Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.4.c
5.4.c Invulling vrijheid
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609526:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 29 mei 2013, ECLI:CA1263, NBStraf 2013/241; Hof Amsterdam 16 oktober 2014, ECLI:5921; zie Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 11.
Hof Arnhem 7 april 2009, ECLI:BI0507 (hoger beroep ingesteld door OM, niet-ontvankelijkverklaring OM veranderd in veroordeling); Hof ‘s-Hertogenbosch 29 november 2010, ECLI:BO9735, NJFS 2011/62 (hoger beroep ingesteld door verdachte, voorwaardelijk deel gevangenisstraf omgezet in onvoorwaardelijk deel); Hof Amsterdam 18 juni 2012, ECLI:BW9360, NJFS 2012/250 (hoger beroep ingesteld door verdachte, veroordeling veranderd in niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging); Hof Amsterdam 20 april 2015, ECLI:1706, NJFS 2015/153 (hoger beroep ingesteld door verdachte, nietigverklaring dagvaarding veranderd in vrijspraak).
Hof Arnhem-Leeuwarden 18 december 2015, ECLI:9686.
Hof Arnhem 7 april 2009, ECLI:BI0507, waarbij ook het belang van de regelgeving meespeelde (verontreiniging milieu); zie verder Hof Amsterdam 7 maart 20112, ECLI: BV8152 (verdachte in beroep tegen dezelfde feiten).
Hof Arnhem-Leeuwarden 2 april 2014, ECLI:3013, NJFS 2014/13.
Hof Arnhem-Leeuwarden 2 april 2014, ECLI:3013, NJFS 2014/13; Hof Amsterdam 2 juni 2014, ECLI:2328, NJFS 2014/196.
Hof Amsterdam 2 juni 2014, ECLI:2328, NJFS 2014/196; Hof Amsterdam 16 oktober 2014, ECLI:5921.
Aldus ook Röttgering 2014, p. 50
Gelet op de vrijheid die artikel 416 Sv biedt, verbaast het niet dat deze bepaling in de rechtspraktijk uiteenlopend wordt toegepast. Uit de gepubliceerde arresten van de gerechtshoven is geen vast beoordelingskader af te leiden, behoudens dat in veel gevallen de wetsgeschiedenis wordt geciteerd: “Naar het oordeel van het hof prevaleert het belang van de strafrechtelijke rechtshandhaving in het algemeen en het belang van het beroep in het bijzonder in casu (niet) boven het belang van sanctionering van het verzuim.”1 Deze overweging zegt evenwel niets over de afweging die erachter schuil gaat. Uitgebreider gemotiveerde arresten laten diverse motieven voor ontvankelijkverklaring zien. Zo pasten enkele gerechtshoven artikel 416 lid 2 Sv niet toe omdat zij een andere beslissing op de vragen van artikel 348 of 350 Sv wilden geven, zowel ten voor- als ten nadele van de verdachte.2 Daarnaast worden diverse andersoortige factoren betrokken in de beslissing om wel of niet toegang te verlenen: de zittingsbehandeling van het beroep heeft al grotendeels plaatsgevonden (ontvankelijk);3 het openbaar ministerie diende vlak voor de zitting alsnog een schriftuur met grieven in (ontvankelijk);4 het openbaar ministerie brengt ten opzichte van de eerste aanleg in de te laat ingediende schriftuur geen nieuwe standpunten naar voren (niet-ontvankelijk);5 de beschikbaarheid van een duidelijk uitgewerkt Promis-vonnis met behulp waarvan redelijkerwijs grieven geformuleerd hadden kunnen worden (niet-ontvankelijk);6 de eenvoud van de strafzaak en het vonnis uit eerste aanleg (niet-ontvankelijk).7 Aan deze oordelen valt op dat zij niet alleen zijn gebaseerd op procedurele factoren, maar ook op de inhoud van het beroep of het gewicht van de strafzaak. De toelatingsvrijheid van artikel 416 Sv wordt dus in sommige gevallen op inhoudelijke wijze ingezet, maar dit gebeurt niet structureel.8