Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.3.1.4
5.3.1.4 Van Mourik over art. 1123 en art. 1124 BW oud
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS614400:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie de voorafgaande paragrafen.
M.J.A. van Mourik, Het begrip ‘waarde’ in het privaatrecht en enige fiscale wetten, WPNR 5494 (1979). Zie noot 5 van dit artikel voor zijn bekentenis over de badinerende schrijfstijl. In de Scheltens-bundel schrijft Van Mourik nog dat art. 1123 BW een deur opent waarachter slechts een leegte wacht; M.J.A. van Mourik, Rechtssfeerwaarde en Successiewet 1956, Van wet naar recht (Scheltens-bundel), Deventer: Kluwer 1984, p. 123.
De al dan niet verbintenisrechtelijke rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten in een gemeenschap worden mede beheerst door de beginselen van de redelijkheid en billijkheid (art. 3:166 lid 3 juncto art. 6:2 BW). Op meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen tussen de deelgenoten, zoals bijvoorbeeld de verdeling, zijn deze beginselen (art. 6: 216 juncto 6: 248 BW) maar ook andere onderdelen uit Boek 6 BW van toepassing. Zie M.J.A. van Mourik, Gemeenschap, Mon. BW B9, Deventer: Kluwer 2006, p. 15, 52.
De mogelijke casus waarin Van Mourik zich afvraagt of ‘afwaardering’ op grond van de redelijkheid en billijkheid aan de orde zou kunnen komen, zien op bedrijfsopvolgingen en betreffen in het bijzonder de verdeling van de nalatenschap. De redelijkheid en billijkheid gebieden onder omstandigheden tot toedeling van bepaalde nalatenschapsgoederen aan een deelgenoot, maar beheersen die beginselen, zo vraagt Van Mourik zich af, dan ook niet – mede – de waardebepaling? M.J.A. van Mourik, Het begrip ‘waarde’ in het privaatrecht en enige fiscale wetten, WPNR 5494 (1979).
Zie over dit arrest van de Hoge Raad en de relevantie van de vraag aan wie toedeling geschiedt ook, Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1996, p. 383, noot 95, en Asser-Perrick 3-IV, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 137. Zie verder paragraaf 11.
M.J.A. van Mourik, Het begrip ‘waarde’ in het privaatrecht en enige fiscale wetten, WPNR 5494 (1979), p. 580.
M.J.A. van Mourik, Het begrip ‘waarde’ in het privaatrecht en enige fiscale wetten, WPNR 5494 (1979), p. 580. Ter verduidelijking wordt later opgemerkt dat het hem om de prijs bepaling gaat, rekening houdend met de rechtssfeer. Van Mourik-Verstappen, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Deventer: Kluwer 2006, p. 534. Ik zal in deze proeve desalniettemin het ingeburgerde begrip rechtssfeerwaarde blijven gebruiken, nog daargelaten dat naar mijn mening zowel waarde- als prijsbepaling met inachtneming van de rechtssfeer aan de orde kunnen zijn. In een verdeling is de term prijsbepaling mijns inziens een wat ongelukkige aanduiding. Zie verder paragraaf 11. In reacties op de in het laatstgemelde WPNR-artikel door Van Mourik geïntroduceerde rechtssfeerwaarde is enige kritiek te bespeuren. Zo verwacht Molkenboer onder andere rechtsonzekerheid door het hanteren van de rechtssfeerwaarde. De waarde van de echtelijke woning na echtscheiding is volgens hem de verkoopwaarde, de prijs die zou worden behaald bij verkoop, oftewel de waarde in het economische verkeer, de marktwaarde, de geldswaarde, alles gewaardeerd op een zo redelijk mogelijke dag. G.J.A.M. Molkenboer, De waarde van de echtelijke woning bij boedelscheiding na echtscheiding, WPNR 5512 (1980). Ook Marres heeft bezwaren tegen de rechtssfeerwaardeleer. Hij verzet zich tegen de daarin gehanteerde subjectivering van het begrip waarde. De wet biedt daarvoor volgens hem geen aanknopingspunt en de redelijkheid en billijkheid zijn te ‘pragmatisch’ om als argument te dienen bij de definiëring van het begrip waarde. Dit begrip is volgens Marres ‘geen moeilijk probleem en waarderen is gewoon het vaststellen van een prijs’. Hij concludeert – naar mijn mening ten onrechte – dat de rechtssfeerwaarde geen probleem over het begrip waarde aangeeft, maar problemen ten aanzien van de markt waar de vast te stellen prijs moet worden gevonden, namelijk de rechtssfeer, die de ‘scheiding en deling’ beheerst. P.G.J.M. Marres, De rechtssfeerwaardeleer is geen waardeleer, WPNR 5512 (1980).
