HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926, NJ 2010/234.
HR, 26-11-2024, nr. 22/02642
ECLI:NL:HR:2024:1726
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-11-2024
- Zaaknummer
22/02642
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1726, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:923
ECLI:NL:PHR:2024:923, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1726
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑03‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0305
JIN 2025/30 met annotatie van mr. C. van Oort
NTS 2024/64
Uitspraak 26‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Belaging ex-partner en kinderen, meermalen gepleegd (art. 285b.1 Sr) en handelen in strijd met gedragsaanwijzing (art. 184a.1 Sr). Wrakingsverzoek na sluiting onderzoek ttz. maar voor einduitspraak, art. 512 en 513 Sv. Had hof einduitspraak mogen doen, nu verdachte na sluiting van onderzoek ttz. maar vóór einduitspraak een wrakingsverzoek had ingediend? Verzoek tot wraking van zittingsrechter(s) kan niet meer worden ingediend nadat einduitspraak is gedaan. Een voorafgaand aan uitspraak maar na sluiting van onderzoek ttz. schriftelijk ingediend wrakingsverzoek is tijdig gedaan als het bij gerecht is ingekomen op zodanig tijdstip dat betrokken rechter(s) daarvan redelijkerwijs nog kennis kon(den) nemen. Als verzoek in dit opzicht tijdig is ingediend, maar daarop door wrakingskamer niet kan worden beslist vóór tijdstip waarop uitspraak is bepaald, moet zittingsrechter (i.v.m. art. 345.3 Sv) onderzoek ttz. in afwachting van beslissing van wrakingskamer heropenen en schorsen (vgl. HR:2010:BJ9926). Uit overwegingen wrakingskamer blijkt dat wrakingsverzoek in dit opzicht tijdig is ingediend, te weten 2 dagen vóór einduitspraak. Aangenomen moet worden dat betrokken rechters daarvan kennis konden nemen voordat einduitspraak werd gedaan. Dit brengt mee dat hof onderzoek ttz. in afwachting van beslissing van wrakingskamer had moeten heropenen en schorsen en nog geen einduitspraak had mogen doen. Dit hoeft echter wegens gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Immers, als hof na indiening van wrakingsverzoek wel in afwachting van beslissing van wrakingskamer was overgegaan tot heropening en schorsing, zou dat (nu wrakingskamer de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat verzoek niet is gedaan zodra daarin genoemde feiten en omstandigheden aan verdachte bekend zijn geworden, en tegen deze beslissing geen rechtsmiddel openstond) niet tot andere einduitspraak van hof hebben geleid. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02642
Datum 26 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2022, nummer 21-002685-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P. Scholte, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof geen einduitspraak had mogen doen, omdat de verdachte na sluiting van het onderzoek, maar vóór die einduitspraak een wrakingsverzoek had ingediend.
2.2.1
De stukken houden onder meer in dat op de terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2022 het onderzoek op de terechtzitting gesloten is verklaard en dat het hof op 13 juli 2022 einduitspraak heeft gedaan. Bij brief van 11 juli 2022 heeft de verdachte verzocht om wraking van de raadsheren die de strafzaak tegen hem behandelden.
2.2.2
Op 23 augustus 2022 heeft de wrakingskamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het verzoek van de verdachte tot wraking niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing houdt onder meer in:
“Op grond van artikel 513, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering moet een wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan verzoeker bekend zijn geworden.
Verzoeker stelt in zijn wrakingsverzoek dat de hiervoor bedoelde samenstelling van het hof vooringenomen, niet onpartijdig en niet onafhankelijk is gebleken, hetgeen zich heeft geuit door het niet toepassen van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), verbod van foltering, onmenselijke behandeling of vernedering of bestraffing van verzoeker en diens kinderen.
De wrakingskamer is van oordeel dat, gelet op de door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden, niet gesteld kan worden dat het wrakingsverzoek is gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan hem bekend zijn geworden. Immers de behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden op 29 juni 2022 en het wrakingsverzoek is op 11 juli 2022 ingediend. Verzoeker is om die reden niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van mrs. Smit, Melssen en Geeve.
Op grond van het hiervoor overwogene komt de wrakingskamer aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek niet toe en kan worden volstaan met een schriftelijke afdoening van het verzoek.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang:
- artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“Op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.”
“1. Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Tijdens de terechtzitting kan het ook mondeling geschieden.
3. Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen.
5. Geschiedt het verzoek ter terechtzitting, dan wordt de terechtzitting geschorst.”
2.4
Een verzoek tot wraking van de zittingsrechter(s) kan niet meer worden ingediend nadat einduitspraak is gedaan. Een voorafgaand aan de uitspraak maar na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting schriftelijk ingediend wrakingsverzoek is tijdig gedaan als het bij het gerecht is ingekomen op een zodanig tijdstip dat de betrokken rechter(s) daarvan redelijkerwijs nog kennis kon(den) nemen. Als een verzoek in dit opzicht tijdig is ingediend, maar daarop door de wrakingskamer niet kan worden beslist vóór het tijdstip waarop de uitspraak is bepaald, moet de zittingsrechter (in verband met artikel 345 lid 3 Sv) het onderzoek in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer heropenen en schorsen. (Vgl. HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926).
2.5
Uit de onder 2.2.2 weergegeven overwegingen van de wrakingskamer blijkt dat het wrakingsverzoek in dit opzicht tijdig is ingediend, te weten twee dagen vóór de einduitspraak. Aangenomen moet worden dat de betrokken rechters daarvan kennis konden nemen voordat de einduitspraak werd gedaan. Dit brengt mee dat het hof het onderzoek in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer had moeten heropenen en schorsen en nog geen einduitspraak had mogen doen.
2.6
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. Dit hoeft echter wegens gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Immers, als het hof na de indiening van het wrakingsverzoek wel in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer was overgegaan tot heropening en schorsing, zou dat – nu de wrakingskamer de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat dat verzoek niet is gedaan zodra de daarin genoemde feiten en omstandigheden aan de verdachte bekend zijn geworden, en tegen deze beslissing geen rechtsmiddel openstond – niet tot een andere einduitspraak van het hof hebben geleid.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 77 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2024.
Conclusie 24‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. 1. Had hof einduitspraak mogen doen nu verdachte na sluiting van het onderzoek, maar vóór einduitspraak een wrakingsverzoek had ingediend? (Vgl. HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926) 2. Afwijzing verzoek tot horen deskundige. 3. Overschrijding inzendtermijn. Conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02642
Zitting 24 september 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 13 juli 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, in de zaak met het parketnummer 08-015723-20 en in de zaak met het parketnummer 08-114797-19 (gevoegd) telkens wegens "belaging" en in de zaak met het parketnummer 08-130969-19 (gevoegd) wegens "opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering", veroordeeld tot 77 dagen gevangenisstraf, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft aan de verdachte voorts de maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking opgelegd. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. Scholte, advocaat in Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 08-015723-20, in de zaak met parketnummer 08-114797-19 (gevoegd) en in de zaak met parketnummer 08-130969-19 (gevoegd) respectievelijk bewezenverklaard dat:
“1.
hij in de periode van 01 november 2019 tot en met 17 januari 2020,in de gemeente [geboorteplaats]wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1] en haar kinderen [benadeelde 2] (geboren op [geboortedatum] 2008) en [benadeelde 3] (geboren op [geboortedatum] 2009), met het oogmerk die [benadeelde 1] en die [benadeelde 2] en die [benadeelde 3] te dwingen iets te dulden
immers heeft hij aldaar in genoemde periode
- zich veelvuldig in de (onmiddellijke) nabijheid van de woning van die [benadeelde 1] , die [benadeelde 2] en die [benadeelde 3] opgehouden, aangebeld, kaartjes door de brievenbus gegooid, beeld- en/of geluidsopnamen gemaakt en (daarbij) die [benadeelde 1] , die [benadeelde 2] en [benadeelde 3] benaderd, en
- zich veelvuldig in de (onmiddellijke) nabijheid van de school (basisschool [A] ) van die [benadeelde 2] en die [benadeelde 3] opgehouden, beeld- en/of geluidsopnamen gemaakt en (daarbij) die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 2] en die [benadeelde 3] benaderd en
- veelvuldig die [benadeelde 1] , die [benadeelde 2] en die [benadeelde 3] (al dan niet per auto) achtervolgd en geobserveerd en
- veelvuldig kaartjes en pakjes en cadeautjes bezorgd of laten bezorgen bij [benadeelde 1] , die [benadeelde 2] en die [benadeelde 3] .
