NJB 2024/2605:Verzoek tot wraking van de zittingsrechter(s), art. 512 e.v. Sv: zodanig verzoek kan niet meer worden ingediend nadat einduitspraak is gedaan. Een voorafgaand aan de uitspraak maar na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting schriftelijk ingediend wrakingsverzoek is tijdig gedaan als het bij het gerecht is ingekomen op een zodanig tijdstip dat de betrokken rechter(s) daarvan redelijkerwijs nog kennis kon(den) nemen. Als een verzoek in dit opzicht tijdig is ingediend, maar daarop door de wrakingskamer niet kan worden beslist vóór het tijdstip waarop de uitspraak is bepaald, moet de zittingsrechter (in verband met art. 345 lid 3 Sv) het onderzoek in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer heropenen en schorsen. In casu had het hof het onderzoek in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer moeten heropenen en schorsen en had het nog geen einduitspraak mogen doen. Dit leidt wegens gebrek aan belang echter niet tot cassatie, omdat dit – mede gezien art. 513 lid 1 Sv – niet tot een andere einduitspraak van het hof zou hebben geleid.