant 1] aan wie beloften werden gedaan en met wie een overeenkomst werd gesloten en die werd betaald voor zijn diensten. [infiltr[informant 1] werd zelfs gebruikt om verdachte uit te lokken tot aflevering van 5 XTC-pillen. [infiltr[informant 1] is in de ogen van de verdediging een burgerinfiltrant dan wel een stelselmatige burgerinformant, zoals bedoeld in artikel 126v van het wetboek van strafvordering. Na de volstrekt ontoelaatbare uitlokking van de 5 XTC-pillen, heeft het openbaar ministerie gemeend gerechtvaardigd te zijn over te gaan tot de inzet van de zeer vèrgaande opsporingsmethode van infiltratie. De infiltranten hebben verdachte uitgelokt tot het leveren van XTC-pillen en in ieder geval tot het doen van wisseltransacties en hebben op grove wijze de rechten van verdachte verwaarloosd. De infiltratie voldoet derhalve niet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Er is voorts, na getuigenverhoren, gebleken van de inzet van nog een Israëlische burgerinformant. Van de getuige [infiltr[informant 1] en van de Israëlische burgerinformant is geen melding gemaakt in het dossier. Dit is in strijd met artikel 6 van het EVRM terzake van een 'fair trail' en een 'fair hearing.'
Tevens zijn er opsporingsactiviteiten verricht op Nederlands grondgebied door buitenlandse opsporingsambtenaren zonder toestemming van de officier van justitie. Het betreft hier de Israëlische runner van [infiltr[informant 1], kleine [informant 2] en de Israëlische [informant 3].
Het oordeel van de rechtbank:
Uit mededelingen van de officier van justitie leidt de rechtbank het volgende af.
Op 23 januari 1997 is er informatie bij de Criminele Inlichtingendienst van de
Politieregio Brabant Zuid Oost binnengekomen dat [verdachte 1] en [medeverdachte 1] samen met [verdachte] betrokken waren geweest bij de invoer van een in rollen tapijt verpakte partij cocaïne. Voor deze partij cocaïne is [verdachte 1] als verdachte aangehouden. Ten aanzien van [medeverdachte 1] en [verdachte] bleek voor dit feit onvoldoende bewijs voorhanden. Op 14 februari 1997 zijn er gerechtelijke vooronderzoeken tegen [medeverdachte 1] en [verdachte] geopend, nadat besloten werd het onderzoek York, dat tot dan toe in de voorbereidende fase had verkeerd, volledig operationeel te laten worden. In de loop van 1997 bleek dat [medeverdachte 1] en zijn groepering vermoedelijk bezig waren met de handel in synthetische drugs, waaronder export naar Groot-Brittannië. Er werd ook onderzoek gedaan naar de rol van [verdachte] in het geheel.
Er ontstonden steeds meer aanwijzingen dat er inderdaad sprake was van het plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband, te weten handel en productie van hard drugs, waardoor de inzet van het middel van infiltratie gerechtvaardigd zou zijn. De ervaringen die tijdens het onderzoek waren opgedaan rechtvaardigden eveneens het idee dat de inzet van alleen conventionele methoden ontoereikend zou zijn.
Op 11 februari 1998 werd toestemming verkregen van het College van Procureurs Generaal tot inzet van het middel van infiltratie.
De rechtbank leidt uit de getuigenverklaring van [dhr. X.], onderzoeksleider in de York-zaak, af dat deze toestemming in eerste instantie [medeverdachte 1] betrof en een half jaar later, op 14 augustus 1998, ook voor infiltratie op [verdachte] werd gegeven.
Tijdens het onderzoek is gebleken dat zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] een aantal personen om zich heen had om welke reden het openbaar ministerie ervoor gekozen heeft bewijs te verzamelen tegen de leden van de groepering rondom [medeverdachte 1] en [verdachte] door middel van het afvangen van hoeveelheden verdovende middelen die door de groepering geleverd waren.