(…)
“1.
hij op meer tijdstippen in de periode van 7 april 2017 tot en met 22 oktober 2019 in [geboorteplaats] ,wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , met het oogmerk die [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] te dwingen iets te dulden
terwijl verdachte de uitoefening van het recht op omgang met die [benadeelde 2] en [benadeelde 3] was ontzegd en aan verdachte meermalen te kennis is gegeven dat hij geen contact meer mocht opnemen met die [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , immers heeft hij (telkens),
- zich meermalen (hinderlijk, ongewenst, intimiderend en/of dwingend) in/nabij de woning van die [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] opgehouden, aangebeld, kaartjes door de brievenbus gegooid, beeldopnamen gemaakt en (daarbij) die [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] benaderd en
- zich meermalen (hinderlijk, ongewenst, intimiderend en/of dwingend) in/op/nabij de school (basisschool [A] ) van die [benadeelde 2] en [benadeelde 3] opgehouden, beeldopnamen gemaakt en (daarbij) die [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] benaderd en
- zich meermalen (hinderlijk, ongewenst, intimiderend en/of dwingend) in/op/nabij de voetbalvereniging waar [benadeelde 2] en [benadeelde 3] voetbal speelden, opgehouden, beeldopnamen gemaakt en (daarbij) die [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] benaderd en
- via Facebook en andere social media een of meermalen teksten en/of afbeeldingen geplaatst waarin hij, verdachte, (op hinderlijke, intimiderende, dwingende, beledigingen wijze) foto’s heeft gedeeld van die [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en zijn ongenoegen over die [benadeelde 1] geuit en
- zich aldus op hinderlijke, ongewenste, intimiderende, dwingende en beledigende wijze blijven opdringen aan die [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] .”
(…)
“1.
hij op 29 mei 2019 te [geboorteplaats] ,
opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 15 mei 2019 gegeven door de officier van justitie te arrondissement Oost-Nederland kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte,
- zich niet in het gebied van de woning aan de [a-straat 1] te [geboorteplaats] zal ophouden en/of dat hij genoemde woning niet zal betreden en/of zich niet bij en/of in de nabijheid van die woning zal ophouden en/of niet in/bij die woning aanwezig zal zijn
- op geen enkele wijze contact zal opnemen en/of onderhouden met [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] , wonende aan de [a-straat 1] te [geboorteplaats] , dat wil zeggen niet in persoon of via anderen, telefonisch, via e-mail, SMS, WhatsApp of anderszins. Contact met genoemde perso(o)n(en) is enkel toegestaan indien de reclassering en/of Veilig Thuis dit contact uitdrukkelijk schriftelijk toestaat.
- zich niet in het gebied van [A] , zijnde de school van [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , aan de [b-straat 1] te [geboorteplaats] zal ophouden en/of genoemde school niet zal betreden en/of zich niet bij en/of in de nabijheid van die schooi en/of de (fiets)route van de [a-straat 1] naar die school en/of schoolactiviteiten en/of sportactiviteiten zal ophouden en/of niet in/bij die school en/of die schoolactiviteiten en/of sportactiviteiten aanwezig zal zijn,door zich op/bij het sportpark [park] (aan de [c-staat 1] ) te bevinden”.
Het eerste middel
4. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof geen einduitspraak had mogen doen, nu de verdachte na sluiting van het onderzoek, maar vóór die einduitspraak een wrakingsverzoek had ingediend. Voordat ik aan de bespreking van het middel toekom, geef ik eerst het procesverloop, de beslissing van de wrakingskamer en de relevante rechtspraak van de Hoge Raad weer.
4.1
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2022 heeft de voorzitter het onderzoek gesloten verklaard en heeft medegedeeld dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 13 juli 2022. De verdachte heeft bij brief, gedateerd 11 juli 2022, om wraking verzocht van de raadsheren die de strafzaak tegen hem hebben behandeld. Op 13 juli 2022 heeft het hof einduitspraak gedaan en heeft het de verdachte wegens de onder 1 weergegeven feiten veroordeeld. Op 23 augustus 2022 heeft de wrakingskamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wraking.
4.2
De beslissing van de wrakingskamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 augustus 2023 houdt onder meer het volgende in:
“De procedure
Door verzoeker is bij brief, gedateerd 11 juli 2022, om wraking verzocht van de raadsheren die op 29 juni 2022 een strafzaak tegen hem, verzoeker, hebben behandeld. Het betreft mr. A.J. Smit, mr. B.J.J. Melssen en mr. K.J.C. Geeve.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 513, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering moet een wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan verzoeker bekend zijn geworden.
Verzoeker stelt in zijn wrakingsverzoek dat de hiervoor bedoelde samenstelling van het hof vooringenomen, niet onpartijdig en niet onafhankelijk is gebleken, hetgeen zich heeft geuit door het niet toepassen van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), verbod van foltering, onmenselijke behandeling of vernedering of bestraffing van verzoeker en diens kinderen.
De wrakingskamer is van oordeel dat, gelet op de door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden, niet gesteld kan worden dat het wrakingsverzoek is gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan hem bekend zijn geworden. Immers de behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden op 29 juni 2022 en het wrakingsverzoek is op 11 juli 2022 ingediend. Verzoeker is om die reden niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van mrs. Smit, Melssen en Geeve.
Op grond van het hiervoor overwogene komt de wrakingskamer aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek niet toe en kan worden volstaan met een schriftelijke afdoening van het verzoek.
BESLISSING
Het hof (wrakingskamer):
Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.”
4.3
In een arrest van 13 april 2010 overwoog de Hoge Raad als volgt:1.
“2.2. Art. 513 Sv luidt:
"1. Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Tijdens de terechtzitting kan het ook mondeling geschieden.
3. Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen.
4. Een volgende verzoek om wraking van dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
5. Geschiedt het verzoek ter terechtzitting, dan wordt de terechtzitting geschorst."
2.3.1.
Het middel roept de vraag op of na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, doch vóór dat einduitspraak wordt gedaan nog een wrakingsverzoek kan worden gedaan. Hoewel de tekst van art. 513 Sv daaromtrent geen uitsluitsel geeft, moet die vraag niettemin bevestigend worden beantwoord op grond van het navolgende. Bij de wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie) is een harmonisatie bewerkstelligd van de onderscheiden regelingen over wraking en verschoning (Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 111, 267 en 268). Als gevolg daarvan is art. 513 Sv - afgezien van hier niet ter zake doende verschillen - gelijkluidend aan art. 37 Rv en art. 8:16 Awb. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de onderscheiden wrakingsbepalingen houdt in:
"De ratio van het instituut van de wraking is gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid. Dit wordt tot uitdrukking gebracht in de in dit artikel geformuleerde norm: feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het recht om wraking van een rechter te verzoeken, is toegekend aan partijen. Een dergelijk verzoek kan in beginsel in elke stand van het geding worden gedaan. Een verzoek om wraking kan uiteraard evenzeer betrekking hebben op een rechter-commissaris." (Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 113)
Hieruit volgt dat, totdat einduitspraak is gedaan, een verzoek tot wraking van de zittingsrechter kan worden gedaan.
2.3.2.