Waar Klaassen-Eggens-Luijten, Suijling-Dubois en Van de Poll1 zich over art. 1123 en art. 1124 BW oud in tamelijk gematigde bewoordingen uitlaten, is de toon van Van Mourik scherp en – zoals hij zelf aangeeft – badinerend. Met de wettekst van deze bepalingen in de hand legt hij taalkundige missers maar ook het ontbreken van inzicht in het verschil tussen ‘waarde’ en ‘prijs’ bloot.2
Voor wat betreft de jurisprudentie en art. 1123 BW oud verwijst Van Mourik, evenals Klaassen-Eggens-Luijten en Van de Poll, naar het arrest van de Hoge Raad van 23 december 1965 (NJ 1967, 44 (Hendriksen-Maatkamp)) waarin de verdeling van een huwelijksgemeenschap aan de orde was. Vanwege het belang daarvan herhaal ik het door Van Mourik – met zijn cursiveringen – gegeven citaat van de Hoge Raad:
‘dat, wat in het bijzonder de waardering van land met het oog op een boedelscheiding betreft, reeds de redelijkheid die de deelgenoten met betrekking tot hun onderlinge verdeling ten opzichte van elkander hebben te betrachten, meebrengt dat voor de waardering wordt gelet op alle factoren die de waarde van de toescheiding van dat land aan een der deelgenoten voor deze bepalen, waarbij behalve aan hetgeen op het waarderingstijdstip bij overdracht van dat land aan derden zou kunnen en mogen worden bedongen, moet worden gedacht aan hetgeen te dien aanzien voor de toekomst kon worden verwacht, terwijl ook de waarde die voor de deelgenoot aan wie het land wordt toegescheiden, voort zou vloeien uit het gebruik dat daarvan kon worden gemaakt, als factor bij de waardering in aanmerking kwam;’
Geparafraseerd kunnen de volgende elementen uit dit citaat worden gedestilleerd:
de redelijkheid die de deelgenoten met betrekking tot hun onderlinge verdeling ten opzichte van elkaar hebben te betrachten,3 brengt voor de waardering, van in het bijzonder land met het oog op een verdeling, mee dat op alle waardebepalende factoren wordt gelet;
daarbij gaat het om alle factoren die de waarde van de toedeling van het goed aan een deelgenoot voor hem bepalen;
een factor is: hetgeen op het waarderingstijdstip bij overdracht van het goed aan derden zou kunnen en mogen worden bedongen of voor de toekomst mag worden verwacht;
een andere factor is: de waarde van het goed die voor de verkrijgende deelgenoot voorvloeit uit het gebruik dat daarvan door hem kan worden gemaakt.
Van Mourik concludeert dat de redelijkheid en billijkheid ter zake van de waardering bij de verdeling een rol spelen, in casu in opwaartse richting. Hij vraagt zich vervolgens af waarom die beginselen dan ook niet in nederwaartse richting hun invloed kunnen hebben.4 De positieve of negatieve invloed van deze beginselen koppelt hij aan de ‘objectieve’ grootheid, verkoopwaarde of waarde in het economische verkeer.
De Hoge Raad formuleert de rol van de redelijkheid en billijkheid naar mijn mening ietwat subtieler. Als ik het arrest goed lees, nopen deze beginselen die de – verbintenisrechtelijke – verhouding tussen de deelgenoten bij een verdeling beheersen, om ter zake van de waardering acht te slaan op alle relevante factoren. Via deze ‘tussenstap’ komen de (in)directe opbrengstwaarde en de verwachtingswaarde in beeld. Ik wil met deze nuancering enkel aangeven dat de waardering als zodanig niet ‘op zichzelf staand’ aan deze open norm is onderworpen, maar in samenhang met alle andere relevante factoren, zoals bijvoorbeeld de vraag aan wie de toedeling redelijkerwijs dient plaats te vinden, in aanmerking moet worden genomen.5 De waardering is – zo leid ik uit het arrest af – een onderdeel van de verdeling als rechtshandeling.
In het arrest van de Hoge Raad vindt Van Mourik – naar mijn mening terecht – een aanknopingspunt om – gebaseerd op de beginselen van de redelijkheid en billijkheid – tot een ‘subjectieve benadering’ van de waarde van de te verdelen goederen te komen. De waarde wordt zijns inziens ten onrechte in een (imaginaire)marktsfeer geplaatst, waarin slechts de verkoopwaarde (waarde in het economische verkeer) bepalend is, terwijl men zich bij de verdeling allerminst op een markt bevindt.6
Van Mourik sluit zijn betoog af met de opvatting dat bij het zwijgen van de – civiele – wet er in de sferen van de verdeling na echtscheiding of overlijden plaats is voor een minder zakelijk waardebegrip (dan de waarde in het economische verkeer). Hij constateert daartoe onder meer dat de Hoge Raad in laatstgemeld arrest de redelijkheid bij de waardering betrekt, dat gezaghebbende auteurs in die richting denken met een pleidooi voor verpachte-, agrarische-, en bewoonde waarde en dat het in de praktijk van de verdeling na echtscheiding en overlijden vaak als onbillijk wordt ervaren indien deelgenoten zich zuiver zakelijk opstellen. Hij presenteert een nieuw ‘waardebegrip’, te weten de rechtssfeerwaarde, waarmee hij de waarde bedoelt die wordt bepaald met inachtneming van de rechtssfeer waarin het betrokken goed zich bevindt.7