Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/6.2
6.2 Motivering van onbehoorlijk bestuur kan zonder ernstigverwijtmaatstaf (Goedewaagen Beheer)
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS349748:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De voorbeelden zijn te veel om op te noemen, maar zie recentelijk bijvoorbeeld: Rb. Noord- Holland 2 september 2015, JOR 2016/122 (Voetbal Vereniging Young Boys), r.o. 4.12 e.v.; Rb. Rotterdam 26 augustus 2015, JOR 2015/327 m.nt. J. van Bekkum (Fibercom), r.o. 4.16; Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2014, JOR 2015/32 m.nt. M. Holtzer (Meepo), r.o. 3.7 e.v. en Hof Arnhem-Leeuwarden 2 september 2014, JOR 2014/295 m.nt. J. van Bekkum (Goedewaagen Gouda), r.o. 6.17. Overigens wordt de ernstigverwijtmaatstaf soms ook gebruikt tegelijkertijd met de in het kader van art. 2:138/248 BW ontwikkelde (en mijns inziens veel betere) toets van een redelijk denkend bestuurder die onder dezelfde omstandigheden zo gehandeld zou hebben. Zie bijvoorbeeld: Rb. Midden-Nederland 30 april 2014,JOR 2014/291 m.nt. W.J.M. van Andel (Stichting Daidalos), r.o. 5.1.
Hof Arnhem-Leeuwarden 2 september 2014, JOR 2014/295 m.nt. J. van Bekkum (Goedewaagen Gouda).
De wijze waarop de ernstigverwijtmaatstaf in de rechtspraak wordt toegepast, kenmerkt zich doordat in deze rechtspraak steeds bij de aanvang van de beoordeling van de feiten en stellingen van partijen wordt verwezen naar het als standaardarrest bestempelde Staleman/Van de Ven en/of (een deel van) van de daarin opgenomen kernoverweging zoals hiervoor in par. 4.4.4 is geciteerd. Vervolgens worden de feiten in de betrokken zaak gewaardeerd en wordt geconcludeerd dat, gelet op die feiten, de bestuurder al dan niet een ernstig verwijt treft en aansprakelijk is. Het is in de rechtspraak overigens een gangbare praktijk om in uitspraken eerst het relevante kader te schetsen, op basis waarvan de zaak beoordeeld moet worden en in dit verband te verwijzen naar de relevante wettelijke of in de jurisprudentie ontwikkelde gedrags- en toetsingsnormen. Een bestudering van de rechtspraak leert dat de verwijzing naar het standaardarrest Staleman/Van de Ven echter vaak niet meer is dan een formaliteit, een usance die weinig toevoegt. De rechter gaat vervolgens namelijk steevast over tot het feitelijk beoordelen van het gedrag van de betrokken bestuurder, soms mede door dit gedrag in het licht te plaatsen van concretere gedragsnormen die in het specifieke geval relevant zijn, zonder dat vervolgens nog concreet verwezen wordt naar de omstandigheden/formulering uit Staleman/Van de Ven.1 En dat is ook logisch. Staleman/Van de Ven en de ernstigverwijtmaatstaf bevat, zoals gezegd, geen concreter gemaakte gedragsnorm of toetsingsnorm/toetsingsregel (zie par. 5.6 en hoofdstuk 2) en leent zich dus ook niet goed voor concrete toepassing in de praktijk.
Een goed voorbeeld is het arrest van 2 september 2014 van het hof Arnhem- Leeuwarden, waarin een indirect bestuurder (de heer Kamer via Goedewaagen Beheer) van een vennootschap (Goedewaagen) een vordering op een derde (Bols) om niet had gecedeerd aan een vennootschap waarvan diezelfde bestuurder (indirect) enig bestuurder en aandeelhouder was (Kamer Beheer). Het risico van een tegenvordering van Bols op Goedewaagen was bij Goedewaagen gebleven.2 In r.o. 6.17 citeerde het hof het arrest Staleman/Van de Ven. Direct daarna overwoog het hof volkomen terecht:
“Bij het voorgaande betrekt het hof dat bestuurders zich bij de vervulling van hun taak, bij wege van eigen verantwoordelijkheid, dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, zoals het geval is bij Goedewaagen Gouda, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in artikel 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Vergelijk HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286 (Cancun), r.o. 4.2.1 e.v.”