Een na de sluiting van het onderzoek schriftelijk ingediend wrakingsverzoek is tijdig gedaan indien het voorafgaande aan de uitspraak bij het gerecht is ingekomen en wel op een zodanig tijdstip dat de betrokken rechter(s) daarvan redelijkerwijs nog kennis konden nemen. De omstandigheid dat het verzoek de rechter(s) te laat bereikt wegens onduidelijkheid dan wel onvolledigheid van het verzoek, de adressering en de vermelding van de zaaksgegevens daaronder begrepen, komt voor risico van de indiener.
2.3.3.
Opmerking verdient nog dat in het geval dat het verzoek tijdig is ingediend doch daarop niet kan worden beslist vóór het tijdstip waarop de uitspraak is bepaald, de rechter in verband met art. 345, derde lid, Sv het onderzoek in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer zal dienen te heropenen en te schorsen.”
4.4
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2010, het hof – nu het wrakingsverzoek twee dagen voor de einduitspraak was binnengekomen en de raadsheren dus redelijkerwijs ervan kennis hadden kunnen nemen – in verband met art. 345, derde lid, Sv het onderzoek in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer had dienen te heropen en te schorsen.
4.5
Anders dan in het arrest dat in HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926 voorlag – waar de stukken van het geding onvoldoende feitelijke grondslag boden voor het aan het middel ten grondslag liggende uitgangspunt dat het wrakingsverzoek tijdig was gedaan – is het na de sluiting van het onderzoek schriftelijk ingediend wrakingsverzoek in de onderhavige zaak tijdig ingediend. Het verzoek is op 11 juli ingekomen, zo volgt uit de beslissing van de wrakingskamer. Ik meen dat twee dagen, de einduitspraak is gedaan op 13 juli, voldoende tijd bood voor de betrokken rechters om van het wrakingsverzoek kennis te kunnen nemen.
4.6
Hoewel het hof in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer het onderzoek niet heeft heropend en geschorst, maar einduitspraak heeft gedaan, ben ik van oordeel dat de klacht bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden. De reden daarvoor is dat de wrakingskamer, nadat het hof reeds einduitspraak had gedaan, de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek tot wraking, omdat de verdachte het wrakingsverzoek niet heeft gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verdachte bekend zijn geworden. Enig rechtsmiddel tegen die beslissing staat ingevolge het bepaalde in art. 518, derde lid, Sv niet open. Een hernieuwde behandeling van de zaak zal om die reden niet tot een andere uitkomst leiden.
4.7
Ten overvloede merk ik op dat de motivering van de beslissing op het verzoek tot wraking van de raadsheren die de bestreden uitspraak hebben gewezen zich onderscheidt van de motivering van de beslissing op het verzoek tot wraking die samenhangt met het arrest dat in HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926 voorlag. In de laatstgenoemde beslissing verklaarde de wrakingskamer de verdachte niet-ontvankelijk in zijn verzoek en overwoog daartoe onder meer “dat een inhoudelijke behandeling van het verzoek tot wraking – gezien de stand waarin het geding in de strafzaak tegen verzoekster zich bevond op het moment waarop de wrakingskamer van dat verzoek kennis kreeg – verzoekster niet kan baten, zelfs niet indien termen aanwezig zouden zijn die zouden nopen tot inwilliging van dat verzoek. Het inmiddels uitgesproken arrest in de strafzaak kan immers door het verzoek tot wraking niet alsnog ongedaan worden gemaakt of anderszins worden aangetast. Derhalve heeft verzoekster naar het oordeel van de wrakingskamer thans in redelijkheid geen belang bij een inhoudelijke behandeling van het verzoek”. Indien uit de stukken van het geding in die zaak was gebleken dat het wrakingsverzoek tijdig was gedaan, had naar ik meen – en anders dan in de onderhavige zaak, gelet op de motivering van de beslissing van de wrakingskamer – een hernieuwde behandeling van de zaak niet met zekerheid tot dezelfde uitkomst geleid.
4.8
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld.
Het tweede middel
5. Het tweede middel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel, dat het verzoek tot het horen van de deskundige diende te worden afgewezen omdat – gelet op de motivering van het verzoek en in het licht van de tenlastegelegde feiten – een eventuele verklaring van de deskundige niet van belang zou kunnen zijn voor enige door het hof te nemen beslissing, onbegrijpelijk zou zijn.
5.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2022 houdt inzake het verzoek de meegebrachte deskundige te horen onder meer het volgende in:
“De raadsman voert het woord:
U, voorzitter, merkt op dat de verdediging twee personen heeft meegebracht. Dat betreft een meegebrachte getuige-deskundige. [betrokkene 1] en zijn partner, [betrokkene 2] . [betrokkene 1] bevindt zich nu op de gang. Zijn naam heeft in eerste aanleg een betekenisvolle rol gespeeld, alhoewel het misschien niet de rol is geweest die cliënt voor ogen had. De rechtbank heeft het verzoek om hem te horen destijds afgewezen. Ik verzoek u om hem alsnog tot getuige-deskundige te benoemen en hem te horen. Hij zou zijn deskundigheid kunnen uiten ten aanzien van beslissingen die uw hof moet nemen. Geen beslissingen die zien op de bewezenverklaring, maar wel over de strafbaarheid van cliënt en of er sprake zou kunnen zijn van overmacht. Zijn deskundigheid over ouderverstoting is, ook van belang, mocht het zover komen, bij het beoordelen van de strafmaat en indien er sprake is van ouderverstoting, of dat strafmatigend zou moeten zijn. (…)
De oudste raadsheer merkt op:
De rechtbank heeft het verzoek destijds afgewezen, omdat de deskundige partijdig zou zijn vanwege de manier waarop hij zich op andere wijze heeft ingezet voor de zaak. Hij zou hebben geprotesteerd met spandoeken en de rechtbank oordeelde dat zij [betrokkene 1] niet wilde en niet kon horen, omdat hij niet ingeschreven staat in het deskundige-register en omdat hij niet onafhankelijk zou zijn.
De raadsman reageert:
Ik zie dat anders. Als [betrokkene 1] op persoonlijke titel sympathie heeft voor de zaak, doet niet af aan zijn deskundigheid. We gaan hem niet vragen naar zijn persoonlijke mening, maar of er sprake is van ouderverstoting.
(…)
Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mee:
Het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als deskundige wordt afgewezen. Het is mogelijk dat het hof in de loop van de behandeling of na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting tijdens de beraadslaging tot een andere beslissing komt. Het hof is van oordeel dat gelet op de onderbouwing van het verzoek in het licht van de aan verdachte tenlastegelegde feiten, het horen van [betrokkene 1] nu niet van belang is voor enige door het hof in de strafzaak te nemen beslissing.”
5.2
Het hof heeft inzake het verzoek de meegebrachte deskundige te horen in het arrest als volgt overwogen:
“Verzoek tot het horen van deskundige
De raadsman heeft het hof ter terechtzitting verzocht om het horen van [betrokkene 1] als deskundige. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat [betrokkene 1] deskundig is op het gebied van ouderverstoting en dat zijn expertise van belang is voor, indien het hof komt tot een bewezenverklaring, de strafbaarheid van verdachte en de strafmaat. Daarnaast meent de raadsman dat de deskundige onafhankelijk zijn advies kan geven, nu het er niet toe doet dat [betrokkene 1] op persoonlijke titel sympathie voelt voor de zaak van verdachte.
Het hof heeft ter terechtzitting het verzoek afgewezen, waarna het bij pleidooi is herhaald. Er zijn daarna geen nieuwe argumenten naar voren gebracht ter onderbouwing van het herhaalde verzoek. Het hof is van oordeel, met de advocaat-generaal, dat het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige wederom dient te worden afgewezen. Gelet op de tenlastegelegde feiten en de motivering van het verzoek, acht het hof een eventuele verklaring van [betrokkene 1] niet van belang voor enige door het hof te nemen beslissingen.”