De rechtbank acht de inzet van de infiltranten gerechtvaardigd op grond van de aard en de ernst van de feiten, waarop in het geval van overtreding van artikel 2 , eerste lid onder A van de Opiumwet een maximale gevangenisstraf staat van 12 jaar. De rechtbank acht aannemelijk dat in de onderhavige zaak hetzelfde doel, namelijk "het zichtbaar maken van drugstransacties, al dan niet voorafgegaan door één of meerdere vertrouwensaankopen, teneinde bewijzen te verzamelen en te komen tot het doen instellen van een strafprocessuele vervolging", niet met een minder vèrgaand middel dan infiltratie kon worden bereikt.
Uit de getuigenverklaringen over dit onderwerp leidt de rechtbank niet af dat de infiltranten verdachte hebben uitgelokt, nu zij verdachte niet tot een andere gedraging of handeling hebben gebracht dan die waarop zijn opzet reeds gericht was. Verdachte hield zich ten tijde van de pseudokooptransacties reeds bezig met de handel in XTC-pillen, zoals onder andere valt af te leiden uit zijn in de processen-verbaal van de infiltranten gerelateerde mededelingen. Verdachte is geen feit tenlastegelegd met betrekking tot de Wet op de wisseltransacties. Voorzover de uitlokking daarop betrekking zou hebben, stelt de rechtbank vast dat het verweer dienaangaande geen nadere bespreking behoeft.
De inzet van het middel heeft naar het oordeel van de rechtbank geen disproportionele inbreuk opgeleverd op de persoonlijke levenssfeer van verdachte nu de infiltratie, voornamelijk heeft plaatsgevonden door het vertoeven in het restaurant Maya te Amsterdam, zijnde een openbare gelegenheid.
De stelling van de raadsman dat [infiltr[informant 1] gedurende het York-onderzoek een burgerinfiltrant is geweest, acht de rechtbank onvoldoende door feiten en omstandigheden onderbouwd.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat hij is ingezet als informant en dat de door hem aangeboden informatie niet tactisch is gemaakt. Deze informant blijkt derhalve geen rol van betekenis te hebben gespeeld.
De rechtbank heeft ook geen enkel aanknopingspunt dat er informatie is gebruikt van nog een andere Israëlische burgerinformant van wie melding werd gemaakt door de als getuige gehoorde officier van justitie mr [Y.].
De rechtbank gaat ervan uit dat door het ontbreken van elke relevantie voor het onderzoek hun bijdrage niet in het procesdossier is opgenomen. Zij concludeert dat dit niet is bedoeld om bepaalde onderzoeksactiviteiten aan de rechterlijke controle te onttrekken.
De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de informatie van de getuige [infiltr[informant 1] aanleiding zou zijn geweest om tot het vèrgaande middel van infiltratie op [verdachte] over te gaan, zoals door de raadsman is gesuggereerd, nu uit de getuigenverklaring van de onderzoeksleider [dhr. X.] blijkt dat er in juni 1998 sprake was van een zaak, waarin [verdachte] duidelijk een rol speelde en er daarnaast bleek van contacten tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] uit de taps.
Uit de hiervoor beschreven aanloop van het onderzoek acht de rechtbank de inzet van het middel van infiltratie op [verdachte] een logisch gevolg van de bevindingen die na enige tijd werden opgedaan.
De rechtbank leidt uit de getuigenverklaringen af dat de aanwezigheid van buitenlandse opsporingsautoriteiten op Nederlands grondgebied in de persoon van [buitenlandse opsporingsambtenaar] en [informant 2] verband hield met het begeleiden van [infiltr[informant 1] en de Israëlische infiltrant
Dat er afstemming tussen de Nederlandse en Israëlische autoriteiten diende plaats te vinden bij de inzet van deze personen acht de rechtbank voor de hand liggend.
Het onderzoek heeft volgens genoemde getuigenverklaringen echter steeds onder leiding gestaan van de Nederlandse opsporingsautoriteiten.
