Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.4.d:5.4.d Toelaatbaarheid onder verdragsrecht
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.4.d
5.4.d Toelaatbaarheid onder verdragsrecht
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS604697:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 4.3b.
Paragraaf 3.10c.
Paragraaf 3.10c; Paragraaf 3.10d.
CRM 31 maart 1995, nr. 662/1995 (Lumley/Jamaica); zie verder bijvoorbeeld CRM 3 april 2002, nr. 802/1998 (Rogerson/Australië); CRM 8 juli 2004, nr. 964/2001 (Saidova/Tajikistan).
Dalton 1985; Shavell 2010.
Vellinga 2007, p. 77-78; Wiewel & Van Woensel 2007, p. 287; Van Woensel 2007, p. 22-23.
Paragraaf 3.10b.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De aanzienlijk vrije beoordeling van de toegang tot beroep op grond van artikel 416 Sv, gecombineerd met de uiteenlopende toepassing daarvan in de praktijk, roept vragen op over de toelaatbaarheid van de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv onder het verdragsrecht.
De eerste manier om hiernaar te kijken is in termen van een bezwaarvereiste. Het verdragsrecht verzet zich zoals opgemerkt in beginsel niet tegen een bezwaarvereiste.1 Niet alleen is toelaatbaar dat voor ontvankelijkheid van het beroep grieven worden vereist, acceptabel is ook dat eisen worden gesteld aan de precisie en onderbouwing van die bezwaren, mits zo’n bezwaarvereiste niet onrechtmatig of volstrekt willekeurig wordt toegepast.2 Stel dat artikel 416 Sv een verplichting tot niet-ontvankelijkverklaring zou bevatten indien geen grieven zijn ingediend, dan zou dat onder verdragsrecht toelaatbaar zijn. Tegen die achtergrond lijkt de huidige vormgeving van artikel 416 Sv mij zeker toelaatbaar, omdat de beleidsvrijheid enkel in het voordeel van de insteller van het beroep kan uitwerken. Artikel 416 Sv geeft de appelrechter de mogelijkheid om de verdachte een gunst te verlenen, hoe zouden mensenrechten zich daartegen kunnen verzetten?
In een andere benadering is dit géén retorische vraag. Een tweede manier om naar de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv te kijken is namelijk in termen van leave to appeal. En van een systeem van leave to appeal in hoger beroep vereist artikel 14 lid 5 IVBPR dat de beoordeling van het beroep binnen zo’n verlofstelsel een “full review” inhoudt. Dat betekent kort gezegd dat de verlofbeoordeling inhoudelijk moet zijn, zowel de feiten als het recht moet betreffen alsook de totstandkoming van die beslissing.3 Voorts worden eisen gesteld aan de motivering van een verlofbeslissing in hoger beroep.4 De vraag is dus of de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv kwalificeert als leave to appeal in de zin van de jurisprudentie van het CRM. Want als dat zo is, dan is toepassing van de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv alleen toelaatbaar onder het verdragsrecht als deze vrijheid inhoudelijk wordt ingevuld. Twee visies zijn mogelijk.
Enerzijds valt op dat het CRM een verlofstelsel in sommige zaken in algemene termen omschrijft als “a system not allowing for automatic right to appeal”.5 Met die woorden wil het mogelijk het contrast schetsen met een rechtsmiddel waarin geen verlofstelsel van toepassing is, dat in Engels taalgebruik soms wordt aangeduid als appeal as of right.6 In een dergelijk appeal as of right worden natuurlijk wel degelijk toegangseisen aan het beroep worden gesteld – termijn, competentie – maar niet in de complexe vorm van een verlofstelsel. Als de woorden van het CRM evenwel letterlijk worden genomen, dan kan volgens mij ook de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv als verlofstelsel worden betiteld. Toelating tot hoger beroep indien geen grieven zijn ingediend, is immers volstrekt niet ‘automatisch’, maar afhankelijk van de beleidsvrije beslissing van de appelrechter. Dat enkele Nederlandse auteurs toepassing van deze beleidsvrijheid zoals opgemerkt als verloftoetsing beschouwen, sluit bij deze redenering aan.7
Anderzijds twijfel ik toch of het CRM inhoudelijke invulling van de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv zou vereisen, en wel omdat deze bepaling aan de rechter vooral vrijheid tot toelating verstrekt. Als de verdachte en zijn advocaat niet de kleine moeite nemen een voorgedrukt grievenformulier in te vullen, als zij bovendien beiden niet op zitting aanwezig zijn, en als daarom niet voldaan wordt aan een uit de wet kenbaar grievenvereiste, dan kan de appelrechter aan de verdachte alsnog een gunst verlenen en – zoals blijkbaar gewenst – het beroep ontvankelijk verklaren. Deze toelatingsvrijheid wijkt wezenlijk af van de voorzieningen voor toelatingsbeoordeling die het CRM in concrete zaken als leave to appeal aanmerkt. Als leave to appeal worden namelijk vormen van toegangsbeoordeling aangemerkt waarin de rechter directer toegang tot beroep kan weigeren dan alleen indieen de verdachte niet aan bepaalde verplichtingen voldoet.8 Anders geformuleerd zijn de voorzieningen die als leave to appeal worden gekenmerkt steeds potentiele beperkingen van de toegang tot beroep, dat wil zeggen, aanvullingen op overige (formele) toegangsvoorwaarden in plaats van relativeringen daarvan. Het ligt daarom volgens mij veeleer voor de hand de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv te beschouwen als voor de burger positieve relativering van een overigens toelaatbaar bezwaarvereiste, dan als een vorm van verlofbeoordeling die in hoger beroep inhoudelijk dient te worden ingevuld. Aldus beschouwd, kwalificeert de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv niet als leave to appeal en zal toepassing ervan in beginsel niet in strijd komen met het recht op beroep.