5.3
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de verdachte de meegebrachte deskundige ter terechtzitting wenste te horen over “ouderverstoting” en dat uit de motivering van de het door de raadsman ter terechtzitting gedane verzoek tot het horen van de deskundige “is af te leiden dat een verklaring van de deskundige van belang kan zijn bij het bepalen van de straf (…), maar ook bij de beantwoording van de vraag of er sprake zou kunnen zijn van overmacht”. Het horen van de deskundige was, aldus de steller van het middel, om die reden in het belang van de verdediging. ’s Hofs oordeel dat – gelet op de motivering van het verzoek en in het licht van de tenlastegelegde feiten – een eventuele verklaring van de deskundige niet van belang zou kunnen zijn voor enige door het hof te nemen beslissingen, zou gelet op het voorgaande onbegrijpelijk zijn.
5.4
Ik stel voorop dat een verzoek tot het horen van een meegebrachte deskundige ingevolge art. 287, tweede lid, Sv in verbinding met art. 299, eerste lid, Sv slechts kan worden afgewezen op de gronden genoemd in art. 288, eerste lid onder b en c, Sv.2.
5.5
Het hof heeft het verzoek van de raadsman aan het verdedigingsbelang getoetst en op basis van de grond genoemd in art. 288, eerste lid, onder c, Sv afgewezen. Het hof heeft daartoe, zowel ter terechtzitting als bij arrest, kort gezegd overwogen dat, gelet op de tenlastegelegde feiten en de motivering van het verzoek een eventuele verklaring van [betrokkene 1] (nu) niet van belang is voor enige door het hof in de strafzaak te nemen beslissing.
5.6
Onbegrijpelijk acht ik ’s hofs oordeel niet. Hoewel de raadsman heeft aangevoerd dat [betrokkene 1] deskundig is op het gebied van ouderverstoting en dat zijn expertise van belang is voor de strafbaarheid van de verdachte en de strafmaat, heeft de raadsman ten aanzien van [betrokkene 1] niet gemotiveerd waarom het horen van deze deskundige over het onderwerp ouderverstoting van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing, terwijl dit– zo ligt ook besloten in ’s hofs overweging – wel van de verdediging mocht worden verlangd.
5.7
Het tweede middel faalt.
Het derde middel
6. Het derde middel bevat de klacht dat de berechting van de verdachte niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
6.1
Op 15 juli 2022 is namens de verdachte beroep in cassatie is ingesteld. De stukken van het geding zijn op 24 november 2023 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden met ruim acht maanden. Daarover klaagt het middel terecht. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte minder beloopt dan een maand, kan worden volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.3.
6.2
Het middel kan niet tot cassatie leiden.
Slotsom
7. Het eerste middel faalt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het derde middel kan niet tot cassatie leiden. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 15 juli 2022. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte minder beloopt dan een maand, kan worden volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑09‑2024
HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6904.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.6.2.
Beroepschrift 01‑03‑2024
SCHRIFTUUR HOUDENDE
MIDDELEN VAN CASSATIEXXblockendXX
inzake
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1968,
wonende op het adres [adres] ([postcode]) [woonplaats]
rekwirant van cassatie van een hem betreffend arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2022 in de zaak met rolnummer 21-002685-21
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid met zich meebrengt. Met name zijn geschonden de artikelen 345, 512, 513 Sv, in verbinding met art. 415 Sv en artikel 6 EVRM, nu het hof bij arrest van 13 juli 2022 einduitspraak heeft gedaan, terwijl rekwirant van cassatie na de sluiting van het onderzoek, maar vóór de einduitspraak, namelijk op 11 juli 2022, een wrakingsverzoek had ingediend.
Toelichting
1.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2022 heeft de voorzitter na sluiting van het onderzoek in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman meegedeeld dat de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 13 juni 2022 te 14.00 uur.
2.
Op 11 juli 2022, aldus na sluiting van het onderzoek maar vóór de einduitspraak, heeft rekwirant een wrakingsverzoek ingediend ten aanzien van de drie raadsheren van het hof die de zaak hebben behandeld. Aan onderhavige schriftuur is bedoeld verzoek gehecht (BIJLAGE I), alsmede de beslissing van de wrakingskamer van 23 augustus 2022 (aldus gedateerd ruim na de einduitspraak), (BIJLAGE II).
3.
Het wrakingsverzoek houdt (zonder weergave van de voetnoten en de bijlagen) het volgende in:
‘Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Locatie Zwolle Afdeling strafrecht Schuurmansstraat 2 8011 KP Zwolle
Oldenzaal, 11 juli 2022
Betreft: parketnummer 21-002685-21. Wrakingsverzoek ten aanzien van de heer mr. Smit, mr. Melssen en mw. Mr. Geeve wegens artikel 3 EVRM — verbod van foltering, onmenselijke behandeling, vernedering of bestraffing
Geacht Hof,
Naar aanleiding van de rechtszitting van het bovenstaand parketnummer die heeft plaatsgevonden op 29 juni jl., dien ik een wrakingsverzoek in. In deze brief licht ik mijn wrakingsgronden toe.
In mijn optiek is het betreffende team vooringenomen, niet onpartijdig en niet onafhankelijk gebleken, wat zich heeft geuit door het niet toepassen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) artikel 3, verbod van foltering, onmenselijke behandeling of vernedering of bestraffing van ondergetekende en de kinderen.
In het kader van het wrakingsverzoek en haar gronden wat betreft EVRM, artikel 3, refereer ik u aan 2 boeken over ouderverstoting die ik in de bijlage zal bijvoegen:
- 1.
Gemist vaderschap; 1
- 2.
Moeder — Kind — Vader: een drieluik over ouderverstoting. 2
De wrakingsgronden die tot de genoemde conclusie hebben geleid zijn:
1.
Het hof neemt de beschikking van mr. Olthof (april 2017, stopzetten omgang) als basis terwijl deze in strijd is met het EVRM en samenhangende artikelen uit BW 253a (en voormalig BW 1:377h) of BW 1:377a (afhankelijk van de situatie of sprake is van wel of geen ouderlijk gezag), zonder toetsing. Uit de bijgevoegde wetsgeschiedenis (2013) blijkt dat ‘beide situaties betreffen het contact met het kind of, om in termen van jurisprudentie van het EHRM te spreken, genieten van elkaars gezelschap. Het is dan minder goed te begrijpen dat de gronden tot begrenzing van contacten als een ouder het gezag niet heeft veel stringenter zijn geformuleerd dan wanneer de ouder wel het gezag heeft. Het ontzeggen van omgang of om de gebruikte termen van de wetsgeschiedenis (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige echtscheiding (BW 1: 253a), gaat het om een verdeling van zorg- en opvoedingstaken. De gebruikte termen geven een ‘verzwaring’ en groter belang van ouderschap en verdeling van ouderlijke verantwoordelijkheden (voor kinderen) aan. De gerefereerde beschikking en daarvan afgeleide strafrechtelijke vervolging en kritiekloos volgen hiervan door het gerechtshof is in strijd met de wetsgeschiedenis en is ook genegeerd; daarmee zijn ook de kinderrechten, de ouder-kind relatie en onvoorwaardelijk ouderschap / vaderschap genegeerd (EVRM).
2.
Uit de bijgevoegde wetsgeschiedenis blijkt dat: ‘wanneer ouders gezamenlijke gezag uitoefenen altijd een regeling inzake de verdeling van verzorgings- en opvoedingstaken moet worden vastgesteld. Mr. Olthof heeft in april 2017 niet in de gedachte van de wetsgeschiedenis gehandeld en zelfs in strijd met de genoemde wetten en regelgeving gehandeld.1
3.
Voortvloeiend uit punt 1 en 2 heeft het gerechtshof inbreuk gepleegd op de kinderrechten volgens het EVRM / IRVK, ofwel deze inbreuken gecontinueerd en versterkt. Het niet toepassen en handhaven op gestelde regel- en wetgeving betekent voor de kinderen en vader zelf een vorm van ‘psychologische waterboarding’, zoals verwoord tijdens de rechtszitting. Het is vernederend en onmenselijk dat de ouder-kind relatie stelselmatig en doelbewust wordt beschadigd, ook mede door de leugenachtige, bevooroordeelde berichtgeving in dagblad Tubantia. Het gerechtshof blijkt dit te hebben genegeerd.