De rechtbank acht geen beginselen van een behoorlijke procesorde geschonden en verwerpt voornoemde verweren.
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Zij kan dus in haar vordering worden ontvangen.
6 Schorsing der vervolging.
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.
7 De bewezenverklaring.
7.1 Vrijspraak en de gronden daarvoor.
Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De rechtbank acht niet bewezen dat aan verdachte, toen hij de bankbiljetten ontving, bekend was dat deze vals waren.
7.2 Hetgeen bewezen is.
Door het onderzoek ter terechtzitting is evenwel naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte
1.
op tijdstippen in de periode van 1 maart 1997 tot
en met 11 oktober 1999 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen,
om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,
afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied
van Nederland brengen van hoeveelheden van een materiaal bevattende
MDMA en/of amfetamine vermeld op
lijst I van de Opiumwet voor te bereiden en te bevorderen,
en/of heeft getracht zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of
inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en/of
voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere
betaalmiddelen voor handen heeft gehad waarvan hij wist of ernstige redenen
had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
hebbende hij, verdachte, (telkens) (zakelijk weergegeven)
- contacten gelegd en/of onderhouden met een of meer producent(en) en/of
leverancier(s) van MDMA en/of amfetamine en
- ontmoetingen en/of besprekingen gehad met een of meer producent(en) en/of
leverancier(s) van MDMA en/of amfetamine en
- contacten gelegd en/of onderhouden met een of meer afnemer(s) van MDMA
en/of amfetamine en
- ontmoetingen of besprekingen gehad met een of meer afnemer(s) van MDMA
en/of amfetamine Opiumwet en
- onderhandelingen gevoerd en prijsafspraken gemaakt ten behoeve van
(genoemde) producent(en)en/of leverancier(s) en
-bestellingen geplaatst bij een of meer producent(en) en/of
leverancier(s) ten behoeve van van een of meer afnemer(s) van MDMA en/of
amfetamine en
- een of meer betaling(en) in ontvangst genomen;
2.
2A
in de periode van 15 mei 1996 tot
en met 11 oktober 1999 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een duurzaam samenwerkingsverband van personen, te weten hij,
verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]
en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] , welke
organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk
-het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van
hoeveelheden, van middel vermeld op de bij
de Opiumwet behorende lijst I, en
-het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,verkopen, afleveren,
verstrekken, vervoeren en/of het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden,
van middel vermeld op de bij de Opiumwet
behorende lijst I;
2 B
in de periode van 1 januari 1997
tot en met 11 oktober 1999in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een duurzaam samenwerkingsverband van personen,
te weten hij, verdachte en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] , welke organisatie tot
oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk
-het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van
hoeveelheden, van middel vermeld op de bij
de Opiumwet behorende lijst I, en/of
-het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het
opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden, van
middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.
in de periode van 1 juni 1998 tot
en met 11 oktober 1999 in Nederland tezamen en in
vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt
en/of vervoerd en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft
gebracht,
- (ongeveer) 61.9110 pillen, bevattende MDMA en
- (ongeveer) 190.000 pillen, bevattende MDMA en
- (ongeveer) 48,1 kilogram amfetamine en/of (ongeveer)50 kilogram amfetamine
en
- (ongeveer) 36.171 pillen, bevattende amfetamine en MDMA en
- (ongeveer) 30.568 pillen, bevattende MDMA en opzettelijk aanwezig heeft gehad
hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA
zijnde amfetamine en MDMA middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende
lijst I;
4.
op 11 oktober 1999 te Amsterdam, een wapen van categorie III, te weten een pistool,
merk Pietro Beretta (model 950B), en
munitie van categorie III, te weten 50, kogelpatronen
(kaliber .22 Long Rifle) en een kogelpatroon (kaliber .8) en kogelpatronen (kaliber .6.35), en
een wapen van categorie I, te weten een geluiddemper voorhanden heeft gehad;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2B acht de rechtbank sterke aanwijzingen aanwezig op grond waarvan verdachte samen met [medeverdachte 11], [medeverdachte 12], [medeverdachte 14] en [medeverdachte 15] zou hebben samengewerkt in de handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft echter niet vastgesteld dat dit in georganiseerd verband heeft plaatsgevonden.