Over de handelwijze van de bestuurder oordeelde het hof vervolgens:
“Er is, met andere woorden door de (in)direct bestuurder van Goedewaagen Gouda (doel)bewust mogelijk gemaakt dat hij actief met kenbaar een potentieel zeer waardevol karakter om niet aan de vennootschap kon onttrekken ten gunste van Kamer Beheer c.s. zelf (en met achterlating van de tegenvordering van Bols in Goedewaagen Gouda), zonder dat is gebleken dat en hoe daarbij op geïnformeerde wijze het – in casu met de persoonlijke belangen van Kamer Beheer c.s. conflicterende – belang van Goedewaagen Gouda en de met haar verbonden onderneming centraal is gesteld, laat staan dat dit belang daarmee was gediend (hetgeen, zoals volgt uit het voorgaande, kenbaar niet het geval was). Uit het door Kamer Beheer c.s. overgelegde “aandeelhoudersbesluit van 25 april 2006” blijkt daarvan evenmin. Deze gedragslijn valt niet te rijmen met het inzicht en de zorgvuldigheid die, in een geval als het onderhavige, mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. Het hof memoreert daarbij dat het hier niet gaat om een vennootschap zonder activiteiten, maar om een vennootschap waaraan – als werkmaatschappij binnen de Goedewaagen groep – een onderneming is verbonden met diverse stakeholders.”
Het hof verwierp vervolgens de rechtvaardiging die de bestuurder voor diens handelwijze had aangevoerd, door te overwegen:
“Dit laat immers onverlet hetgeen artikel 2:9 BW vergt van Goedewaagen Beheer als enig bestuurder van Goedewaagen Gouda, waarbij die bestuurder – kort gezegd – zich heeft te richten naar het belang van Goedewaagen Gouda en de met haar verbonden onderneming (en voorts, mede op grond van het bepaalde in artikel 2:8 BW, zorgvuldigheid dient te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken).”
Uit het voorgaande blijkt dat het hof refereerde aan art. 2:8 BW, art. 2:239 BW en aan de objectieve norm van de maatman-bestuurder die volgt uit (de wetsgeschiedenis van) art. 2:9 BW (zie par. 3.7.4 en par. 3.7.7). Het arrest Staleman/Van de Ven lijkt in de inhoudelijke beoordeling van de zaak geen rol van betekenis te hebben gespeeld, hoewel dat gelet op het geheim van de raadkamer niet zeker is. Het blijkt in ieder geval niet uit de tekst van de uitspraak. Het hof concludeerde in r.o. 6.21 vervolgens:
“Het hof concludeert dat Goedewaagen Beheer, in het licht van alle omstandigheden van het geval, door deze gevolgde handelwijze zodanig is tekortgeschoten in de behoorlijke vervulling van haar taak als bestuurder van Goedewaagen Gouda dat haar daarvan een aansprakelijkheid constituerend ernstig verwijt ex artikel 2:9 BW treft. Gelet daarop rust aansprakelijkheid voor deze handelwijze jegens Goedewaagen Gouda ex artikel 2:9 BW jo. 2:11 BW ook hoofdelijk op de (in)direct bestuurders van Goedewaagen Beheer in de betrokken periode, Kamer Beheer en Kamer. Grief V slaagt in zoverre.”
Met de zinsnede “een aansprakelijkheid constituerend ernstig verwijt ex artikel 2:9 BW” werd dus weer aansluiting gezocht bij het arrest Staleman/Van de Ven. Voor de goede orde, gelet op het moment waarop de verweten gedragingen plaatsvonden, diende de zaak beoordeeld te worden op grond van art. 2:9 BW (oud), dat tot 1 januari 2013 gold en waarin de ernstigverwijtmaatstaf nog niet was gecodificeerd. Het hof had echter net zo goed kunnen overwegen dat ‘Goedewaagen Beheer, in het licht van alle omstandigheden van het geval, door deze gevolgde handelwijze zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en dientengevolge aansprakelijk is.’