4.
Het ouderlijk gezag bevat op basis van BW 1:247 (gelijkwaardig ouderschap) de elementaire plicht en recht van de ouders is de ene ouder verplicht jegens minderjarige kinderen met betrekking tot opvoeding en zorg. Door het tweezijdige ouderlijk gezag gold dit ten tijde van het stopzetten van de omgang (april 2017) nog. Op onrechtmatige wijze stopzetten van omgang c.q. zorg- en opvoedtaken ten behoeve van de kinderen is vernederend, onmenselijk en bestraffing, voor zowel ouder als kinderen, die niet mogelijk zou moeten zijn in een rechtstaat. Deze vorm van bewuste wetsweigering (onrechtmatige daad) c.q. rechterlijke dwaling qua logica (geen omgang of zorg- en opvoeding ondanks ouderlijk gezag) en evenals een rechterlijke dwaling in juridische zin (ontkenning van ouderverstoting en bestraffing van het benoemen ervan) is onnavolgbaar en is een manier van ‘coercive control’ (dit is het werkelijke doel en niet bescherming van de kinderen, wat een façade en fictie is) en een vorm van foltering en vernedering en schadelijk voor het geestelijk, fysiek welzijn alsmede ontwikkeling van persoonlijkheid van de kinderen. De gang van zaken in de rechtszaak is in strijd met de kinderrechten en onvoorwaardelijk vaderschap, waardoor het familieleven van mij en mijn kinderen en continuering van de ouder-kindrelaties niet is eerbiedigt. Op deze manier wordt een strafbaar feit c.q. rechterlijke dwaling van Olthof gelegitimeerd en dient het als fundament om mij strafrechtelijk te vervolgen en veroordelen, wat de onmenselijke behandeling, vernedering en bestraffing versterkt. Daarmee wordt de genoemde fictie in stand gehouden en versterkt. Het is evident oneerlijk en traumatiserend voor vader en de kinderen.
Zoals gesteld tijdens de rechtszitting ben ik pas in mei 2018 (ruim 1 jaar later) mijn ouderlijk gezag verloren. Het stopzetten van de omgang is daarmee het onttrekken van de kinderen aan mijn ouderlijk gezag. Dit strafbare feit is de basis voor de strafrechtelijke vervolging en veroordeling wegens stalking. Het hof lijkt hiermee door te willen gaan, gezien het verloop v.d. zitting. Het hof doet alsof Olthof recht heeft gesproken en legitimeert het (zonder toetsing), in mijn perspectief om de veroordeling in stand te houden, wat vooringenomenheid, gebrek aan onafhankelijkheid en confirmation bias is. Deze onmenselijke behandeling is ongezond en traumatiserend voor mijzelf en mijn kinderen (overtreding EVRM, artikel 3). Uit punten 1 — 4 blijkt dat het hof doet alsof ze niet anders kunnen dan de beschikking van mr. Olthof te volgen maar mijns inziens is het een kwestie van onwil en gebrek aan onafhankelijkheid. Het zou eigenlijk van wijsheid en van goede justitie getuigen als ze de eerdere besluiten in het familierecht niet als basis zouden nemen of het geheel of relevante delen te toetsen. Zonder toetsing een besluit van een andere rechter overnemen is een vorm van confirmation bias en schijnneutraliteit c.q. partijdigheid.
‘De rechtbank denkt dat je ongezond excentriek bent als je als man je liefde voor je kind uit!’ ‘De ontkenning en buitensluiting van vaderschap is voor de meeste mannen een traumatische aangelegenheid. Voor deze traumatische ervaring is in de samenleving (nog steeds) geen gehoor. hulpverlening is niet adequaat en het functioneren van het rechtssysteem gooit olie op het vuur. De samenleving reproduceert de traumatische ervaringen eerder dan dat ze hulp en oplossingen biedt.’ De stress draagt aanzienlijk bij aan het verkorten van de levensverwachting van vader en kinderen. 2 Gemist Vaderschap, pagina 101.
Het verlies van de existentiële band tussen vader en kinderen en de manier waarop een wig tussen vader en kinderen is en wordt gedreven is voor beiden een vorm van psychisch (coercief) geweld, ongezond en traumatiserend. Dit perspectief wordt bevestigd door het reeds gedeelde wetenschappelijke artikel van dr. Amy Baker, die ouderverstoting als een vorm van psychologische mishandeling kwalificeert. 3 De mishandeling, vernedering, onmenselijke behandeling en bestraffing (EVRM, artikel 3) geeft vader het recht om zichzelf en zijn kinderen te beschermen en te verdedigen (overmacht).
De tirannieke, perverse en empathieloze behoefte van moeder en het OM om vader en de kinderen monddood te maken en daarmee de innerlijke pijn in te laten slikken en alle mensrechten en menselijke waardigheid af te nemen is ook een vorm van foltering, onmenselijke behandeling, vernedering of bestraffing.
De door vader aangegeven psychosomatische klachten hebben evident een causaal verband met de breuk van de genoemde existentiële band. Uit recent psychodiagnostisch onderzoek waaraan vader voor de aanvraag van een Wmo-indicatie heeft deelgenomen blijkt dat vader geen gedragsstoornis(sen) heeft, ondanks de psychosomatische klachten. Het onderzoek is uitgevoerd door onafhankelijk arbeidsmedisch adviesbureau Ausems Kerkvliet (datum rapportage: 25-11-2021). Daarmee is evident dat pathogeen moederschap de enige mogelijke oorzaak van de problematiek is en trauma bij vader en kinderen.
5.
Het is een maatschappelijk aanvaard uitgangspunt dat je kinderen niet van een ouder vervreemdt. Het is mede door het rapport van het Expertteam Ouderverstoting bekend dat dit schadelijk is voor kinderen, op korte en lange termijn. Het gerechtshof zou gebruik dienen te maken van het (voortschrijdend) inzicht en beschikbare wetenschappelijke kennis, maar tijdens de rechtszitting bleken de raadsheren hiertoe niet bereid, wat duidt op subjectiviteit, partijdigheid en gebrek aan onafhankelijkheid.
‘Als je kinderen geen hoop geeft op de toekomst, snijd je in wezen de zuurstof af Misschien is wel het allerbelangrijkste dat een kind de vrijheid krijgt van beide ouders te houden. Als daar een verbod op ligt, wordt het basisvertrouwen van het kind in zichzelf en in de relaties — de intieme relaties èn de relaties in de buitenwereld — systematisch vernietigd.’ Ook emeritus-hoogleraar criminologie Peter Hoefnagels stelt al jaren dat omgangsfrustratie een misdaad is. ‘De ene ouder die de andere ouder frustreert in de omgang met het kind, dat is de ongeschreven misdaad van deze eeuw’ en ‘Als het kind zelf geen omgang meer wil, is dat het gevolg van de gezondheid van het gezin waarin het leeft.’ 4 Moeder — Kind — Vader — Een drieluik over ouderverstoting, pagina 68.
‘Emotionele nood: het verbreken van de band met je kind is niet alleen tussen twee personen maar het is ook de weerspiegeling van de band met het fundament van je eigen innerlijk’. ‘Kinderen zijn afhankelijk van de zorg van de vader en raken hun allerbelangrijkst emotionele sleutelfiguur en rolmodel kwijt.’ 2 Gemist vaderschap pagina 102.