8 Het bewijs.
De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
8.1 De bewijsmiddelen.
9 De strafbaarheid van het bewezene.
Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:
1. Medeplegen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden en bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.
2.
2A. en 2B telkens: Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
3 Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, eerste lid onder A, onder B en onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
4 Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen en munitie van categorie III en handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie.
10 De strafbaarheid van verdachte.
Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.
11 De straffen en maatregelen.
11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.
Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.
11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.
Verdachte heeft zich gedurende een aantal jaren in georganiseerd crimineel verband schuldig gemaakt aan de handel in hard drugs, waaronder uitvoer van die verdovende middelen en aan voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet. Verdachte heeft binnen de organisaties, waarvan hij deel uitmaakte een belangrijke bemiddelende rol vervuld.
Algemeen bekend is dat hard drugs, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren opleveren voor de gezondheid van die gebruikers. Niet alleen gaat het om drugs die zonder enige medische controle worden vervaardigd en op de illegale markt worden gebracht, maar bovendien trachten die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen te bekostigen, waardoor aan de samenleving ook in dit opzicht ernstige schade wordt berokkend. Bovendien brengt de productie van synthetische drugs ernstige mileiu-schade met zich mee, nu de rest- en afvalstoffen in veel gevallen in het milieu gedumpt worden. Kennelijk heeft de verdachte zich laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen.
Door het voorhanden hebben van een pistool, munitie en een geluiddemper heeft verdachte de Wet wapens en munitie overtreden.
Verdachte heeft een strafblad terzake van de Opiumwet eveneens betrekking hebbende op hard drugs.
De rechtbank acht gelet op de ernst van het bewezenverklaarde het opleggen van een gevangenisstraf, zoals hierna zal worden vermeld, uit het oogpunt van een juiste normhandhaving geboden. Zij komt gelet op de vrijspraak van feit 5 weliswaar tot bewezenverklaring van minder feiten dan de officier van justitie, maar is niettemin van oordeel dat niet met een lagere straf dan die door de officier van justitie is geëist, kan worden volstaan.
11.3 De onttrekking aan het verkeer
De volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen:
-vier bankbiljetten van 500 Franse Francs,
zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat die voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten, werden aangetroffen, terwijl die voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.
Voorts behoren die voorwerpen aan verdachte toe en zijn die voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.
12 De toepasselijke wetsartikelen.
13 De beslissing.
RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.
Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 5 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7.2 is omschreven.
Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.
Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.
Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar.
Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.
Zij verklaart aan het verkeer onttrokken de onder 11.3 genoemde voorwerpen.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 februari 2002.
Indien door de rechter-commissaris of in hoger beroep door de raadkamer van de rechtbank ten aanzien van een bepaalde getuige is bevolen dat ter gelegenheid van zijn verhoor zijn identiteit verborgen wordt gehouden, heeft deze getuige de status van bedreigde getuige.
In het verdere verloop van de procedure dient deze vraag buiten beschouwing te blijven en dient deze getuige in het vervolg van de strafrechtelijke procedure als bedreigde getuige te worden aangemerkt.
Denkbaar is dat als aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van een door de rechter ingevolge artikel 226a en/of 226b van het wetboek van strafvordering ten aanzien van een getuige gegeven bevel zodanige fundamentele gebreken kleven dat gebruikmaking door de zittingsrechter van de resultaten van het verhoor van deze getuige indruist tegen het recht van verdachte op een eerlijk proces.
Een dergelijke omstandigheid doet zich hier evenwel niet voor.