Vader en de kinderen zitten in een oneindig rouwproces. Voor vader en de kinderen betekent dit identiteitsverlies (vaderschap is een deel van mij en mijn identiteit, voor de kinderen gaat het vaderdeel van hun identiteitswortel dood c.q. wordt in het onderbewuste deel van hun hersenen gedrukt wat een onderdrukking van het natuurlijke hechtingssysteem als onderdeel van het natuurlijke overlevingsmechanisme betekent) en dat een deel van hen dood gaat. Vader probeert als man te overleven en de kinderen hun kindertijd en adolescentie. Het rechtssysteem heeft dit gecreëerd en wordt tijdens het strafproces gecontinueerd en versterkt, terwijl de verantwoordelijkheden en bevoegdheden aanwezig zijn om de situatie te doorbreken. Het gerechtshof ontloopt haar verantwoordelijkheden, met het doel tot behoud van macht en controle (coercive control). Vanwege de mishandelende, traumatiserende aard is het een v overtreding van het EVRM, artikel 3, verbod van foltering, onmenselijke behandeling of vernedering of bestraffing.
Kortom: de onder punt 1–6 genoemde punten zijn de basis van mijn wrakingsverzoek, artikel 3 van het EVRM, die zijn onderbouwd met de vermelde feitelijke gedragingen en strategieën, die ouderverstoting kenmerken. Ik verzoek u het verzoek gegrond te verklaren. Bij voorbaat dank!
Met vriendelijke groet,
[verdachte]
[a-straat 01]
[postcode] [a-plaats]’
4.
De beslissing van de wrakingskamer van 23 augustus 2022 houdt — voor zover relevant — het volgende in:
‘De procedure
Door verzoeker is bij brief, gedateerd 11 juli 2022, om wraking verzocht van de raadsheren die op 29 juni 2022 een strafzaak tegen hem, verzoeker, hebben behandeld. Het betreft mr. A.J. Smit, mr. B.J.J. Melssen en mr. K.J.C. Geeve.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 513, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering moet een wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan verzoeker bekend zijn geworden.
Verzoeker stelt in zijn wrakingsverzoek dat de hiervoor bedoelde samenstelling van het hof vooringenomen, niet onpartijdig en niet onafhankelijk is gebleken, hetgeen zich heeft geuit door het niet toepassen van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), verbod van foltering, onmenselijke behandeling of vernedering of bestraffing van verzoeker en diens kinderen.
De wrakingskamer is van oordeel dat, gelet op de door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden, niet gesteld kan worden dat het wrakingsverzoek is gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan hem bekend zijn geworden. Immers de behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden op 29 juni 2022 en het wrakingsverzoek is op 11 juli 2022 ingediend. Verzoeker is om die reden niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van mrs. Smit, Melssen en Geeve.
Op grond van het hiervoor overwogene komt de wrakingskamer aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek niet toe en kan worden volstaan met een schriftelijke afdoening van het verzoek.
Beslissing
Het hof (wrakingskamer):
Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.’
5.
Gelet op het door de Hoge Raad in zijn arrest van 13 april 2010 bepaalde (ECLI:NL:HR:2010:BJ9926) had het hof — nu het wrakingsverzoek twee dagen voor de einduitspraak was binnengekomen (zie ook de hierboven weergegeven beslissing van de wrakingskamer) en de raadsheren dus redelijkerwijs ervan kennis hadden kunnen nemen — in verband met art. 345, derde lid, Sv het onderzoek in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer dienen te heropenen en te schorsen.
6.
De Hoge Raad overwoog in voornoemd arrest immers:
‘2.3.1.
Het middel roept de vraag op of na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, doch vóór dat einduitspraak wordt gedaan nog een wrakingsverzoek kan worden gedaan. Hoewel de tekst van art. 513 Sv daaromtrent geen uitsluitsel geeft, moet die vraag niettemin bevestigend worden beantwoord op grond van het navolgende. Bij de wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie) is een harmonisatie bewerkstelligd van de onderscheiden regelingen over wraking en verschoning (Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 111, 267 en 268). Als gevolg daarvan is art. 513 Sv — afgezien van hier niet ter zake doende verschillen — gelijkluidend aan art. 37 Rv en art. 8:16 Awb. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de onderscheiden wrakingsbepalingen houdt in:
‘De ratio van het instituut van de wraking is gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid. Dit wordt tot uitdrukking gebracht in de in dit artikel geformuleerde norm: feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het recht om wraking van een rechter te verzoeken, is toegekend aan partijen. Een dergelijk verzoek kan in beginsel in elke stand van het geding worden gedaan. Een verzoek om wraking kan uiteraard evenzeer betrekking hebben op een rechter-commissaris.’
(Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 113)
Hieruit volgt dat, totdat einduitspraak is gedaan, een verzoek tot wraking van de zittingsrechters kan worden gedaan.
2.3.2.
Een na de sluiting van het onderzoek schriftelijk ingediend wrakingsverzoek is tijdig gedaan indien het voorafgaande aan de uitspraak bij het gerecht is ingekomen en wel op een zodanig tijdstip dat de betrokken rechter(s) daarvan redelijkerwijs nog kennis konden nemen. De omstandigheid dat het verzoek de rechter(s) te laat bereikt wegens onduidelijkheid dan wel onvolledigheid van het verzoek, de adressering en de vermelding van de zaaksgegevens daaronder begrepen, komt voor risico van de indiener.
2.3.3.
Opmerking verdient nog dat in het geval dat het verzoek tijdig is ingediend doch daarop niet kan worden beslist vóór het tijdstip waarop de uitspraak is bepaald, de rechter in verband met art. 345, derde lid, Sv het onderzoek in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer zal dienen te heropenen en te schorsen.’
7.
Gelet op het voorgaande had het gerechtshof op 13 juli 2022 geen einduitspraak mogen doen.
8.
Ik verzoek de Hoge Raad het middel gegrond te verklaren, het betreden arrest te vernietigen en de zaak terug te wijzen of te verwijzen naar een ander gerechtshof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid met zich meebrengt. Met name zijn geschonden de artikelen 287, 288, 299, in verbinding met art. 415 Sv, nu het Hof het verzoek tot het horen van de meegebrachte deskundige [betrokkene 1] onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.
Toelichting
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2022 houdt, voor zover relevant, het volgende in:
‘De raadsman voert het woord:
U, voorzitter, merkt op dat de verdediging twee personen heeft meegebracht. Dat betreft een meegebrachte getuige-deskundige. [betrokkene 1] en zijn partner, mevrouw [betrokkene 2]. De heer [betrokkene 1] bevindt zich nu op de gang. Zijn naam heeft in eerste aanleg een betekenisvolle rol gespeeld, alhoewel het misschien niet de rol is geweest die cliënt voor ogen had. De rechtbank heeft het verzoek om hem te horen destijds afgewezen. Ik verzoek u om hem alsnog tot getuige-deskundige te benoemen en hem te horen. Hij zou zijn deskundigheid kunnen uiten ten aanzien van beslissingen die uw hof moet nemen. Geen beslissingen die zien op de bewezenverklaring, maar wel over de strafbaarheid van cliënt en of er sprake zou kunnen zijn van overmacht. Zijn deskundigheid over ouderverstoting is, ook van belang, mocht het zover komen, bij het beoordelen van de strafmaat en indien er sprake is van ouderverstoting, of dat strafmatigend zou moeten zijn. Ik kan mijn verzoek onderbouwen met zijn website, [website 1] en [website 2]. Daarop staat zijn cv en een lijst van publicaties over het fenomeen ouderverstoting, dat maakt hem deskundig. Hij is ook een aantal jaren bij de rechtbank Arnhem als getuige-deskundige gehoord, mocht u oordelen dat hij niet deskundig zou zijn omdat hij niet staat ingeschreven in het deskundigeregister. Dat komt omdat zijn gebied van expertise niét in het register is opgenomen.
De advocaat-generaal reageert:
Ik ga ervan uit dat de verdediging vraagt om de heer [betrokkene 1] te horen als deskundige en ik vraag uw hof om dat verzoek af te wijzen. Het gaat niet om de vraag of er sprake is van ouderverstoting, maar het gaat erom of er sprake is van strafbare feiten. De heer [betrokkene 1] is niet in het deskundige-register opgenomen en ik beschik niet over zijn cv. De strafmaat is een kwestie die beoordeeld moet worden door een rechter en niet door een deskundige. Uit het dossier komt al voldoende naar voren dat verdachte meent dat er sprake is van ouderverstoting en ik meen dat het horen van de heer [betrokkene 1] als deskundige daar niets aan toevoegt en daarom niet noodzakelijk is.
De oudste raadsheer merkt op:
De rechtbank heeft het verzoek destijds afgewezen, omdat de deskundige partijdig zou zijn vanwege de manier waarop hij zich op andere wijze heeft ingezet voor de zaak. Hij zou hebben geprotesteerd met spandoeken en de rechtbank oordeelde dat zij de heer [betrokkene 1] niet wilde en niet kon horen, omdat hij niet ingeschreven staat in het deskundige-register én omdat hij niet onafhankelijk zou zijn.
De raadsman reageert:
Ik zie dat anders. Als de heer [betrokkene 1] op persoonlijke titel sympathie heeft voor de zaak, doet niet af aan zijn deskundigheid. We gaan hem niet vragen naar zijn persoonlijke mening, maar of er sprake is van ouderverstoting.
De verdachte voert het woord:
Het is juist van toegevoegde waarde dat hij naast zijn academische kennis, zijn betrokkenheid ook op straat laat blijken. Het klopt dat er YouTube filmpjes zijn met interviews van hem en mij. Als onderdeel van het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming was er een openbare zitting en daar zou de heer [betrokkene 1] ook informant zijn. Ik heb hem toen gevraagd om mij bij te staan als deskundige. De moeder heeft dat toen geblokkeerd en er was dus geen sprake van hoor en wederhoor in dat onderzoek. De moeder heeft de Raad beïnvloed en gemanipuleerd en ik kon niet reageren op haar beweringen. Het was geen transparante, procedure. Als reactie daarop heb ik toen met [betrokkene 1] gesproken.
De advocaat-generaal wordt de mogelijkheid geboden om op de verdediging te reageren:
De toelichting van verdachte sterkt mij in mijn standpunt om mij te verzetten tegen het verzoek, vooral omdat er al jarenlang contact is met de heer [betrokkene 1] en hij betrokken is bij de civiele procedures.
Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mee:
Het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als deskundige wordt afgewezen. Het is mogelijk dat het hof in de loop van de behandeling of na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting tijdens de beraadslaging tot een andere beslissing komt. Het hof is van oordeel dat gelet op de onderbouwing van het verzoek in het licht van de aan verdachte tenlastegelegde feiten, het horen van de heer [betrokkene 1] nu niet van belang is voor enige door het hof in de strafzaak te nemen beslissing.’
2.
Het bestreden arrest houdt — voor zover relevant — met betrekking tot het verzoek de meegebrachte deskundige te horen het volgende in:
‘Verzoek tot het horen van deskundige
De raadsman heeft het hof ter terechtzitting verzocht om het horen van [betrokkene 1] als deskundige. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat [betrokkene 1] deskundig is op het gebied van ouderverstoting en dat zijn expertise van belang is voor, indien het hof komt tot een bewezenverklaring, de strafbaarheid van verdachte en de strafmaat. Daarnaast meent de raadsman dat de deskundige onafhankelijk zijn advies kan geven, nu het er niet toe doet dat [betrokkene 1] op persoonlijke titel sympathie voelt voor de zaak van verdachte.
Het hof heeft ter terechtzitting het verzoek afgewezen, waarna het bij pleidooi is herhaald. Er zijn daarna geen nieuwe argumenten naar voren gebracht ter onderbouwing van het herhaalde verzoek. Het hof is van oordeel, met de advocaat-generaal, dat het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige wederom dient te worden afgewezen. Gelet op de tenlastegelegde feiten en de motivering van het verzoek, acht het hof een eventuele verklaring van de heer [betrokkene 1] niet van belang voor enige door het hof te nemen beslissingen.’
3.
Een verzoek tot het horen van een deskundige kan ingevolge art. 287, tweede lid, Sv in verbinding met art. 299, eerste lid, Sv slechts worden afgewezen op de gronden genoemd in art. 288, eerste lid onder b en c, Sv (vgl. Hoge Raad 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6904).
4.
Het hof heeft door zowel tijdens de terechtzitting als bij arrest te overwegen dat het hof een eventuele verklaring van de heer [betrokkene 1] niet van belang acht voor enige door het hof te nemen beslissingen kennelijk geoordeeld dat de verdediging niet in haar belangen zou worden geschaad wanneer de deskundige niet zou worden gehoord.
5.
Het hof heeft de afwijzing van het verzoek gemotiveerd door te verwijzen naar hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd in het licht van de tenlastegelegde feiten. De afwijzende beslissing van het hof op het verzoek tot het horen van de meegebrachte deskundige is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
6.
De verdediging wenst de deskundige te horen in het kader van de verdenking dat rekwirant zijn kinderen en zijn ex-partner zou hebben belaagd. Op de achtergrond van deze zaak speelt het feit dat rekwirant na een aantal civielrechtelijke procedures het recht op omgang met zijn kinderen is ontzegd. Het hof overwoog in het bestreden arrest (zie pagina 5) hieromtrent:
‘Context van de zaken
Verdachte en aangeefster, [benadeelde 1], zijn elkaars partner geweest en inmiddels al geruime van belaging, wat geleid heeft tot de tijd gescheiden. Zij hebben samen twee minderjarige kinderen.
Na een aantal civielrechtelijke procedures is op 7 april 2017 verdachte het recht op omgang met de kinderen ontzegd. De kinderen wonen bij aangeefster, de ex-partner van verdachte. Nadien is verdachte veelvuldig contact blijven zoeken met de kinderen, waarbij hij zijn ex-partner ook tegenkomt. Hij zoekt contact met de media waarin hij zich uit over de (juridische) gang van zaken en dat hij zijn kinderen niet mag zien.
Op 30 januari 2019 heeft slachtoffer [benadeelde 1] aangifte gedaan strafzaak met parketnummer 08-1 14797-19 in eerste aanleg.
Op 15 mei 2019 is aan verdachte een gedragsaanwijzing uitgereikt voor de duur van 90 dagen op grond van artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering. Deze gedragsaanwijzing hield een contactverbod met zijn ex-partner en kinderen in en een gebiedsverbod rondom hun woning, school en sportactiviteiten.
Op 29 mei 2019 belde [benadeelde 1] de politie dat verdachte bij de sportvelden van de kinderen was.
Verdachte heeft beroep aangetekend tegen de gedragsaanwijzing en de rechtbank heeft per beschikking van 7 augustus 2019 de gedragsaanwijzing opgeheven. Op 17 januari 2020 heeft een basisschoolleraar van de kinderen aangifte gedaan van huisvredebreuk en op 18 januari 2020 heeft het [benadeelde 1], mede namens haar kinderen, wederom aangifte gedaan van belaging.’
7.
Namens rekwirant is in het licht van de verdenking van belaging van met name zijn kinderen verzocht de meegebrachte deskundige te horen over het thema ‘ouderverstoting’. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep gegeven motivering bij het verzoek is af te leiden dat een verklaring van de deskundige van belang kan zijn bij het bepalen van de straf (als er sprake zou zijn van ouderverstoting, dan zou dat tot matiging van de straf moeten leiden), maar ook bij de beantwoording van de vraag of er sprake zou kunnen zijn van overmacht.
8.
Namens rekwirant is bij pleidooi onder andere in reactie op de verdenking van belaging van zijn kinderen en zijn ex-vrouw onder meer naar voren gebracht (p. 3 van 7 van het pleidooi, onderaan):
‘Naar het standpunt van de verdediging kan de (materiële) wederrechtelijkheid niet worden bewezen, nu het volledig uit beeld blijven veel schadelijker is voor het kind dan, hoe marginaal ook, in beeld blijven: hij bevindt zich simpelweg in een onmogelijke situatie waarin iedere keuze verlies betekent.’
9.
Ten aanzien van de strafmaat is namens rekwirant bij pleidooi onder meer aangevoerd (zie pleidooi pagina 6 van 7):
‘Strafmaat
Mocht uw hof tot enige bewezenverklaring komen dan komt u toe aan de: vraag of enige straf of maatregel geïndiceerd is en zo ja welke dat dan zou moeten zijn. Ik maak me sterk dat u vandaag heeft waargenomen, hoezeer [verdachte] gebukt gaat onder het niet zien van zijn kinderen en dat geen enkele uitkomst van de zaak, zelfs geen integrale vrijspraak, dat verlies ongedaan kan maken.
Eigen schuld of niet, [verdachte] heeft 17 dagen in voorlopige hechtenis moeten verblijven. 17 dagen gevangen gezeten enkel en alleen omdat hij zich er niet bij neer kan leggen dat hij geen enkel contact met zijn kinderen mag hebben. Welke toegevoegde waarde heeft het opleggen van een straf in deze zaak.
De problematiek van ouderverstoting is ernstig, vanuit welk perspectief je het ook bekijkt. Ik ben geen psycholoog, maar kan wel zeggen dat [verdachte] zich inderdaad in een vrijwel onmogelijke spagaat bevindt. De kinderen kunnen nu wel zeggen geen behoefte te hebben aan contact met hun vader, vanuit intrinsieke overtuiging of gestuurd daarin door moeder, Maar kinderen worden ouder. En de dag gaat komen dat zij zich afvragen waar hun vader al die tijd geweest is. Of anders gezegd, dat zij zullen waarderen dat hij ondanks alle barrières/heeft willen tonen dat hij van ze houdt en niets liever wil dan contact. Dat ligt dus veel genuanceerder dan de simpele stelling dat hij enkel oog heeft gehad voor zijn eigen belang en daarmee de belangen van zijn kinderen heeft geschaad. Ik verzoek u uitdrukkelijk dat goed onder ogen te zien. Strafrechtelijk gezien is zijn gedrag mogelijk verwijtbaar. Menselijk gezien is dat niet het geval. Hij heeft gedaan wat veel ouders in zijn geval zouden doen, vanuit de oprechte overtuiging daarmee ook in het belang van zijn kinderen te handelen.’
10.
Het hof heeft het verweer met betrekking tot het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid verworpen (zie pagina 10 en 11 van het bestreden arrest):
‘Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Ten aanzien van de feiten onder de parketnummers 08-114797-19 en 08-15723-20 heeft de raadsman aangevoerd dat de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt, omdat verdachte niet anders kon dan proberen in beeld te blijven bij zijn kinderen. Helemaal geen contact met de kinderen zou namelijk nog schadelijker zijn voor zijn kinderen.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid sprake kan zijn als met de gedraging de belangen die de overtreden bepaling geacht wordt te beschermen, beter zijn gediend dan bij gehoorzaamheid aan de tekst van de wet. Daarnaast kan de materiële wederrechtelijkheid ontbreken wanneer met de gedraging een hoger belang wordt gediend of wanneer bepaald gedrag naar algemeen aanvaarde professionele of maatschappelijke normen toelaatbaar of juist wordt geacht.
De strafrechtelijke bepalingen van belaging en het niet handelen conform een gedragsaanwijzing zijn respectievelijk misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid en tegen het openbaar gezag. De opgelegde gedragsaanwijzing was in de onderhavige zaak ook opgelegd ter bescherming van de persoonlijke vrijheid van de drie slachtoffers.
Het hof is van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen niet handelde in het belang van de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers of dat hij hiermee een: ander hoger belang diende. De stelling van verdachte dat uit publicaties en onderzoek zou blijken dat het voor zijn kinderen beter is wanneer hij ze wel opzoekt, is onvoldoende aannemelijk geworden. De onderzoeken waar verdachte naar verwijst, worden door vele andere onderzoeken en publicaties weersproken. Daarvan kan dus, naar het oordeel van het hof, niet zonder meer worden uitgegaan. Verdachte stelde zijn eigen belang voorop en ging hiermee juist voorbij aan de belangen van aangeefster en zijn zoons, te weten hun persoonlijke bewegingsvrijheid. Het eigen inzicht van verdachte dat het van belang is dat hij zijn kinderen ziet, zelfs als dat op de opdringere en obsessieve wijze gebeurt zoals gedaan door verdachte, wordt onder andere ook weersproken door de beslissingen van de familierechter. Daarnaast is het hof niet gebleken dat er algemeen aanvaarde professionele of maatschappelijke normen zijn die het gedrag van verdachte toelaatbaar of juist achten.
Het hof verwerpt het gevoerde verweer.’
11.
Het hof heeft aldus onder meer geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het voor de kinderen van rekwirant beter is als hij ze wel opzoekt. De verdediging wilde de deskundige juist over het thema ‘ouderverstoting’ horen, hetgeen relevant zou zijn bij de beoordeling van het gevoerde verweer met betrekking tot het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Het was derhalve wél in het belang van de verdediging de deskundige te horen.
12.
Het hof heeft voorts met betrekking tot de strafmaat het volgende overwogen (zie pagina 12 van het bestreden arrest):
‘Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim tweeënhalf jaar schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner en twee kinderen. Nadat de relatie is beëindigd en verdachte de omgang met de kinderen was ontzegd, heeft verdachte dit niet kunnen en willen accepteren. Door aangeefster en zijn zoons buitensporig vaak op te zoeken bij hun huis, hun school en sportvereniging en kaarten en cadeaus te verzenden en op (sociale) media zich over hen uit, te laten, heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer. Als gevolg van zijn gedrag heeft verdachte een gedragsaanwijzing opgelegd gekregen inhoudende een contactverbod en een gebiedsverbod met betrekking tot de woning; school en voetbalvereniging. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden om aangeefster en zijn zoons alsnog op te zoeken en hij heeft de gedragsaanwijzing dan ook niet nageleefd, Dit alles heeft een grote impact op het gevoel van veiligheid en de bewegingsvrijheid van zijn ex-partner en kinderen en het raakt ook de omgeving van de slachtoffers. Zowel de school als de voetbalvereniging van de kinderen hebben de nodige overlast en hinder ervaren van de gedragingen van verdachte. Het hof rekent verdachte dit aan.’
13.
Het hof heeft aldus geen woord gewijd aan de stelling van de verdediging dat sprake is geweest van ouderverstoting, hetgeen volgens de verdediging had moeten leiden tot strafvermindering. Ook hier geldt dat de verklaring van de deskundige ten grondslag had kunnen worden gelegd aan het verweer met betrekking tot de strafmaat, zodat het horen van de deskundige wél in het belang van de verdediging was.
14.
Het oordeel van het hof dat het verzoek tot het horen van de deskundige diende te worden afgewezen omdat-gelet op de motivering van het verzoek en in het licht van de tenlastegelegde feiten — een eventuele verklaring van de deskundige niet van belang zou kunnen zijn voor enige door het hof te nemen beslissingen is — gelet op het voorgaande — niet begrijpelijk.
15.
Ik verzoek de Hoge Raad het middel gegrond te verklaren, het betreden arrest te vernietigen en de zaak terug te wijzen of te verwijzen naar een ander gerechtshof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Middel III
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid met zich meebrengt. Met name is geschonden art. 6, eerste lid, EVRM, nu in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in voornoemd artikel is overschreden.
Toelichting
- 1.
Op 15 juli 2022 is namens rekwirant cassatie ingesteld. Op 24 november 2023 zijn de stukken bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden (namelijk met ruim zeven maanden) is overschreden. Het voorgaande brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578) is overschreden. Dit heeft te leiden tot strafvermindering.
- 2.
Ik verzoek uw Raad de middelen gegrond te verklaren, het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar het gerechtshof dan wel te verwijzen naar een ander gerechtshof, zodat de zaak (in zoverre) op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden afgedaan.
Deze schriftuur is ondertekend en ingediend door mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, die verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Amsterdam, 1 maart 2024
Mr. P. Scholte